Hoofdstuk 9

De school van Holleman

[194] In het jaar 1855 zond het hoofdbestuur van de Vereeniging tot Heil des Volks een evangelist-bijbelcolporteur naar Leeuwarden, nl. K. Holleman, dien wij reeds door zijnen arbeid onder de polderwerkers van de Haarlemmermeer hebben leeren kennen. Deze nam zijn intrek bij den kruidenier Johannes Plet op de Vleeschmarkt, ten wiens huize hij godsdienstige samenkomsten leidde. Als vrucht van dien arbeid kwam er een afdeeling tot stand van de Vereeniging tot Heil des Volks, met twintig leden. Weldra barstte echter in haar midden een hevige strijd los over de leer der algemeene verzoening. Velen waren strenge voorstanders der enge voldoening en wilden die vooropstellen. De geheele afdeeling scheen door dien strijd te zullen ondergaan. Toch hief zij het hoofd weer op en het ledental klom tot zestien. Den 9den April 1856 hield zij haar eerste openbare vergadering in de zaal van “De Koe” buiten de Vrouwenpoort. Een tijdlang bleef Holleman daar des Zondags en des Donderdags voor groote scharen volks optreden. Verder gaf hij den stoot tot het oprichten van vier Zondagsscholen en verschillende vereenigingen. Ook deed hij honderden huisbezoeken bij de arme bevolking van Leeuwarden, onder welke hij de voorkeur gaf aan de Roomsch-Katholieken, wien hij menigen bijbel verkocht.

De herbergzaal in het Zaailand werd echter op den. duur te klein en de omgeving te rumoerig, zoodat naar een ander lokaal werd uitgezien. De aardappelkoopman J. Swart bood nu aan in de Vijverbuurt een pakhuis te bouwen en daarboven een zaal voor samenkomsten tegen billijken prijs in te [195] richten. Het bestuur der afdeeling tot Heil des Volks nam met blijdschap dat aanbod aan en 25 October 1857 wijdde Holleman het “aardappelenkerkje”, zooals het door den volksmond genoemd werd, in met een predikatie over Rom. 8:16. Holleman werd bijwijlen door het hoofdbestuur naar Amsterdam ontboden om gedurende eenige maanden een deel der werkzaamheden van de Liefde, die zich op collectiereis in Schotland bevond, over te nemen. Wel werd hij dan door zijn vriend J. Witmond vervangen, maar de Leeuwarder broeders achtten het in 't belang van het werk, indien er een vaste voorganger aan verbonden werd.[1] Zoo kwamen zij tot het besluit om zich te vereenigen tot een zelfstandige Vrije Evangelische gemeente met Holleman tot voorganger. Een en ander werkte gunstig, zoodat de arbeid zich voortdurend uitbreidde. De gemeente nam de belijdenisschriften der Nederlandsen Hervormde kerk aan, als uitdrukkende den zin en geest, waarin zij de Heilige Schrift verstond, wat de hoofdpunten ter zaligheid betreft. Zij erkende de instellingen van doop en Avondmaal, latende aan een ieder de vrijheid, daarover zulke meeningen te hebben, als hij dacht overeenkomstig Gods Woord te zijn.[2] Zij nam dus evenzeer als hare leden aan, geloovigen die den kinderdoop voorstonden als hen die zich als geloovigen lieten doopen. Evenwel kwam de kinderdoop in de gemeente niet voor. Er werd driemaal per week prediking gehouden, verder werkte men door twee Christelijke breischolen, vijf Zondagsscholen, een Christelijke naaischool, een Christelijke volksbibliotheek en een kinderzendelinggenootschap. De vrienden der Provinciale Friesche Vereeniging, die zich in den beginne meegaande hadden betoond, wilden nu van geen samenwerking meer weten. Toen bidstonden voor Israël georganiseerd werden [196] en Ds. Witteveen van Ermelo optrad, kwamen de waarheidsvrienden niet onder zijn gehoor.

Er heerschte in die dagen een ware honger naar de rechtzinnige evangelieprediking. Al werd zij door geringe krachten voortgebracht, zij vond overal ontvankelijke harten. Holleman reisde dan ook met rusteloozen ijver de Friesche steden en dorpen af om het zaad des Evangelies uit te strooien. Hij gevoelde echter al spoedig behoefte aan hulp en zoo rijpte in hem het plan, om evenals zijn leermeester de Liefde een evangelistenschool in het leven te roepen. Hij vond steun bij de Amsterdamsche patriciërs, die met den geest van het Réveil waren bezield, en zelfs uit het Wupperdal werden hem bijdragen gezonden. Vlak tegenover de Galileërkerk in Droevendal stond het huis van Holleman, dat voor opleidingsschool werd ingericht. Het was zijn persoonlijk eigendom en hij gaf het den naam van “Klein Bethanie.” Door aankoop van een leerlooierij achter de zaal op de Vijversbuurt, kreeg de gemeente een ruimere “kapel.”

Verscheidene jongelieden ontvingen in “Klein Bethanie” hun opleiding[3] en eenigen hunner zouden later een niet onbelangrijke plaats innemen in de Baptistengemeenten van Nederland. Hun levenswijze was zeer eenvoudig. Zij bewerkten zelf den tuin, waarin de noodige groenten werden gekweekt; zij spreidden hun eigen leger; zij verrichtten ieder op zijn beurt het custoswerk. Zij hadden een leerkamer met z'n vieren en ontvingen les in Nederlandsche taal, aardrijkskunde, uitlegkunde des Bijbels, een weinig Grieksch en Latijn. Verder werden zij voortdurend belast niet colportagewerk in de omliggende plaatsen. Een aan overmoed grenzende ijver kenmerkte zoowel den leermeester als de leerlingen. Holleman verkocht aan een Roomsche vrouw te Leeuwarden een Nieuw Testament. Haar later weer bezoekende, gaf zij [197] te kennen, dat de pastoor het haar ontrukt en voor haar oogen in het vuur geworpen had. Hij gaf haar een ander en begaf zich naar den pastoor, die hem in zijn studeerkamer te woord stond. Hij eischte van hem rekenschap over het verbranden van den bijbel. De pastoor beet ook van zich af en wees hem eindelijk de deur. Holleman zou echter nog een slag slaan. In den gang gekomen, om door de dienstbode uitgelaten te worden, poogde hij haar een Nieuw Testament te verkoopen. Op haar vraag of het Ave Maria er in stond, las hij haar uit Lucas 1 den groet des engels voor. “Of de mis er dan wel in stond?” Hij sloeg Matth. 26 op en las de instelling des Heiligen Avondmaals voor. Toen haalde zij haar beursje voor den dag om den prijs te betalen, maar op eens bulderde een stem uit de studeerkamer: “laat dien ketter de deur uit!”

Holleman opende op de Leeuwarder kermis een bijbelkraam, waaraan kaarten met duidelijk leesbare bijbelspreuken bevestigd waren en waar bijbels en godsdienstige werken stonden uitgestald. Zijn leerling Horn had acht dagen tevoren ten stadshuize een patent en een standplaats aangevraagd. Bij de verloting der plaatsen was echter gebleken, dat wegens een zekere informaliteit de bijbelkraam niet werd toegelaten. Horn kwam nu op de gedachte, zich met zijn vriend de Hart als bedienden te verhuren bij een koopman in oude boeken. Deze pakte op hun verzoek zijn minder geschikte boeken in, nam van hen een partij bijbels en tractaten in commissie en liet bij den controleur zijn patent, wegens twee bedienden, verhoogen. Zoo stonden zij den tweeden kermisdag met de bijbelkraam en haar vijf uithangborden te midden van de woelende kermismenigte, predikende en tractaten uitreikende. De politiecommissaris maakte echter procesverbaal op, inhoudende de beschuldiging, dat Horn op de kermis een plaats had ingenomen, die hem niet was aangewezen. De zaak kwam voor den kantonrechter. Holleman trad als getuige op, en het vonnis luidde: “vier en twintig uur gevangenisstraf of vijf gulden boete. Horn ver-[198]-koos met vreugde het eerste, daar hem nu de gelegenheid werd geschonken het Evangelie in de gevangenis te brengen. En hij heeft die gelegenheid aangegrepen ook.

Des Zondagsmorgens, 24 Januari 1868, werd godsdienstoefening voor een vijftig gevangenen gehouden, waaronder ook Horn. De catechiseermeester hield een koude zedepreek over 1 Corinthe XV:33 “Kwade samensprekingen verderven goede zeden.” Na afloop daarvan vroeg Horn het woord, hetgeen hem werd geweigerd. Toch vermeette hij zich een kwartier lang de armoede van het gehoorde en den rijkdom van het Evangelie der schuldvergiffenis in het licht te stellen, niettegenstaande de bewaarders en de commandant hem het trachtten te beletten.[4]

Een jeugdig lid van Holleman's gemeente, Franciscus Johannes van Meerloo, geboren te Leeuwarden 23 October 1842 en tot op zestienjarigen leeftijd werkzaam als klerk op een notariskantoor, ontving ook van den voorganger eenige opleiding voor het evangelisatiewerk. In zijn studietijd maakte hij reeds colportagereizen. In 1864 wijdde hij zich te Sneek aan den dienst des Evangelies. Hij ging de menschen in hunne woningen opzoeken en uitnoodigen om des Zondags te komen onder zijn prediking in de herbergzaal van Harmen de Groot op de Wip en hunne kinderen naar de Zondagsschool te zenden. Toen de opkomst wat bevredigend werd, trachtte hij een zendingsvereeniging in het leven te roepen en verzocht daartoe eenige vrienden om een avond met elkander over deze zaak te spreken. Vijftien personen verschenen ter vergadering en daaruit werd een voorloopig bestuur gekozen. De eerste vergadering had plaats den 8sten Februari 1862.[5] Zestig menschen [199] kwamen bijeen, waarvan de meesten zich aanmeldden voor het lidmaatschap. Verblijd over dit goede begin, noemde men de vereeniging “het Mosterdzaadje”, in de hoop dat het tot een grooten boom mocht groeien en veel vrucht dragen tot uitbreiding van Gods Koninkrijk onder de heidenen.[6]

Hoewel het niet tot gemeentestichting kwam, werd toch op vaste tijden door de evangelisatievrienden het Heilig Avondmaal gevierd. Toen de Groot de herberg verkocht, richtte een der broeders, Auke Kroon, boven zijn timmerwinkel in de Scharnesteeg een vergaderkamer in, die hij aan den evangelisatiekring verhuurde.

In 1869 ontving van Meerloo een beroep als voorganger der Vrije Evangelische gemeente te Amsterdam, dat door hem werd aangenomen. Hij deed er den 1sten Juli zijn intrede. Ofschoon hij met zegen arbeidde, ging de gemeente toch weinig vooruit. De toestanden in de Ned. Hervormde kerk waren zoo geheel anders geworden. De moderne richting had haar grootste triomfen gevierd, de orthodoxie won hand over hand veld, de menigte zag niet meer zoo het verschil tusschen de kerk en de Vrije Evangelische gemeente. Het beginsel: “geen ingang in de gemeente dan door den doop der geloovigen,” dat in de Vrije Evangelische gemeente wel in theorie gehuldigd, maar niet tot volle practische uitvoering kwam, viel niet in den smaak. “Tecum Habita”, de plaats van samenkomst, werd andermaal wegens te hooge huur verlaten en een' bovenzaal der bewaarschool van “Heil des Volks” in de Willemstraat betrokken. Daar de zaken niet voorspoedig gingen, gaf men kwansuis den voorganger te kennen, dat men hem niet meer kon bezoldigen. Maar toen van Meerloo aanbood om dan gratis dienst te doen, weigerden zij dit aan te nemen, tevens besluitende tot ontbinover te gaan. Een deel ging echter met hem mede en vergaderde geregeld ten zijnen huize.

[200] Omstreeks dien tijd richtte de Vrije Evangelische gemeente te 's-Gravenhage, die door het vertrek van haren voorganger Overduin vakant geworden was, een verzoek tot van Meerloo om ook haar te dienen. Hij nam dit aan en men kwam overeen, dat des Zondagsmorgens te Amsterdam en des Zondagsavonds te 's-Gravenhage dienst zou worden gehouden. Dit duurde een paar jaar, totdat van Meerloo om gezondheidsredenen slechts om de veertien dagen naar den Haag ging, hetgeen hij nog geruimen tijd volhield, maar eindelijk moest opgeven. Ook de samenkomsten ten zijnen huize wilde men niet bestendigen, daar die arbeid te locaal was en niet genoeg naar buiten werkte. Er werd daarom op de Rozengracht no. 166 een bovenhuis gehuurd, dat door wegbreking der muren in een lokaaltje werd herschapen, waar ongeveer honderd personen een zitplaats konden vinden. De behoefte aan gemeentelijke samenbinding en meerdere organisatie liet zich nu ook sterker gevoelen, hetgeen 30 Augustus 1881 leidde tot stichting der Evangelisch Vrije gemeente, aanvankelijk met een getal van drie en twintig leden, dat langzamerhand tot vier en dertig klom.[7]

Reeds lang had bij van Meerloo de gedachte post gevat om den doop der geloovigen, die in theorie zoowel in de Amsterdamsche als in de Haagsche gemeente gehuldigd werd, ook in de praktijk door te voeren. Toen hij dit punt ter sprake bracht, vond het bij onderscheidene leden onmiddellijk weerklank en werd dienovereenkomstig besloten. Het lokaal op de Rozengracht werd verrijkt met een doopvont en de eerste die daarin afdaalde om het waterbad te ontvangen was van Meerloo zelf, die 9 Augustus 1883 door J. de Hart van Hengelo werd gedoopt. Nog dienzelfden avond doopte van Meerloo den ouderling N. Zerbst en twee zusters. Bij deze plechtigheid waren de leden der Baptistengemeente in een officieel schrijven uitgenoodigd tot “bevestiging en opbouwing van het gemeene geloof en tot [201] vermeerdering der liefde jegens den Heer en jegens elkander.”[8] Velen, waaronder hun voorganger, de oud-koopvaardijkapitein H. Reeders,[9] gaven aan die uitnoodiging gehoor. Gedurende eenigen tijd werden daarna elke week vier personen gedoopt, eerst van de Amsterdamsche Evangelisch Vrije gemeente, daarna van de Haagsche, daar deze geen doopvont bezat. In beide gemeenten waren echter, die, hoewel den kinderdoop als onbijbelsch verwerpende, toch niet tot den doop der geloovigen konden besluiten. Volgens den ouden regel, dien ook door Kloekers in Sneek was aangeraden, wilde men deze leden bij wijze van overgangsmaatregel nog dragen en tot het Heilig Avondmaal toelaten, maar voor 't vervolg geen nieuwe zonder den doop der geloovigen aannemen. Toch was juist die maatregel oorzaak dat een poging, door de Evangelisch Vrije gemeente in September 1883 aangewend om zich met de Baptistengemeente te vereenigen, schipbreuk leed. Reeders die onverbiddelijk stond op het punt van gesloten Avondmaal, schreef onomwonden:[10] “de gemeente durft niet handelen in strijd met den heiligen wil en de bedoeling des Heeren door samen te wonen en in gemeenschap te zijn met hen, die niet willig zijn te gehoorzamen aan 's Heeren gebod. Zij meent, dat er nergens sprake is in de Schrift van Avondmaal-houden met ongedoopte Christenen en dat haar naam als van zelve te kennen geeft, dat er geen sprake kan zijn van met ongedoopte Christenen zich te vermengen. Zij hoopt echter en verwacht van den Heer, dat weldra ook uwe oogen daarvoor geopend mogen worden en daardoor de belemmering moge wegvallen, die de gewenschte vereeniging verhindert.”

Hoewel het de Baptistengemeente aan een lokaal en mitsdien aan openbare prediking ontbrak, breidde zij zich gestadig uit. In een groote kamer van een der broederen, die [202] in de Vijzelstraat woonde, werden onderlinge samenkomsten gehouden, waarin een liefelijk gemeentelijk leven openbaar werd.[11] De doopcandidaten werden in dien tijd verwezen naar Sneek. Toen Reeders ophield met varen kwam men des Zondagsmorgens ten zijnen huize samen in de Gerard Doustraat no. 164, des Zondagsavonds in de Vijzelstraat, later bij verschillende broeders. Den 4den December 1888 verkreeg de gemeente, die uit 42 leden bestond, rechtspersoonlijkheid en had zij haar vergadering des Zondagsmorgens in de Frans Halsstraat no. 83 en 's avonds bij Reeders Den 3den Maart 1889 nam zij voor openbare prediking een schoollokaal in gebruik, Quellijnstraat no. 23, waar ongeveer honderd personen plaats konden vinden, doch zonder doopvont.[12]

In 1889 ontstond er onder hen, die op het nauwst aan elkander verbonden waren, een hevige verbittering, die uitliep op verwijdering en scheiding. Naar aanleiding van den strijd tegen het alcoholisme, die in de Groninger veenkoloniën gevoerd werd, drong een der leden aan op verplichte geheelonthouding. De zaak der geheelonthouding werd toen aan de hand der Heilige Schrift onderzocht. Een deel zag nu het beginsel der geheelonthouding, in nog helderder licht en ijverde vurig voor aansluiting bij de Christen Nationale Geheelonthoudersvereeniging. Een ander deel, waaronder Reeders, zag in de beweging een aanranden der Christelijke vrijheid en een “menschenvond.” Van beide zijden woedde de strijd met zulk eene hevigheid dat alle toegeeflijkheid was uitgesloten.[13] Reeders wenschte geen leden der Chr. Nat. Geheelonthoudersvereeniging in het midden der gemeente. Zij werden dan ook op zijn voorstel afgesneden. “Ik weet”, [203] schreef hij[14], dat ik zoo goed als alleen sta, maar ik kan niet anders. Ik blijf mijn beginsel getrouw, al moet ik alleen blijven staan; ik zou mij anders tegenover God bezondigen en hoe lief ik de gemeente heb en alles voor haar heb veil gehad, mijn beginsel verloochenen mag ik niet. Wat er gebeure, hetzij scheiding of scheuring, het komt voor rekening van hen die den menschenvond in de gemeente hebben ingevoerd; dat zal ik steeds getuigen, zoo hier als voor den troon van God, want de geheelonthoudersvereeniging is een menschenvond, dus niet uit God. Ik ben er niet tegen, dat iemand zich onthoudt van iets, dat mij vrij staat te gebruiken, maar ik ben tegen het lidmaatschap van die vereeniging in de gemeente, omdat daaruit noodzakelijk verwijdering, verkoeling en tweedracht moeten geboren worden. Ik wil dus geen banden aanleggen, maar verbreken wat de vrijheid in den weg staat. Dit is niet een overhaast besluit, dag en nacht ben ik er mee bezig gefeest en God weet, dat ik het alleen uit ware liefde voor de gemeente doe. Moet ik in den strijd ondergaan, ook goed, maar mijn devies is “ce-do nulli”, als het om de waarheid te doen is, en ik ben mij bewust, dat de waarheid mij liever is dan het leven.”

Van toenadering was derhalve geen sprake. In het voorjaar van 1891 had de scheuring plaats, waarbij slechts een enkele aan Reeders trouw bleef. Het meerendeel wendde zich nu tot de Evangelisch Vrije gemeente met de uitnoodiging om te trachten naar vereeniging. En deze kwam tot stand Woensdag 17 April 1891.[15] De Evangelisch Vrije ge-[204]-meente oordeelde toen, dat het overgangstijdperk lang genoeg geduurd had en het gesloten Avondmaal thans eisen moest zijn. Beide gemeenten vereenigden zich nu onder den naam “gemeente van gedoopte Christenen”, kozen Van Meerloo tot voorganger en gingen voortaan onder zijn gehoor op in het oude lokaal op de Rozengracht.[16] Nog datzelfde jaar, den 3den October stierf Reeders. Met hem ging een man heen met een helder hoofd en een scherpzinnigen blik in de H. Schrift, die hij voortdurend onderzocht, een beslist Christen en een vrijmoedig belijder des Heeren, die met groote toewijding en zelfopoffering de gemeente had gediend.[17]

Daar het lokaal op de Rozengracht bedompt was en velen afschrikte, werd steeds meer behoefte aan een betere plaats van samenkomst gevoeld. Deze kreeg men in de Kerkstraat bij de Vijzelstraat no. 204, waar 20 Januari 1895 een nette kapel, die voor twee honderd personen plaats bood, door Van Meerloo werd ingewijd.[18] De gemeente trad hiermede, na lange jaren als in een hoek verborgen te zijn geweest, een nieuwe periode in. Zij kreeg nu gelegenheid om haar beginselen in wijder kring bekend te maken en in haar doopvont voor aller oogen toe te passen. Zij telde 1 Januari 1911 vijf en zeventig leden.

Toen van Meerloo in 1869 uit Sneek ging vertrekken, vroeg hij een opvolger aan Holleman, doch deze wilde er niet van weten wegens oneenigheid met zijn vroegeren leerling. Van Meerloo stelde nu den evangelist Groot, een leerling van G.F. Lankamp te Enkhuizen[19] in zijn plaats. Deze bleek [205] echter Irvingiaansch te zijn, zoodat de evangelisaliekring niets met hem kon beginnen. Zijn rijk liep dan ook spoedig ten einde. Holleman liet zich nu vermurwen om een zijner leerlingen aan Sneek af te staan, nl. Johannes Horn, geboren te Medemblik, 6 October 1849, vroeg wees en op zestienjarigen leeftijd tot bekeering gekomen. Holleman, die met Lankamp, vóór zijn “apostolische” periode bevriend was, liet den 17 jarigen jongeling ten diens huize komen om hem voor de evangeliesatieopleiding te onderzoeken. Dit liep bevredigend af en Horn werd 19 Maart 1867 in het zendingshuis “Klein Bethanië” opgenomen. Nog datzelfde jaar trad hij toe als lid der Vrije Evangelische gemeente en den 18 April 1869 werd hij, gelijktijdig met J. de Hart, door Holleman gedoopt in het doopbassin ten zijnen huize.

Daar de ijver en vrijmoedigheid van Horn op de Leeuwarder kermis en in de gevangenis voldoende gebleken waren, zag zijn leermeester hem met vertrouwen de plaats van Van Meerloo innemen. En in dit vertrouwen is hij niet beschaamd, [206] want voor zeer velen is zijn arbeid in Sneek en omstreken ten zegen geweest.

Hij ving zijn arbeid aan in de achter-bovenkamer boven de timmerwinkel van Kroon,[20] waar door de veelheid der menschen de lampen wegens de stikstof dreigden uit te gaan. Hoe verheugde men zich, toen men Juni 1871 op het Achterom een lokaliteit machtig werd, die eertijds was gebruikt als school, later als drukkerij en eindelijk als ijzerpakhuis. Als plaats van samenkomst was het echter ook hier nog hoogst primitief. In het voorgedeelte werden twee kamers getimmerd, één voor den koster en de andere voor den ongehuwden voorganger. Holleman hield de inwijdingsrede. Kort daarna verloor de evangeliesatiekring een tiental leden, die zich bij de Darbistische beweging aansloten. Daartoe gaf den stoot een zekere Anne de Vries, die te Amsterdam als soldaat het middel was geweest tot bekeering van den Terschellinger korporaal Hendrik G. Meijer, dien hij wegens zijn vloeken vermaande. Meijer werd onder invloed van zijn zwager te Haarlem Darbist en toen hij op zijn doorreis naar Terschelling te Sneek vertoefde won hij de Vries voor zijn beginselen. Trouwens door bezoeken van Donker en H. C. Voorhoeve Jz.[21] uit Rotterdam waren er reeds te Sneek eenige Darbisten, doch zonder “vergadering” te houden. Daarmede werd nu evenwel een begin gemaakt door de aansluiting van de Vries en meerderen van den evangelisatiekring. De samenkomsten hadden plaats bij den staaltjes-[207]-koopman Jan Westra op de Pol. Door overlijden en andere oorzaken gingen zij na een zestal jaren te niet.

In de prediking van Horn trad de doop der geloovigen niet op den voorgrond, maar werd evenmin doodgezwegen. Den 12den April 1872 lieten vijf leden van den kring zich bij Holleman aan huis doopen. De eerstvolgende doopsbediening had plaats in eigen lokaal en werd aan vijf broeders en vier zusters voltrokken in een zinken badkuip, die men daartoe van Holleman leende. Gedurende zes jaar had nu geen doop meer plaats. Een bezoek van H.Z. Kloekers van Nieuwe Pekela in het najaar van 1879 bracht evenwel verandering. Hij stelde het zuiver Baptistische beginsel van het gemeentewezen met gesloten Avondmaal scherp in het licht. Hij vergeleek hen, die in dezen kring den doop der geloovigen nog niet hadden ontvangen, bij kostgangers, die tijdelijk in huis geduld werden, maar wie voortaan binnengelaten zou willen worden, moest zonder feil aan den eisch des doops voldoen. Door dit betoog kwamen velen tot overtuiging, zoodat nog datzelfde jaar twaalf en het volgende jaar zeven personen werden gedoopt. Nu ging men ook tot stichting der gemeente over, die uit 42 gedoopte leden bestond. Den 13den September 1880 had de eerste gemeentevergadering plaats, waarin het verlangen naar een ouderling en een bestuur werd uitgesproken. Op voorstel van den voorganger trad als secretaris op Wijbren Wielinga.[22] Was vroeger het H. Avondmaal meer aan de vrije begeerte der broeders en zusters overgelaten, den 31sten October 1880 werd besloten het op vaste tijden, nl. om de vier weken te houden. Den 7den Januari werd de veerschipper op Franeker Sietse Gorter, geboren te Grouw, als ouderling gekozen, welk ambt hij tot heden onafgebroken heeft vervuld.

Horn, die te Sneek alle wateren afvischte, evangeliseerde bovendien, gedurende de eerste jaren, in de Christelijke school [208] te Hommerts,[23] te Oppenhuizen in de kamer van Geert de Boer,[24] en te Grouw een gansche winter om de veertien dagen in een herberg. Ook ging hij prediken te Workum, te Bolsward en in het Heidenschap.

Den 5den Maart 1882 werd in het lokaaltje op het Achterom een nieuwe doopvont van twee Meter lang en één Meter breed met houten trap in gebruik genomen bij den doop van Wilhelmina Stargard, die te Amsterdam belijdenis had gedaan. Den 25sten Juni 1882 trad als penningmeester op Johannes de Vries, een voorbeeldig Christen die 6 Februari 1884 aan de gemeente door den dood ontviel.

Inmiddels had het ledental een sterken aanwas ondergaan. Het wijst voor 1881 op den doop van 39, voor 1882 op dien van 38 nieuwe leden. Dit was de vrucht van een opwekking, die zich niet enkel beperkte tot Sneek maar doorwerkte in Heeg en het Workummer Heidenschap, waar Horn ook evangeliseerde. Hij hield den 24sten Februari 1881 te Sneek een namiddag- en avondsamenkomst “tot opwekking van geestelijk leven.”[25] Kapitein van Bart te Breda en M. Mooij, voorganger der Vrije Evangelische gemeente te Franeker, waren overgekomen “om mede te getuigen van het eeuwige leven.” Vier avonden van te voren hadden de broeders zich met het oog op die samenkomst afgezonderd tot gebed. Aangaande Heeg schreef Horn eenige maanden later: “de zegen is overstelpend groot; de herbergen zijn letterlijk ontvolkt.”[26] Menige “opgewekte” verkeerde in hevigen zielestrijd om zich [209] los te maken van de kerk, vooral in een plaats als Heeg, van ouds een bolwerk der Dortsche rechtzinnigheid, waar predikanten als A. Becking, J.J. Knap en W. Felix hadden gearbeid. Tot de eerste vijf gedoopten van Heeg behoorde ook de bejaarde Wibbe Jonkmans, die in den beginne Horn nauwelijks kon dragen op het punt van kerk en doop, maar die eenigen tijd later, bij een bezoek, hem schreiend een brief overhandigde, dien hij juist voor de gemeente te Sneek bestemd had. Deze was van den volgenden inhoud:

“Aan mijne heiligen en beminden in den Heer. De genade zij met u. God de Heere, Wiens ik ben en Wien ik diene in mijnen geest, die mijne haren geteld heeft en mij bewaren zal voor Zijn hemelsch koninkrijk, heeft mij geboden Zijnen wil te doen, die mijn ziel met blijdschap aanvaardt. Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; ik behoor bij u; ik moet gedoopt worden. Amen.

Vrijdag. Van den Heer ontvangen: En zij deden niet alleen gelijk wij gehoopt hadden, maar zij gaven zich zelven eerst aan den Heer en daarna aan ons. Zaterdag: (Bij overdenking van het Avondmaal in de groote kerk): Wat zoekt gij den Levende bij de dooden? Zondag: De Booze overwonnen. Maandag: Zeer aangenaam beslist. Dinsdag: Zeer vroolijk. Donderdag: De kerk beschouwd als het schip uit Hand. XXVII, door den Geest Gods toegepast op onze kerk en hoe men op God moet hopen en aan land moet zien te komen. En dat land is uw gemeente, welke door de poorten der hel niet zal worden overweldigd, maar wel bestreden. Amen. Jezus het laatste woord. Hij is de Omega.”

Zondags daarop werd hij met nog vier broeders te Sneek gedoopt.

In October 1883 constitueerde Heeg zich met goedvinden van de moedergemeente tot een zelfstandige gemeente met 23 leden, Horn als voorganger en W. Jonkmans, J. de Vries en P. Verbeek als bestuursleden. Zij zag zich terstond een ruim arbeidsveld geopend onder de polderwerkers, die hun keten bij Outlega hadden opgeslagen. Des Zondagsmorgens [210] trok tijdig een tiental broeders derwaarts, bezocht de keten, hield toespraken, zong Sankeyliederen, bad en deelde tractaten uit.

Den 27sten December 1883 mocht de gemeente haar nieuwe Silokapel den Heer wijden.

Ook buiten de provincie, gelijk in het volgend hoofdstuk nader zal blijken, strekte Horn zijn arbeid uit. Vooral was hij meermalen werkzaam onder eenige broeders en zusters te Hoorn en Berkhout, die sedert 1880 dorstten naar gemeentelijk leven en daarover meermalen met elkander spraken. Twee hunner mogen hier niet onvermeld blijven, nl. Z. Groet te Berkhout en D. van Velden te Hoorn, ten wiens huize vele jaren de onderlinge vergaderingen plaats hadden en die nog steeds als voorganger en secretaris dienst doen. Vooral door Horn's optreden werd het dezen kleinen kring duidelijk, “dat de orde Gods in Zijn Woord voor den zondaar is: door het Evangelie tot het geloof; door het geloof tot den doop; door den doop tot de gemeente en in de gemeente de gemeenschap der heiligen door doop en Avondmaal.”[27] Toen een paar van hen besloten zich te laten doopen, schreven zij Horn. Deze stelde voor naar Sneek te komen; kon dat echter niet, dan wilde hij beproeven of de doop ook kon plaats vinden te Amsterdam, waar van Meerloo en zijn Evangelisch Vrije Gemeente eenige weken geleden tot de “gehoorzaamheid des doops” gekomen waren. Daar ging het echter moeilijk. Zoo had de doop plaats te Berkhout ten huize van broeder Groet, in tegenwoordigheid van Kloekers en Horn. 't Was een gewichtige, ure, toen acht broeders en drie zusters na toespraak, gebed en lied gedoopt werden en men daarna tot gemeentestichting overging (23 September 1883).[28]

Dienzelfden zomer, 6 Juni 1883, wijdde Horn in eigen gemeente de “Vredekerk” aan den Oppenhuizerweg in. Daar [211] men zijn volgelingen “Horrianen” noemde, vreesde hij dat men de nieuwe kerk Hornskerk zou noemen. Dit deed hem besluiten op den gevel den tekst aan te brengen: “Vrede door het bloed des kruises” en de kerk “Vredekerk” te noemen. Spurgeon zond voor den bouw een som van tien pond sterling, die bestemd werd voor een ijzeren hek.

Na een gezegenden arbeid van 21 jaar, waardoor zijn naam tot op den huldigen dag aan Sneek verbonden is gebleven, vertrok Horn in Mei 1890 naar Groningen.

Hij werd opgevolgd door J. de Hart, die 31 Augustus 1890 als voorganger der Sneeker gemeente optrad. Deze was een Enkhuizer van geboorte, ging ter catechisatie bij een modern predikant, doch kwam onder invloed van de evangelieprediking in Lankamp's evangelisatie tot bekeering. Op 18 jarigen leeftijd verliet hij het ouderlijk huis en vertrok naar Utrecht, waar hij lid werd van de jongelingsvereeniging en meehielp aan de Zondagschool van Jhr. A. M.C. van Asch van Wijck. In vrije avonden hield hij somwijlen een bijbellezing in Utrecht's achterbuurten. Zoo werd hij gevormd voor de taak van evangelist, die hem wachtte. Toen hij, naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, op den dag der loting voor den militairen dienst, ten huize van Lankamp, K. Holleman van Leeuwarden ontmoette, gaf hij dezen de begeerte te kennen zich aan den dienst des Evangelies te willen wijden. Hij werd nu kweekeling-evangelist in “Klein Bethanie”, waar hij van 15 April 1867 tot 1 November 1869 vertoefde.[29] Bundels tractaten heeft hij in die periode verspreid op kermissen en langs de huizen nu hier, dan daar. Daar Holleman eertijds in Twente had geëvangeliseerd, viel het oog op dit arbeidsveld. Horn ging eerst poolshoogte nemen, de Hart nam tijdelijk diens werk te Sneek waar en niet lang daarna werd Hengelo tot post van evangelisatie bestemd. Daar heeft de Hart bijna 21 jaar met veel vrucht [212] gearbeid. Het was in den waren zin van het woord pionierswerk. De weinige rechtzinnigen, hetzij Hervormd, hetzij Gereformeerd, gingen onder zijn gehoor op. Het oud-Kamerlid J. van Alphen hielp mee om hem een lokaal te bezorgen. Van 31 October 1871 tot 22 Mei 1879 bleef men evangelisatiekring, naar de beginselen der Vrije Evangelische gemeenten. Alleen geloovigen werden gedoopt, doch ook met hen, die als kind den doop hadden ontvangen, vierde men het H. Avondmaal. Evenals te Sneek bracht een bezoek van Kloekers daarin verandering. Zijn scherp belijnd Baptistisch beginsel gaf op Hemelvaartsdag 1879 den stoot tot stichting eener Baptistengemeente, die 5 Januari 1882 rechtspersoonlijkheid verkreeg.

Ook in de omliggende plaatsen zooals Delden, Borne en Oldenzaal strooide de Hart het zaad des Evangelies uit en veel van dezen arbeid is aan de Hervormde en Gereformeerde kerk ten goede gekomen. Na bijna zes jaar voorganger te zijn geweest in Sneek, vertrok hij 1 Juni 1896 naar Paterson, New Yersey, in Noord Amerika. Wegens het klimaat keerde hij naar het vaderland terug, daar Hengelo hem opnieuw beriep. Den 26sten Mei 1901 verbond hij zich weer aan zijn oude gemeente, waar hij tot aan zijn dood, 23 Juli 1912 is werkzaam geweest.

De Baptistengemeente, die verder uit den arbeid der Vrije Evangelische gemeente te Leeuwarden onder leiding van K. Holleman voortsproot, is Haulerwijk.[30] Het was in 1864, toen het huisgezin van J. Plet en van G. de Vries uit Leeuwarden naar deze kleine afgelegen veenkolonie verhuisde. Beide mannen hadden reeds getoond alles over te hebben voor den dienst des Evangelies.[31] Zij vonden het in hun [213] nieuwe woonplaats geestelijk doodsch en het was hun een prikkel om terstond met eenigen arbeid te beginnen, nl. een Zondagschool voor de kinderen, toen volgde een bijbellezing voor ouderen en dit eenvoudige werk werd gezegend, zoodat eenigen tot bekeering kwamen.

Reeds in 1867 kon er een Vrije Evangelische gemeente gesticht worden, die Juni 1868 den evangelist de Groot tot voorganger en J. Plet en G. de Vries tot ouderlingen verkoos.

Slechts één jaar bleef de Groot hier werkzaam en vertrok toen naar Enkhuizen. Nu werden de samenkomsten geleid door Plet als oudste ouderling, maar zijn eigenaardige wijze van spreken, mede een gevolg van zijn doofheid, bracht de gemeente in moeilijkheden, zoodat hij zijn bediening neerlegde en zich, bij de Christelijk Gereformeerden voegde. In dien tijd kwam metterwoon van Oldernarkt een lid der Vrije Evangelische Gemeente te Zuidveen, genaamd de Bock. Daar het hem niet aan spreekgaven ontbrak, trad hij van tijd tot tijd voor de gemeente op. Ook had men het geluk, met behulp van broeders in andere gemeenten, een lokaaltje voor tachtig menschen te kunnen bouwen. De Bock legde den eersten steen en zijn initiaalletters werden in den gevel gegrift, waardoor het gebouwtje in den volksmond den naam van “bokkehok” ontving. Door het vertrek van de Bock, die in 1876 naar Leeuwarden verhuisde, geraakte de gemeente weer in moeilijkheid, vooral met het oog op den zich uitbreidenden arbeid.

Nu viel de aandacht op een jeugdigen evangelist, die niet lang geleden een zelfstandigen, geheel vrijen arbeid was begonnen te Oldelamer c.a. Hij heette Nicolaas van Beek, geboren 16 Februari 1850 te Wolfaartsdijk in Zeeland, de oudste zoon van het drietal kinderen, waarmede het huwelijk was gezegend van Hendrik van Beek en zijn vrouw [214] Suzanna de Tafenier. Vader Van Beek was een vurig aanhanger van Ds. Budding en reeds op zeer jeugdigen leeftijd moest de jeugdige Nicolaas des Zondags naar Goes om den vermaarden prediker te hooren. Deze gevoelde zich zeer tot den jongen aangetrokken en nam hem dan ook onder zijn bijzondere hoede. Als zesjarige knaap zat hij menig uur met zijn makker, den nu reeds ontslapen Ds. N. de Jonge, aan Budding's voeten naar het woord des leermeesters te luisteren. Reeds vroeg moest hij zijn ouders missen, doch ook kende hij reeds vroeg den weg des heils als een levende weg. Bij zijn oom te Oud-Sabbinge bij Wolfaartsdijk vond hij een thuis, waar hard werken de boodschap was, maar waar hij nooit zijn doel uit het oog verloor: arbeider te worden in 's Heeren wijngaard. Hij begon met het oprichten van een jongelingsvereeniging in zijn dorp, geholpen door Daniël Musse, die later zijn zwager zou worden. Een aanbod van den Hervormden predikant, met wien hij vaak in aanraking kwam, voor zijn opleiding te zullen zorgen, indien hij Hervormd werd, sloeg hij af. Het beginsel der vrije gemeenten had reeds te diep wortel geschoten in zijn gemoed. Wat hij zocht, vond hij te Zuidveen bij den voorganger der Vrije Evangelische gemeente, D. de Gilde, die hem gedurende bijna vijf jaar onder zijn leiding nam en hem zoowel theoretisch als praktisch voor den Evangeliearbeid bekwaamde. Na voleindigde studie werd hem Oldelamer in Weststellingwerf als arbeidsveld aangewezen, waar hij 2 Juni 1876 door zijn vaderlijken leermeester met oplegging der handen tot den dienst des Evangelies gewijd en in het midden der gemeente door den echt verbonden werd aan de zuster van zijn vriend Musse. Acht maanden heeft hij aldaar het zaad des Evangelies in den harden bodem uitgestrooid. Te Scherpenzeel predikte hij in een herbergzaal voor een groote menigte menschen. Vruchten van geloof en bekeering werden echter niet openbaar. De roepstem uit Haulerwijk om als voorganger der Vrije Evangelische gemeente aldaar te komen arbeiden, sloeg hij dan ook niet af. Den 28sten Januari 1877 [215] leidde de Gilde hem tot zijn dienstwerk in. Met grooten ijver toog hij aan den arbeid niet alleen in eigen gemeente maar op verschillende plaatsen in den omtrek zooals Donkerbroek, Driemunt, Kornhorn en Opende. In laatstgenoemde plaats, gelegen op Groningsen grondgebied, in de zoogenaamde “Parken”, ontstond een kleine kring geloovigen, die in 1900 een ledental van vijftien bereikte en den 15en Oct. van dat jaar een eigen lokaaltje verkreeg.

Intusschen liet zich bij het onderricht van nieuw-bekeerden de doopvraag gelden. Theoretisch werd de doop der geloovigen voorgestaan, maar de praktische toepassing bleef nog achterwege. Twee jonge broeders, die een doopsbediening der Baptisten in den Weerdingermond hadden bijgewoond, waren overtuigd geworden, dat de doop door onderdompeling, op belijdenis, alleen bijbelsch was. Deze zaak werd in de gemeente besproken en slechts; door enkelen bestreden. Nu werd besloten een doopvont te maken, ieder die begeerte er toe gevoelde te doopen, de anderen niet uit te sluiten van het H. Avondmaal, maar geen nieuwelingen zonder doop der geloovigen toe te laten. Zoo werden de eerste zes broeders, waaronder Van Beek, gedoopt en weldra volgden de anderen. Vooral het optreden van H. Kruit uit Stadskanaal, die aan de gemeente een bezoek bracht, werkte daartoe mede. Kruit won door zijn minzaamheid en vooral door het aangrijpend woord, dat hij des avonds in de “kapel” sprak, aller hart. Hij repte weinig van den doop, maar sprak over de gerechtigheid van het Koininkrijk Gods op zulk een wijze dat het vele vooroordeel en tegen het Baptisme opruimde en tot aller doop leidde.[32]

Toen Van Beek in November 1881 naar Groningen vertrok, oordeelde men broeder G. de Vries de aangewezen man te zijn om hem op te volgen. Hoevele bezwaren daar ook tegen waren, hij stemde toe en gaf zich aan de gemeente. En hij is haar voorganger gebleven met onbezweken [216] trouw tot voor korten tijd, hoewel hij 78 jaren telt. Wegens de eigenaardige maatschappelijke toestanden is Haulerwijk niet een groote gemeente geworden. Vele jonge broeders en zusters werden genoodzaakt hun brood elders te zoeken. Zij telde in 1880 dertig, in 1899 twee en dertig en in 1912 negen en veertig leden. Toch zijn van haar verscheidene broeders uitgegaan, die nu in andere gemeenten een belangrijke plaats bekleeden. Haar voorganger is thans K. Kuipers.

 


[1] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1856, bl. 373 v.v., 1957, bl. 506 v.v.

[2] Zie Grondslag van Vereeniging der Vrije Evang. gemeente te Leeuwarden, z.j.

[3] O.a. A. Berlijn, later evangelist van “Heil des Volks” te Zalt-Bommel, J. Horn, J. de Hart, D. de Gilde later te Zuidveen, P. van den Hoek, A. de Raadt (later Darbist), Hondius en Kroon.

[4] Dit is ontleend aan een opstel van J. Horn “een dag in de gevangenis” in „De Volksbode”, weekblad voor Nederland, 3 April 1869, uitgegeven bij W.J. Kat te Haarlem.

[5] Het bestuur was F.J. van Meerloo, praeses, L. Bakker, vice-praeses, J.S. van der Meulen, secretaris, A. Kroon, Abe Visser, penningmeester en Jozef Simons.

[6] Deze vereeniging bestaat nog en W.J. Wielenga is 37 jaar lang haar secretaris geweest. Zie “De Christen” 22 Maart 1911.

[7] Ouderlingen waren N. Zerbst en T.W. Willems.

[8] Schrijven van 5 Aug. 1883, geteekend door N. Zerbst.

[9] Geb. 1842, overl. 3 Oct. 1891.

[10] Schrijven van 1 Oct. 1883.

[11] Bericht in “De Christen” van Juli 1882.

[12] Deze bevond zich bij Reeders aan huis.

[13] Dezelfde strijd is terzelfder tijd gevoerd in de gemeente Haarlem, waar ook het besluit werd genomen om geen leden op te nemen, welke aangesloten waren bij de C.N.G.O.V. Zie “De Christen” van 26 Febr. 1891.

[14] Brief van 27 Nov. 1890 aan J. Horn.

[15] Op 1 Nov. 1891 werd de gemeente Amsterdam officieel in de Unie opgenomen. Na nauwgezet onderzoek der Commissie bleek haar dat de partij van Reeders in het ongelijk was en bijgevolg niet kon erkend worden als gemeente. Met haar werd dan ook als zoodanig gebroken, ze beschouwende als broeders en zusters, die buiten de orde en de regelen der H. Schrift zich gedroegen, door zich niet bij de gemeenten aan te sluiten. Ditzelfde gold ook voor Haarlem. Zie jaarverslag der Unie 1892.

[16] “De Christen” van 23 April 1891.

[17] “De Christen” van 8 Oct. 1891.

[18] Deze kapel is nog steeds plaats van samenkomst der gemeente.

[19] G. F. Lankamp was hoofdonderwijzer der Chr. School te Enkhuizen. Wegens de moderne prediking in de Hervormde kerk ontstond er een bloeiende evangelisatie, waartoe o.a. de weesvader Bezaan den stoot gaf, en waarvan Lankamp “vrije” evangelist werd. Hij was een goed spreker, er heerschte offervaardigheid en velen kwamen tot bekeering. In den beginne stelde men zich niet buiten de kerk, maar langzamerhand vertoonde zich meer een anti-kerkelijke geest. Men begon het Avondmaal onderling te vieren en Lankamp ging aan de huizen doopen. Hij geraakte onder invloed van den “apostel van de stam Juda” Frederich Wilhelm Schwartz te Amsterdam, die meer dan eens in de evangelisatie optrad en zoo werd in 1869 te Enkhuizen “de gemeente der apostolische zending” opgericht. Van nu af aan streefde Lankamp geheel in Irvingiaansche richting. Tot de profeten dier gemeente behoorde o.a. de hulponderwijzer Leppig, vroeger te Doetinchem. Te Ouderkerk aan den Amstel werd de Liefde's leerling Menkhoff ook door Schwartz als priester-evangelist gewijd. Zie Kerkelijk Weekblad, 13 Aug. 1869, Stemmen van Waarheid en Vrede, 1808. Ook Mr. Is. Capadose, de zoon van Dr. A. Capadose, ging tot de Irvingianen over. Hij liet in 1804 aan Mr. Groen van Prinsterer weten: “ik ga nu naar mijn zwager te Raalte, den Darbist, U ziet ik loop van den eenen ketter en sectaris naar den ander.” Hij schreef: “De hoop der uitredding of eenige opmerkingen over de tijden van den antichrist; Zijn hand is niet verkort; De Groote verdrukking aanstaande; Een bladzijde uit de geschiedenis der kerk van Christus”, alle verschenen te Leiden bij De Brink en Smits, omstreeks 1868—1869.

[20] Zie bl. 199.

[21] Darbistische geschriften in het Nederlandsch zijn: H.C. Voorhoeve Jz., “De persoonlijke tegenwoordigheid des Heiligen Geestes op aarde”; Gedachten over het Avondmaal des Heeren”; H.J. Lemkes, “Drie brieven over de verhouding des Christens tot het huwelijk”, Rotterdam, z.j. Verder van anonyme schrijvers: “Het Christendom en de beschouwing der Moderne Theologie over de opvoeding der wereld”; “Hoe de geloovigen in onze dagen vergaderen”; “De ijver tot God”; “De oefenschool des geloofs”: “Waarheid en genade”; “De Sabbath en de dag des Heeren”; alle z.j. uitgegeven te Rotterdam bij A. v. d. Briel Gz.

[22] Deze neemt nog steeds die functie waar.

[23] Later in een herbergzaal.

[24] Zie zijn levensbeschrijving in mijn “It Fryske Réveil yn portretten”, Sneek 1911, bl. 262—275.

[25] Een en ander is ontleend aan een rondgaand schrijven van Horn, behelzende eenige mededeelingen aangaande de geestelijke opwekking in Sneek en omstreken in 1881, aan de gemeenten te Klooster ter Apel, Stadskanaal, Nieuwe Pekela, Hengelo, Haulerwijk, Groningen en Foxhol, Haarlem, Amsterdam en Deventer.

[26] In het tijdschrift “Het Eeuwige Leven”, jaarg. II, afl. l, 6 Mei 1881 schreef Horn: “Te Heeg stroomt op goddelijk kalme wijze de stroom verder. Als een kind staar ik aanbiddend Gods werken aan.”

[27] “De Chrisen van 15 Oct. 1883.

[28] De gemeente te Hoorn telt thans ruim 20 leden.

[29] Hij werd gelijktijdig met Horn in Holleman's woning, 18 April 1869 gedoopt.

[30] De gegevens omtrent de gemeente te Haulerwijk zijn ontleend aan een opstel in “De Christen” van 23 Aug. 1906.

[31] G. de Vries was kruidenier, maar reisde naar Knijpe en Tjallebert, sprak in herbergzalen, had huoge kosten en kreeg centen bij de collecte. Hij predikte o.a. te Harlingen in dezelfde localiteit, waar H. Katuin uit Hengelo in 1900 samenkomsten hield. Toen Katuin in 1902 naar Paterson vertrok, is zijn plaats ingenomen door den Bijbelcolporteur der Unie, Harmsen. Later heeft als voorganger H. Visser te Bergumerheide, thans te Sneek, de gemeente bediend.

[32] Uitgezonderd één huisgezin.

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman