Hoofdstuk 8

Predikstations onde Duitsche belijdenis

[180] Den 22sten April 1864 zat Johannes Kuiper,[1] gortmaker te Makkum, in het spoor van Leeuwarden naar Harlingen. Hij was van doopsgezinde belijdenis en bekleedde de betrekking van organist in de Makkummer Vermaning. Niet lang geleden ging hem, evenals zijn godvreezende zuster, het licht des Evangelies op. Meermalen spraken zij samen over den doop der geloovigen en over den geesteloozen toestand der Menniste gemeenten. En als zij in den Martelaarsspiegel van T.J. van Braght de geloofsgetuigenissen der “slachtschaapkens Christi” lazen, dan zuchtten zij: “ach, leefde Menno Simons en zijne volgelingen nog maar!”

Toen de trein te Franeker stilhield, traden vier mannen bij hem in de coupé, die door hun platduitsch accent hun Oost-Frieschen afkomst verrieden. Bij het passeeren van eenige tichelwerken geraakte Kuiper met een hunner in gesprek over het verschil van steenbereiding ten Oosten en ten Westen van den Eems, doch het duurde hoogstens tien minuten. Na aankomst in Harlingen bracht hij nog een bezoek aan den eerwaarden Urker klompschipper Albert Willems,[2] een welkome verschijning in alle vrome gezelschappen tusschen Peasens en Staveren, wegens zijn helder inzicht in de waar-[181]-heden des heils. Nauwelijks daar gezeten werd hij verrast door de komst van dezelfde Oost-Friezen, met wien hij al spoedig in een gesprek geraakte over de dingen Gods, waarbij de harten samensmolten in eenigheid des geestes. Bij het scheiden vroeg Kuiper aan een hunner, die de Neui bleek te zijn: “wie zijt gij toch, broeder, en welke is uw betrekking?”

“Ik ben” — zeide deze — “prediker bij de gedoopte Christenen.”

“En wat wil dat zeggen?”

“Dat wij, volgens de instelling des Heeren, geen anderen doopen dan die gelooven.”

“Wel verbazend, dan zijn er nog zulke kinderen Gods, die het daarin met mij eens zijn! Wat ben ik verheugd u te hebben ontmoet; wanneer kunnen wij nader kennis maken?”

De Neui beloofde zijn eerstvolgend bezoek aan Franeker hem te zullen melden.

Des avonds thuiskomende riep Kuiper zijn zusier toe: “Waarlijk, de Menno's leven nog, ik heb ze gezien en met hen gesproken!”

Met vurig verlangen verbeidde hij het beloofde bericht en hij werd niet teleurgesteld. Een maand daarna had hij het voorrecht met vele broeders en zusters een dag met de Neui te Franeker door te brengen “onder blij genot en zielsverkwikkenden zegen.”. Bij die gelegenheid noodigde hij hem uit ook eens te Makkum het Evangelie te komen prediken. Daaraan gaf de Neui den 28sten Mei 1864 gehoor. Kuiper haalde hem per wagen van Harlingen en bracht hem ten zijnen huize in een kring van vrienden en kennissen, die allen van rechtzinnige belijdenis waren. Onder hen bevond zich ook de stoelenmatter Evert Teves, evenals Albert Willems een figuur onder de orthodoxe Friezen en in de wandeling bekend als blinde Evert.[3] Hij had namelijk als soldaat door [182] een oogziekte het gezicht verloren, doch tegelijkertijd was toen een hooger licht in zijn ziel ontstoken door het Evangelie der zaligheid. Toegerust met een groot verstand en een veelomvattende kennis, niet het minst op het gebied der “voorwerpelijke Waarheid”, werd hij de ziel van een gezelschap, dat eiken Maandagavond vergaderde tot onderzoeking der Heilige Schrift, en van de afdeeling Makkum der “Vereeniging voor de Friesche vrienden der Waarheid.”

Toen de Neui na gebed en psalmgezang het gezelschap een paar verzen uit de Heilige Schrift voorgelezen en daarop een inleiding gegeven had, trachtte Evert het gesprek, dat zich daaruit ontspon, te brengen op den kinderdoop. Hoewel de Neui daar niet heen wilde, dreef de blinde hem er met kracht naar toe. En toen dan eindelijk geen uitwijk meer overbleef, ging het met open vizier er op los, man tegen man, twee volle uren. 't Was een schitterend tournooi van twee geharnaste ridders, dat de getuigen tot tranen roerde en met den uitslag dat Evert Teves zich volkomen gewonnen gaf. Kuiper eindigde het samenzijn met een hartelijk gebed, waarin hij God dankte dat hij nu niet meer alleen stond in het stuk van den doop, maar een strijder aan zijn zijde had gekregen, die gold voor tien.

Sedert dien avond greep Evert elke gelegenheid aan om de Baptistische beginselen te verspreiden, zoodat Makkum er vol van was. Toen dan ook de Neui 7 Juli 1864 optrad in de zaal van het Schippershuis, die ongeveer twee honderd vijftig menschen kon bergen, was geen plaats onbezet. Hij sprak naar aanleiding van l Petrus 11: 25, “gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.” Daarna behandelde hij in een groot avondgezelschap de leer van den doop en het gemeente-[183]-wezen. Den volgenden dag bracht hij vele “waarheidsvrienden” een bezoek.

Blinde Evert ontplooide nu al zijn gaven om de zaak, die hij had omhelsd, ingang te doen vinden. Hij bezocht met de Neui vele gezelschappen en als hij daar zijn licht liet schijnen, “dan kon ik — schrijft de Neui — mij laven aan zijn diep, grondig inzicht in de wegen van God en Zijn Woord en het waren mij voorhoven van Jeruzalem.”

De 25sten November 1864 deed Evert belijdenis in de gemeentelijke vergadering te Franeker. En zooals hij het deed, had men 't nog nooit gehoord. Daarop ontving hij den doop in het bassin ten huize van Sj. Idzenga. Zijn gaven vonden erkenning door de aanstelling als evangelist, in welk ambt hij velen tot de gemeente heeft geleid, zoodat in 1867 Makkum reeds twintig leden telde. De eersten hunner werden nog gedoopt in de Zuiderzee, de anderen te Franeker in de “kapel.”

Langzamerhand kon Evert zich niet meer voegen in het Baptisme. Het Gereformeerd kerkelijk beginsel scheen, behalve op het stuk van den doop, te diep wortel in hem te hebben geschoten. Dit liep uit op dreigende conflicten, waarvan het einde was afsnijding van de gemeente (6 Februari 1870). Deze ging zonder hem door met het houden der onderlinge samenkomsten en om de zes weken werd zij verblijd met een bezoek van de Neui, die met haar den dood des Heeren verkondigde bij brood en beker.

Den 18den November 1877 kreeg de gemeente een eigen kapel, die in gebruik werd genomen met een inwijdingspredikatie over Ps. 73:28 van den voorganger der Franeker gemeente J. de Weerdt, en een avondmaalsviering, waarbij vele broeders en zusters uit Workum en Franeker mede aanzaten. De Weerdt kwam geregeld om de vier weken het Heilig Avondmaal bedienen en dit is zoo gebleven onder zijn opvolger A. Karssiens, totdat deze in 1900 naar Staveren vertrok. Toen werd de schoonzoon van Hero Moolman,[4][184] D.A. Koch te Stadskanaal voorganger, die nog maandelijks overkomt voor de breking des broods. In 1893 maakte de gemeente zich los van Franeker en verkreeg zij zelfstandigheid. Zij telt thans 45 leden.

Een tweede station van Franeker was Workum, ook een stichting van de Neui, die er 1 Augustus 1866 voor de eerste maal kwam op uitnoodiging van den “koedokter” Bouke Haagsma. Hij trad er op in de herberg van Jellema. De zaal was eivol, maar toen hij wilde beginnen, verbood de politie het hem uit naam van den burgemeester. Hij pleitte voor intrekking van het verbod, als strijdig met de wetten des lands. Toen dit geweigerd werd, eischte de Neui een schriftelijke verklaring daarvan, welke de burgemeester hem overhandigde met de woorden: “gij kunt volgens recht met negentien personen vergaderen en preeken.” De Neui antwoordde: “Die bepaling is in 1853 opgeheven, weshalve ik verklaar, dat hier rechtsverdraaiïng heeft plaats gehad of ik vergis mij, wanneer ik meen voor den burgemeester te staan.” Deze ging toen met de politie in een ander vertrek om de zaak nader te overwegen, maar het bescheid luidde: “het verbod blijft gehandhaafd.” “Maar” — hernam de Neui, “ik roep voor mijn samenkomst de bescherming der Wet in.” — “Die geef ik u niet”, was het antwoord. — “Dan”, zeide de Neui, “heb ik u nog een paar woorden te zeggen. Ik stel u voor God verantwoordelijk wegens uw vijandschap tegenover Zijn Evangelie. Ik zal u voor God aanklagen over de zielen, die wegens de verstoorde prediking van dezen avond in de hel loopen. Ik bind hen op uw hart, heer burgemeester! Voor Gods rechterstoel, waar de rechter Christus geen burgemeesters kennen zal, moet gij verantwoording geven en wee u, want het is schrikkelijk te vallen in handen des levenden Gods. Gij hebt uw hand tegen wet en recht verheven; gij zult niet bestaan en [185] over drie weken kom ik terug!” Na deze woorden groette de Neui den burgemeester en begaf zich naar de zaal, waar hij het publiek den toedracht der zaak verhaalde met verzoek naar huis te gaan, wat velen onder tranen deden. Den 22sten Augustus kwam hij terug en nu met vaste voornemens om de vergadering te houden, er mocht gebeuren wat er wilde. Doch niemand legde hem een stroowisch in den weg. Weer was de zaal eivol en zijn predikatie over Mattheus XXV:46 “Dezen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven”, sneed door de harten, zoodat vele tranen vloten. Daarna hield hij gezelschap bij B. Haagsma tot na middernacht en legde hij den grondslag tot een geregeld samenkomen van hen, dre het beginsel van den doop der geloovigen omhelsden.[5] Deze onderlinge vergaderingen hadden plaats in de woonkamer, gang en het voorhuis van Haagsma, die steeds te klein bleken voor het groot getal personen, dat samenvloeide. En de Afgescheiden predikant mocht er zich fel tegen kanten, het baatte hem niet. Eindelijk moest vanwege de beperkte ruimte naar een andere vergaderplaats worden uitgezien. Da wagenmaker Dirk Jans Driebergen stelde toen zijn werkplaats beschikbaar. Wanneer de Neui om de zes weken een dag in het midden der broederen was, gingen de Makkummers mede van het samenzijn genieten, gelijk de Workummers bij zulk een gelegenheid te Makkum kwamen. Toen Driebergen in 1876 naar Bolsward vertrok, verhuisde men naar de achterkamer van broeder H. de Vries, waar men ongeveer twintig jaar de onderlinge samenkomsten heeft gehouden. Den 7den Febr. 11897 maakte Workum zich los van Franeker om als zelfstandige gemeente op te treden.[6] Zij telde toen ongeveer dertig leden. Na nog verscheidene vergaderplaatsen gehad te hebben, kreeg [186] zij in 1895 in het lokaal “Bethel” een vaste plaats van samenkomst.[7]

Het derde predikstation, dat aan Franeker verbonden was, is Staveren. Toen in den zomer van 1869 de Neui hoorde dat aldaar eenige Heden tot bekeering waren gekomen, zond hij er een broeder heen, die eenige huisgezinnen bezocht, waar hij goddelijk leven vond. Daar de predikant der Ned. Hervormde gemeente veler godsdienstige behoeften niet bevredigde, voorzag een gezelschap van geestverwante vrienden, die ten huize van Jan Yges Visser[8] samenkwamen, in de bestaande leemte. De kommies Bonkes, die ook tot dien kring behoorde, stelde op zekeren avond voor om van elders evangelisten te ontbieden ten einde te komen tot openbare prediking, hetgeen bij allen instemming vond. Men verkreeg een geschikte localiteit en weldra lieten zich daar evangelisten, zooals Wagenaar, Zijlstra en anderen hooren. Het evangelisatiebestuur bestuur bestond uit de broeders F. Smits, J.A. Frankena, Y.J. Visser, G. Salverda, J.Y. Visser, D. van der Wal en P. ten Dam. In het naburige Warns was ook een dergelijke beweging op touw gezet onder leiding van A. Boersma, A. Bajema, A. Bruinsma e.a. Gezamenlijk beriep men in 1877 als eigen bezoldigd evangelist Klaas Bates Aukema, geboren te Wijkel in 1840 en eertijds landbouwer aldaar, doch later door Ds. J.H. Guldenarm te Oosthem voor het evangelisatiewerk opgeleid en toen woonachtig te IJlst. Deze aanvaardde den 12den Mei 1877 zijn werk en spreidde terstond een buitengewonen ijver ten toon, zoodat hij geregeld des Zondags driemaal predikte, allerlei vereenigingen oprichtte en leidde en een bloeiende afdeeling van de Nederlandsche Zendingsvereeniging[9] in het leven riep. Het oude Staveren aanschouw-[187]-de een ongekenden lentetijd van geestelijk leven en een lieflijke vrede vervulde de harten. Toen Aukema in 1878 een beroep ontving naar Akkerwoude kwam ten volle uit met welk een liefde de evangelisatiekring hem aanhing en hij besloot te blijven. Doch weldra brak voor hem een tijd van strijd en beproeving aan. De “lapkeman” Hendrik de Vries te Workum, dezelfde bij wien de Baptistenbroederschap aldaar placht te vergaderen, bezocht geregeld met het pak zijn klanten te Staveren en kwam zoo ook bij het bestuurslid der evangelisatie Jan Yges Visser. Op zekeren dag viel het gesprek op den doop. “Nu”, zei Visser, “daarover moet ge onzen evangelist maar eens zien te spreken.” Kort daarop deed zich daartoe de gelegenheid voor en zij kwamen overeen dit stuk grondig en van alle zijden te bezien en onder beding, dat bij het verkregen resultaat elk der partijen zou zwichten voor de leer des Bijbels. Maanden verstreken. Telkens kwam de Vries terug en zetten zij het gesprek voort vanaf het punt, dat de laatste maal was afgehandeld. Alles wat er bij ter sprake kon komen, werd in het geweer gebracht. Na ongeveer twee jaar gaf Aukema zich gewonnen. De strijd dien hij daarbij doormaakte was zwaar, zoodat bloedspuwingen zijn leven in gevaar brachten en hij er onder scheen te zullen bezwijken. Dit alles bleef natuurlijk geen geheim. Zoodra hij in staat was te prediken, werd de neerslag van zijn zielestrijd in de prediking door allen gevoeld. Eindelijk begaf hij zich, het hart vol gebeden, te voet naar Franeker, waar hij 23 Januari 1881 door J. de Weerdt werd gedoopt. Teruggekeerd stelde hij het evangeliesatiebestuur met het groote feit zijns levens in kennis en gaf den broederen volkomen vrijheid hem te ontslaan. Hij verliet daarop de vergadering. Maar onmiddellijk teruggeroepen, werd hij verwittigd dat men met algemeene stemmen begeerde hem als voorganger te behouden. Hij verbond zich nu opnieuw aan zijn volk, doch weldra gevoelde hij het onzuivere van zijn positie. Het nieuwe beginsel toch, dat hij had omhelsd, bracht vorming mede van een zuivere ge-[188]-meente, enkel van “gedoopten.” Dit klemde te steviger, toen meerderen zich lieten doopen, allereerst zijn eigen vrouw Meike Oppedijk en verder Marij Bruinsma (wed. P. Venema), Boukje Boersma (echtgenoote van J. Frankena), Aaltje Muizelaar, Trijntje Lam (weduwe van H. Visser), Siebe Bandstra en zijn echtgenoote Boukje Wouters en Joltje Schaper (echtgenoote van S. Boersma.) Toen dit negental afzonderlijk het Heilig Avondmaal wilde vieren in het lokaal, kon het bestuur dat niet toestaan, want zeiden zij: “dan moeten wij er uit.” Zoo sukkelde het nog eenige jaren voort, totdat Aukema in 1884 met de Evangelisatie brak. Hij werd toen door de Neui, die juist uit Amerika was overgekomen om al de posten van zijn arbeid nog eens te bezoeken, en door H. Willms[10] [189] van Ihrhove als voorganger van het station Staveren bevestigd.

Den 12den Maart 1886 kocht de Staverensche broederschap de herberg “de Witte Arend”, benoorden het stadhuis, voor duizend gulden. Toen dit gebouw voor godsdienstoefeningen was ingericht en op Goeden Vrijdag in gebruik genomen, stond ter zelfder tijd het Evangelisatiegebouw ledig. Velen deden toen den beslissenden stap. De oude bestuursleden der Evangelisatie namen plaats in de nieuwe Baptistenkerk. Aukema doopte reeds dien eersten Goeden Vrijdagmiddag twee jongelieden na een predikatie over Handel. VIII:28 “zij daalden beiden af in het water.” Te Warns werd het Evangelisatielokaal “gemeentekapel” en de broederschap aldaar met Staveren verbonden, onder het voorgangerschap van Aukema. Deze vervulde wekelijks ook voor de Workummer gemeente een predikbeurt. Na een vruchtbaren arbeid van nog ruim zeven jaar, verwisselde hij 26 Augustus 1891 zijn werkkring met Vrieschelo, waar hij opvolger werd van A. Karssiens. Hoewel hij in zijn nieuwe gemeente weldra aller achting en liefde genoot, bleef Staveren, dat hij veertien jaar bearbeid had, hem onvergetelijk. In 1893 werd hij [190] ongesteld, de krachten namen zichtbaar af en toen het hem duidelijk was, dat hij sterven moest, stelde hij orde op de zaken van zijn huisgezin zoowel als van zijn gemeente. Hij predikte 17 April 1892 nog over Joh. V111:6b “Jezus nederbukkende schreef met den vinger in de aarde.” Toen den 15den Mei ouderling Moolman van Stadskanaal den dienst geleid had, kwamen de gemeenteleden afscheid van hun voorganger nemen, 's Avonds half negen toen diaken Katuin hem nog de hand drukte, sprak de stervende: “de Heere zegene u en schenke u Zijne vertroostingen op uw moeitevollen weg Amen.” Iets later zei hij: “Het einde aller dingen is nabij.”; Toen blies hij den laatsten adem uit. Ouderling Moolman leidde den begrafenisdienst, een paar Duitsche voorgangers en de Hervormde predikant spraken ernstige woorden. Aan de groeve werd gezongen “Eens zullen wij met Jezus leven” (Gezang 189:2).[11]

Vrieschelo was een buitenlandsche zendigspost van Ihren en stond mitsdien eveneens onder Duitsche belijdenis. Haar ontstaan heeft zich op de volgende wijze toegedragen. In het jaar 1879 kwamen twee zusters der gemeente van gedoopte Christenen te Ihren haar familie te Vrieschelo bezoeken. Daar het juist Nieuwjaar Was, zagen zij al de ellende van den sterken drank en zij weigerden tot verbazing van velen mee te drinken. Het ontging haar evenmin, dat onzedelijkheid en onkunde er een groote rol speelden, en met een bewogen hart keerden zij naar Oost-Friesland terug. Zij deelden haar ervaringen mede aan de gemeente, die toen juist een harer leden, Freerk Bakker, geb. 2 Dec. 1841, stuurman ter koopvaardij te Nieuwe Pekela, in haar midden had. Van oorsprong Afgescheiden, was hij in 1875 tot de overtuiging gekomen, dat de doop der geloovigen alleen Schriftmatig was. Het volgend jaar deed hij dan ook den beslissenden stap door den doop te ondergaan. Daar hij [191] nog al streng stond in de leer der praedestinatie, had hij zich niet aangesloten bij de Baptüstengemeente te Nieuwe Pekela, maar bij die te Ihren. Op aandrang van het zusterpaar om Vrieschelo te bezoeken en de menschen met het Evangelie bekend te maken, ondernam Bakker het Evangelisatiewerk. Vurig en energiek van geest als hij was, trotseerde hij allen smaad. Het gelukte hem een kamer te vinden, waar hij des Zondags voor hoogstens twintig personen predikte. En nog dienzelfden winter had hij het voorrecht drie van zijn gehoor te Ihren gedoopt te zien.

Toen nu te Vrieschelo eenige gedoopten waren, zagen zij Bakker ongaarne weer naar zee gaan. Een deputatie der broederen begaf zich deswege naar Ihren met het verzoek hem als voorganger te mogen behouden en daarvoor financieelen steun te erlangen. Dit vond bij de gemeente gehoor en zoo werd Vrieschelo een harer buitenlandsche zendingsposten, welks voorganger zij salarieerde. Bakker bleef nu aan den wal, huurde zich te Vrieschelo een huis en timmerde in de schuur een deel af voor prediking. En hoewel men daar winters zat te bibberen van de koude op wat oude planken, met de voeten in het zand, mocht hij zich steeds in een goede opkomst verheugen.

Zijn vroegere kapitein, Albert Karssiens, geboren 24 Augustus 1844 te Veendam, stond hem getrouw ter zijde. Als hij 's winters met het schip oplei, schrikte de lange weg van drie, vier uur hem niet af, om im Vrieschelo tractaten te gaan verspreiden en de lieden op hun eeuwig heil te wijzen. Hij was oorspronkelijk van Hervormden huize en te Veendam vrijzinnig opgevoed. Een ontmoeting met Hendrik Kruit van den Boerveenschen mond, diie door zijn hartelijken, vrijen geest indruk op hem maakte, leidde tot nadere kennismaking. Eens vroeg Kruit hem met een veelbeteekenenden blik: “hebt gij wel eens over den doop nagedacht?” Deze vraag bracht hem aan boord tot nieuw Schriftonderzoek en toen hij weer aan wal kwam, was hij overtuigd van den doop der geloovigen. Daar noch de Hervormde noch de [192] Afgescheiden kerk hem bood, wat hij zocht, liet hij zich door Hendrik Kruit te Stadskanaal doopen, (Paschen 1876), en sloot hij zich bij die gemeente aan, waar hij zich ook metterwoon vestigde.

De arbeid te Vrieschelo bleef niet vruchteloos. Telkens meer wenschten in de gemeente te worden opgenomen, doch dit kon slechts geschieden door den doop te Ihren. Men zag dan ook met verlangen naar een eigen lokaal met doopvont uit. En ook daarvoor werd de weg gebaand. Bakker kreeg gelegenheid een huis te koopen, waarin de lang gekoesterde wensch zijn vervulling kreeg. Daar predikte hij, daar hield hij Zondagsschool met behulp van zuster J. Olieslager te Nieuwe Pekela, daar werden ook de gemeentevergaderingen gehouden. Des Zondagsavonds ging Bakker naar Bellingwolde en ook daar won hij harten voor het Evangelie. In het geheel sprak hij 's winters zesmaal per week op verschillende plaatsen in en rondom Vrieschelo. Dit duurde tot 1885, toen hij zich schaarde onder de Zevenden-dags-Baptisten, waartoe G. Velthuijsen te Haarlem den stoot gaf. Deze had namelijk, om zijn beginselen meerderen ingang te doen vinden, te Weener in een zaal gesproken en zich daarop naar Vrieschelo begeven om kennis met Bakker, te maken. En de beide vurige mannen verstonden elkander Bakker zei de Zondagsviering vaarwel en bracht daarmede een scheur in de gemeente, die hem slechts voor een klein gedeelte volgde.[12] Velen die hem innig liefhadden zagen hem weenend den weg van het Sabbathisme betreden en een arbeid verstoren, die in deze geestelijk-woeste streken, rijke vrucht afwierp.

Daar stond nu plotseling de gemeente zonder leeraar en buiten het lokaal, dat aan Bakker behoorde. Doch de moedergemeente zat niet stil. Ouderling H. Willms, die van al haren arbeid de ziel was, wist door bemiddeling van J. de Weerdt het daarheen te leiden, dat een jongeling uit de [193] Franeker gemeente het afgebroken werk van Bakker voortzette.[13] Het was Pieter Betzou, een wagenmaker, reeds als kind tot God bekeerd en later ijverig werkzaam in vereeniging en Zondagschool. Deze werd nu door Ihren als missionnair-prediker uitgezonden. Hij predikte in de schuur van ouderling H. Katuin en te Bellingwolde bij de weduwe Zwarts. De doopcandidaten moesten nu weer naar Ihren. Na twee jaar gearbeid te hebben, vertrok hij naar de school te Hamburg om zich verder voor het predikambt te bekwamen.[14] Zijn plaats werd toen ingenomen door A. Karssiens (1887—1891). In Januari 1890 kreeg de gemeente haar vorig lokaal, het eigendom van Bakker, door aankoop weder in haar bezit. Haar voorgangers waren achtereenvolgens K.B. Aukema (26 Aug. 1891—15 Mei 1892), K. Kuipers[15] (1892—1896) en H. Visser (1896—1907). Met goedkeuring van Ihren is Vriescheloo een zelfstandige gemeente geworden, die zich daarna bij de Unie heeft aangesloten. Haar ledental bedraagt met inbegrip van Bellingwolde omstreeks 65.


[1] Hij werd later evangelist op de Bergumerheide en overleed 13 Oct. 1907. Hij verhaalde zijn ontmoeting met de Neui in “De Boodschapper”, red. G. Velthuijsen, no. 47, 1877 en zijn levensgeschiedenis in “Wonderlijke leidinge Gods”, Sneek, z.j. met aanbeveling van J. Horn.

[2] Men zie meer over hem in mijn “It Fryske Réveil yn portretten”, Sneek 1911, bl. 208-211.

[3] Hij werd 4 Maart 1818 te Franeker geboren en overleed te Makkum in 1897. Zijn levensbeschrijving vindt men in mijn “It Fryske Réveil yn portretten”. Sneek 1911, bl. 190—218. De Neui schreef in de “Hamburger Missionsblatter”: “Dieser theure Mann war fast der Angebetete dieser Gegend.” Verschillende gegevens aangaande hem zijn ontleend aan de Neui's dagboek, dat de heer H.P. de Neui te' Tyndal S. Dak. mij welwillend in copie toezond.

[4] Moolman en zijn gemeente te Stadskanaal, die ook de Duitsche belijdenis als grondslag heeft, worden om de goede orde in hoofdstuk XI besproken.

 

[5] De eerste gedoopten van Workum waren B. Haagsma en zijn dochter, de vrouw van Inne Vlas en Pieter J. Riemersma. Langzamerhand groeide het aantal tot tien.

[6] “De Christen” van 18 Febr. 1897.

[7] Sedert korten tijd heeft Workum zich ook bij de Unie aangesloten.

[8] De vader van H. Visser, voorganger der Baptistengemeente te Sneek.

[9] Opgericht in 1858.

[10] Deze merkwaardige man, die telkens in de geschiedenis van de zendingsposten onder Duitsche belijdenis optreedt, moet ook in dit geschrift met een enkel woord worden herdacht. Hij werd 31 Oct. 1822 geboren en overleed 2 Aug. 1893 in het ziekenhuis te Weener. Hij was boer te Ihrhove, maar tevens meer dan 30 jaar prediker en ouderling in de gemeente Ihren. Behalve een kinderlijk vroom gemoed, waarvan ootmoed het schoonste sieraad was, had hij een zeldzaam scherpzinnig verstand, waardoor hij reeds als knaap uitmuntte. Op rijperen leeftijd kwam hij tot bekeering. Door. het lezen van Luthers inleiding op den brief aan de Romeinen ging het licht voor zijn ziel op. Als Gideon werd hij op de dorschvloer geroepen. .Eens, toen hij in de dagen van zielestrijd en bekommering aan 't dorsenen was, wierp hij den vlegel neer en riep vol blijdschap: “Nu weet ik, dat Jezus ook mijn Verlosser is.” Niet lang daarna werd hij gedoopt. De gemeente was toen nog maar voor weinige jaren in bloed en tranen gesticht. Weldra werd het openbaar welk een uitnemend werktuig God zich voor Zijn dienst en werk in Willms had toebereid. Tot voorganger en ouderling verkozen begon de gemeente onder zijn dienst te bloeien en zich naar alle kanten uit te breiden. Aan het einde van 1842 had ze 428 leden, verdeeld over 9 stations met 5 kapellen, 4 reizende predikers en 3 helpers. Van heel dien arbeid was Willms de ziel. In zijn gezonde dagen predikte hij behalve te Ihren, ook op de verschillende stations en men zag en .hoorde hem gaarne; die grondige Schriftkennis, dat Schrift met Schriftverklaren, dat opdelven van het fijne goud der waarheid uit de goudmijn des Woords was eenig bij Willms. Zijn preeken waren in den rechten zin des woords leer- redenen. Zij getuigden van rijp nadenken, van een door den Geest Gods verlicht verstand en zij gaven den toehoorder voedsel voor verstand en hart. Oncken zei van hem: “Willms is een geboren theoloog.” Op den Hervormingsdag, 31 October, geboren, was de kern zijner prediking: “de verzoening der zonde in Jezus' bloed en de rechtvaardiging des zondaars door het geloof alleen.” Het was hem gegeven deze hartader der heilsopenbaring met zeldzame klaarheid voor te stellen. Hoe ernstig wist hij de zorgeloozen te waarschuwen, de bekommerden te troosten en te bestieren en de geloovigen teerkost te bieden op den weg. Zijn strijdschriften over den doop tegen de Geref. predikanten Pieters en Kreulen en zijn wederlegging op “Daar is geschreven” van H. Potgeter, Geref. predikant te Ihrhove, die in “De Grensbode” van 15 Juni 1886 een aanval op de Baptisten deed, deden hem kennen als een geharnast kampioen. Zie over hem “De Christen” van 10 Aug. 1893 en Theodor Duprée, “Harm Willms, Ein Theologe im Bauernrock, ein Lebensbild aus der Gegenwart”, Hamburg, 1896. 

[11] Deze mededeelingen zijn van den zoon des overledenen Bate Klaas Aukema, zetboer onder Tjerkwerd.

[12] Een zevental ging met hem mede.

[13] Bakker vertrok naar Rotterdam, waar hij voorganger werd eener kleine gemeente van Zevendendags-Baptisten. Daar hij uitnemend talen kende, evangeliseerde hij veel op schepen. Hij is thans voorganger van een Sabbathistengemeente in Denemarken.

[14] P. Betzou is thans Baptistenvoorganger te Wilhelmshafen in Oost-Friesland.

[15] Keimpe Kuipers was begin September 1891 naar Hamburg vertrokken om zich aldaar aan de Baptistenpredikenschool te bekwamen vuur den dienst des Evangelies.

 

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman