Hoofdstuk 7

Uniepogingen

[161] Bij zijn bezoek op schaatsen in den winter van 1862 aan Stadskanaal,[1] had de Neui van J. Witmond allerlei bijzonderheden aangaande den Amsterdamschen broederkring vernomen en tevens het adres van broeder Tekelenburg — ontvangen. Hij knoopte met dezen een briefwisseling aan, met het doel om de gemeenten van Franeker en Amsterdam dichter tot elkander te brengen.[2] Zij bleken geheel eenstemmig te zijn in hun oordeel over de Liefde en diens volgelingen. Tekelenburg verklaarde geen vertrouwen te hebben in deze “scholiers of seminaristen.” De Neui antwoordde: “Wat is ook van de navolgers te wachten van den voorganger, die zich niet schaamt openlijk weder te keeren tot de fabelen, die hij ontvloden is.”[3] Ten aanzien van Witmond was zijn hart met vrees vervuld, doch de gemeente te Stadskanaal zou te gezond wakker zijn dan dat ze zich liet meesleepen op den weg van het open Avondmaal. Holleman te Leeuwarden vond hij geveinsd, omdat hij aldaar zijn doop[4] voor de gemeente verborgen hield en het gesloten Avondmaal verwierp. Ook gingen zij accoord in een sterke anti-clericale gezindheid. “Uw gevoelens”, — schreef de Neui — “over de personen, die nen dominee noemt, zijn volkomen met mij overeenstemmend; ik heb voor niets meer vrees dan dominee te worden in den zin, [162] zooals men het tegenwoordig verstaat. De naam maakt niet veel uit, maar dat priesterwezen onzer dagen, ook bij de z.g.n. Afgescheidenen is een gruwel in de oogen des Heeren. Als wij recht staan voor onzen Meester, dan komt het er niet stipt op aan wie Gods werk doet, maar dat het gedaan worde. Al dat aanzjen van personen, dominee's enz. is kerkelijk, Babelsch.” Hij geloofde dat die van Franeker en Amsterdam in elkander broeders zouden vinden en ten volle met elkander vereenigd zouden zijn. Ten slotte deelde hij allerlei mede aangaande den Duitschen Bond met zijn 76 gemeenten en 12581 lidmaten en eindigde met den wensen dat een ontmoeting welhaast mocht plaats hebben.

Tekelenburg haastte zich de Neui en enkele broeders uit te noodigen en deze gaven aan die uitnoodiging gehoor, met het doel om te zien in hoeverre zij overeenstemden en “één volk”[5] uitmaakten. Zij reisden 23 Nov. 1864 naar Amsterdam,[6] waar zij des avonds den gansenen broederkring ten getale van vijf en twintig ten huize van broeder Tekelenburg aantroffen. Uitvoerig werd de mogelijkheid besproken om één volk uit te maken, doch op één oogenblik scheen alles af te stuiten op het verschil in zienswijzje inzake den eed.[7] De Duitsche belijdenis luidde in art. XV: “wij houden het er voor, dat het misbruik van den eed den Christen verboden is; dat de eed, nl. de eerbiedige, plechtige aanroeping onzes Gods tot getuigenis der waarheid op wettige wijze geëischt en gedaan, niets anders is dan een gebed in buitengewonen vorm.” De Neui kon echter noch de bezwaren, die daartegen werden ingebracht weerleggen, noch “om des gewetens wil” het zweren van een eed verdedigen. En daardoor werd de toenadering een heel eind verder gebracht. Toen hij den volgenden avond predikte over Lucas XII:32 “Vreest niet, klein kuddeke, want het [163] is uws Vaders welbehagen ulieden het koninkrijk te geven”, en weder het punt van vereeniging ter sprake kwam, wees Amsterdam deze niet geheel af, maar een definitief besluit werd niet genomen. Men wilde daarmede liever wachten tot de vertaling der Duitsche belijdenis, die de Neui in bewerking had, in druk zou zijn verschenen.[8] Echter het eene jaar na het andere verliep en inplaats dat een unie werd gesloten, ging er een scheur door de Amsterdamsche gemeente, die haar voor altijd met gedeeldheid bedreigde. De Neui achtte zich nu verplicht tot een poging om de partijen weer tot elkander te brengen. Hij onderzocht 22 October 1866 met een paar Franeker broeders de wonde plek en belegde toen een vergadering van de beide groepen. — Hij stelde daarin de vraag of de broeders en zusters, voordat de scheiding had plaats gehad, het er algemeen voor hadden gehouden, dat zij tezamen één gemeente van Jezus Christus uitmaakten. Na een lang, pijnlijk zwijgen zeide eindelijk broeder Tekelenburg: “ik geloof niet dat één broeder of zuster er aan getwijfeld heeft.” Broeder Harms evenwel verklaarde: “ik heb er aan getwijfeld.” Daarna stelde de Neui in het licht, dat de oorzaak der scheuring vooral hierin was gelegen, dat men de onderling vastgestelde orde had verbroken door samenkomsten te houden en besluiten te nemen op eigen gezag, buiten de wettige gemeentevergadering om. Zuster van Essen vroeg of men voornemens was met de openbare prediking en doop zoo mogelijk te beginnen, alsdan zou zij herstel van eenheid wenschen. De Neui antwoordde, dat zij geen voorwaarde kon of mocht, stellen. Na een samenspreking van vier uren mocht het hem eindelijk gelukken een volkomen verzoening tot stand te brengen.

Een maand daarna teekenden allen een overeenkomst, waarbij de gemeentelijke huishouding werd geregeld en waarvan artikel I en VI aldus luidden:

[164] Artikel I. “Tot leden dezer gemeente worden aangenomen allen, die een geloofwaardige belijdenis afgelegd hebben, dat zij den Heere Jezus door een oprechte overgave des harten, ten eigendom zijn geworden, die als zoodanig gedoopt zijn en die zich verbinden met ons naar denzelfden regel te wandelen.”

Artikel VI. “Elk bedenke en onderzoeke of er ook bijzondere redenen bestaan om ziel] voor God te verootmoedigen, opdat de eenheid der broederen door niets verhinderd worde. Ieder vrage zich dus af voor den Heer of er in zijn hart iets aanwezig is dat aanleiding tot verstoring van die eenheid zou kunnen geven. Zoo ja, dan ontlaste men zich openhartig hiervan, waarna men zich gemeenschappelijk verootmoedige voor God, Handhaving der tucht in de gemeente volgens Mattheus XVIII behoort tot de eerste zorgen der maandelijksche huishoudelijke vergadering, wier hoofddoel steeds moet zijn de opbouw der gemeente en de regeling van den gemeenschappelijken arbeid. In de vergadering worden geen besluiten genomen dan na een maand beraad, tenzij een buitengewone vergadering daartoe vroeger belegd is.”

In den zomer van 1867 werd de band tusschen de beide zustergemeenten nauwer vastgehaald door het verzoek van Amsterdam om van het Franeker doopbassin gebruik te mogen maken. Zoodra dit was toegestaan kwamen er twee doopelingen, vergezeld van broeder Tekelenburg en J.G. Kreijenbroek om het waterbad te ontvangen. Op verzoek van de Amsterdamsche gemeente trad als dooper op de Neui, die ook het Avondmaal bediende, terwijl Tekelenburg na den doop een toespraak hield.

Het volgend jaar deden de Vrije Evangelische gemeenten een stap tot toenadering door de Baptistengemeenten uit te noodigen hare conferentie te Leeuwarden in Augustus 1868 bij te wonen. Deze namen de uitnoodiging aan. De Neui en Kuiper te Makkum gingen o. a. ter vergadering, alwaar zij met blijdschap bemerkten, dat bij alle verscheidenheid [165] “de doopwaarheid zoowel in belijdenis als in praktijk bij eenige der Vrije Evangelische gemeenten tot in merg en been was doorgedrongen.” Zij hadden echter geen vrijmoedigheid aan het Avondmaal, waarmede de samenkomst besloten werd, deel te nemen.[9]

Amsterdam, Franeker en Stadskanaal kwamen door herhaalde bezoeken der broeders steeds dichter tot elkander. Als een dag van buitengewonen zegen vermeldt de Neui in zijn dagboek den 18den October 1868, toen hij het Avondmaal mocht bedienen, waarbij ook verscheidene gasten uit de beide zustergemeenten aanzaten. Hij achtte dan ook de tijd rijp voor het houden van een conferentie, om tot de vurig begeerde unie te geraken, nl. aansluiting bij den Duitschen bond. Hij stelde daartoe voor de Oostfriesche gemeenten Ihren en Hamswehrum er bij te vragen. Amsterdam had het oog op Breda,[10] doch niet volkomen gerust, want de — wonderlijkste geruchten uit Wellington in Kaapland deden de ronde. De Neui schreef daarop ronduit: “Wat de Bredasche gedoopten belangt, kan ik niet meer zeggen dan dat ik ten eenenmale bang van hen ben. Door de mij van hen toegezonden boekjes en geschriften ben ik volkomen overtuigd, dat die menschen in een allerbeklagenswaardigsten toestand gekomen zijn en de ingevingen van hun booze [166] harten niet meer onderscheiden kunnen, maar voor ingevingen van Gods Geest houden, onbekommerd of er een geopenbaard Woord Gods is, dat hen tegenspreekt.”[11] Breda werd dan ook niet uitgenoodigd, wel de Oostfriezen. Deze verzochten nu aan Amsterdam en Stadskanaal om voor de conferentie de Duitsche belijdenis na te gaan en te zeggen, waarin zij van hen afweken. Het was toch de innigste wensch huns harten, dat allen voor de wereld een bepaalde eenheid van belijdenis mochten hebben.[12] Stadskanaal achtte dit onraadzaam, maar wenschte wel een paar afgevaardigden te zenden om broederlijk te bespreken wat men kon doen om samen te werken en met raad en daad elkander bij te staan, zonder dat er bepaaldelijk eenheid van belijdenis geeischt werd, behalve die van het lidmaatschap in Christus.” Kloekers lichtte dit op een uitvoerige en welsprekende wijze toe, betoogende dat belijdenisschriften de grootste struikelblokken waren om tot waarachtige eenheid te komen.[13] Amsterdam vond den cirkel, door hem getrokken, te onbestemd[14] en besloot de Duitsche belijdenis wel te bespreken, doch alleen de punten van overeenkomst, niet die van verschil bloot te leggen, doch ook zonder zich eenigszins daaraan te binden. Het programma der conferentie kwam gereed en luidde:[15]

  1. De gemeente Franeker neemt op zich om de conferentie te ontvangen, van iedere gemeente twee afgevaardigden en zal hen Dinsdag den 25sten Mei kosteloos logeeren.

  2. Ledematen van de gemeenten hebben vrijheid de conferentie bij te wonen, maar buiten de afgevaardigden heeft niemand stemrecht.

  3. De opening der conferentie geschiedt, waar zij nu of in de toekomst ook gehouden mag worden, door een der afgevaardigden van die plaats.

  4. [167] Het doel der conferentie is in zijn geheele omvatting: a. In wezen uit te oefenen, wat in Joh. 17:21 geschreven staat. b. Onderlinge opbouwing en sterking en c. om werkzaam de Evangelieverkondiging in het afgetrokken en in het openbaar tot redding van verlorene zondaren te bevorderen. Dientengevolge zullen wij verder in onze conferentie moeten verhandelen:

  5. Of wij het eens zijn over den val des menschen en de gevolgen daarvan.

  6. Over zijn redding uit vrije genade door het offer Christi, zonder eigen of menschelijke hulp.

  7. Over het eerste beginsel dier redding (Gods eeuwige liefde) en haar einde (volharding).

  8. Over den doop en de voorwerpen die gedoopt worden.

  9. Over het Avondmaal om alleen gedoopten toe te laten.

  10. Over vorming van gemeenten in den algemeenen regel.

  11. Over het bestaan van zulke gemeenten en de handhaving der tucht.

  12. Over de bediening in de gemeenten op grond der vrije keus door de gemeenten gedaan.

  13. Over den Zondag om die te heiligen van aardsche werkzaamheden tot den dienst des Heeren boven andere dagen.

  14. Over sterke dranken.

  15. Voorstel uit Amsterdam om maandelijks iets in 't licht te geven als stem uit de gemeenten van gedoopte Christenen in Nederland.

  16. Voorstel van de gemeenten Hamswehrum en Ihren of wij ons allen met de geloofsbelijdenis van den Bond der gemeenten van gedoopte Christenen in Duitschland enz. kunnen vereenigen om als leden van den Bond erkend te worden.”

De conferentie die plaats vond in de “Franeker kapel”, werd aan den avond van 25 Mei 1869 voorafgegaan door een godsdienstoefening, waarin broeder Willms te Ihren “in gezalfde woorden” sprak over den levenden hoeksteen, naar [168] aanleiding van I Petrus 11:4—7.[16] Den volgenden morgen opende de Neui de vergadering. Toen men toekwam aan punt 5 der agenda, deed Kloekers het voorstel om eerst punt 16 te behandelen, “omdat daarin ongeveer al het andere begrepen was”, en verklaarde hij ronduit, dat hij en zijn gemeente zich nooit aan de Duitsche belijdenis zouden kunnen binden. Veel gedisputeer werd daardoor voorkomen. Inplaats van een unie met den Duitschen Bond werd nu gesloten een soort alliantie, waarbij de volkomen onafhankelijkheid van elke gemeente bleef gehandhaafd.

Een tastbare vrucht der conferentie was verder de uitgave van het maandblad “Titus, een stem uit de gemeenten van gedoopte Christenen in Nederland, gewoonlijk Baptisten genaamd, onder redactie van H.G. Tekelenburg, uitgegeven bij C. J. van Soest, Prinsengracht bij de Vijzelstraat, waarvan het eerste nummer I October 1869 verscheen.[17] De noodzakelijkheid van een eigen orgaan werd te meer gevoeld, naarmate de Baptisten gedurig verward werden met Mormonen, Darbisten of met den aanhang van Groenewoud. Zoo stond in Maart 1869 in de “Nieuwe Rotterdammer Courant” een bericht uit Drachten, dat aldaar des avonds na tienen een hoogst zwangere vrouw in een vaart gedoopt was door de secte der Baptisten, Onderdompelaars, die o.a. hun leden verplichtten tot het opbrengen van de tienden hunner inkomsten. Een populair blad in die dagen, genaamd “de Volksbode”, wilde hier meer van weten en noodigde de Baptisten uit over de zaak meer licht te verspreiden. [169] De Neui scherpte nu zijn pen en schreef:[18] “De berichtgever der “Nieuwe Rotterdammer Courant” schijnt zoo verregaand onnoozel, dat hij niet eens het hemelsbreed onderscheid tusschen de Mormonen en de Baptisten kent. Misschien zal hij weldra den Sultan nog voor Rome's paus gaan houden.” Verder verhaalde hij een en ander van de Baptisten in het algemeen en van de Franeker gemeente in het bijzonder.

Dit stuk werd gelezen door Gerhard Velthuijsen, broodbakker op de Groenmarkt of Groote Krocht te Haarlem en het baande hem den weg tot een nieuw levensterrein.[19] Van jongsaf was hij een ijverig onderzoeker der Heilige Schrift en stelde hij levendig belang in alles wat voorviel op godsdienstig en kerkelijk gebied. De Hervormde kerk gaf hem geen bevrediging, zoodat hij onder het gehoor opging van Ds. Hentschel, voorganger der Hernhutter Broedergemeente. Om de vaan des Evangelies in de stad zijner inwoning breeder te ontplooien richtte hij met eenige vrienden, ten zijnen huize, de vereeniging op “tot verbreiding der Waarheid”, waarvan hij voorzitter werd. Als zoodanig kwam hij meermalen in aanraking met Da Costa en de Liefde die als sprekers voor de vereeniging optraden. Zelf ging hij ook in deze vergaderingen voor en wist door zijn eenvoudige, krachtige prediking, voor een kind verstaanbaar en toch van veel diepte van geestelijke ervaring en studie getuigende, naar het hart van velen te spreken. Zijn oordeel over de vorming en het wezen eener Schriftuurlijke gemeente, over den kinderdoop en de vraag wie tot het Avondmaal mochten toegelaten worden, druischte lijnrecht in tegen dat van het meerendeel zijner medebestuurders. Hij wenschte wel dat er te Haarlem een Vrije Evangelische gemeente [170] gesticht werd, want ook in de Broedergemeente vond hij niet, wat hij zocht, maar het plan daartoe viel in duigen. Nu vereenigde hij ten zijnen huize een kring van gelijkgezinde broeders, een zeer gemengd gezelschap, deels uit de Luthersche, Doopsgezinde en Hervormde kerk saamgelezen, doch feitelijk allen voorstanders van het Baptistisch beginsel inzake gemeentevorming, zonder evenwel het Baptisme te kennen.

Daar las nu Velthuijsen het opstel van de Neui. Meteen was ook zijn besluit genomen, hij reisde naar Franeker. Na eerst verzeild te zijn onder het gehoor van Ds. Pieters,[20] predikant bij de Afgescheiden gemeente, met wien hij na afloop der predikatie het stuk van den doop besprak, kwam hij bij de Neui, van wiens persoon en woord hij onuitwischbare indrukken mede terugnam naar de Haarlemsche broeders, die ook op hun beurt naar Franeker togen. Kort daarop, den 5den September 1869 werd Velthuijsen met zijn vrienden P. H. de Nobel en Bekker, en vier weken later ook hunne echtgenooten aldaar gedoopt. Een week daarna kwam de Neui over en werden door hem nog zes broeders en zusters gedoopt, in den tuin van Velthuijsen, waar de Nobel, die blikslager was, een zinken doopvont in een loodsje achter de bakkerij, gemaakt had.[21] Na den doop — de gemeente telde nu twaalf leden — werd aan Velthuijsen de leiding der godsdienstoefeningen en aan de broeders de Nobel en Bekker het toezicht op de stoffelijke aangelegenheden der gemeente opgedragen. Des avonds te acht uur predikte de Neui in de groote zaal der “Vereeniging tot verbreiding der Waarheid” voor eenige honderden menschen.[22] Doch toen was de teerling geworpen. Het bestuur noodzaakte Velthuijsen zijn ontslag als medebestuurslid te nemen en verder af te zien van allen arbeid die van de ver-[171]-eeniging uitging, terwijl de vrienden een wenk kregen om zich aan iemand die “sectarisch” optrad te onttrekken. Dit smartte hem diep en bracht hem met andere teleurstellingen zulk een schok toe, dat hij in een somberen gemoedstoestand van menschenvrees verviel, waaruit hij eerst langzamerhand doch volkomen werd verlost.[23] De gemeente breidde zich echter uit en werd nu de bruid, naar wier hand meer dan één dong. Franeker liet haar rechten gelden, maar ook Amsterdam en Stadskanaal verklaarden zich en met te sterker

aandrang, daar de Franeker alliantie niet bestaanbaar bleek te zijn. De Neui was te ver gegaan. Het bestuur van den Duitschen Bond had uitgemaakt, dat geen enkele gemeente het recht had voor zich met andere gemeenten een verbintenis aan te gaan, wanneer niet de geheele Bond met zulke gemeenten kon verbonden worden. Franeker kon derhalve voortaan niet komen dan met den eisch van onvoorwaardelijke opname in den Bond en onderschrijving van zijn belijdenis.[24] Het was vooral Kloekers wien dit tegen de borst stuitte. Van meet af stond het hem tegen, dat bij de conferentie te Franeker de eenheid van belijdenis op den voorgrond werd geschoven en dat er een overwegend aantal Duitsche leeraars tegenwoordig waren. Toen had hij echter gezwegen. Met blijdschap en een verruimd hart vernam hij nu het verbreken van de alliantie, schuw als hij was voor het Calvinisme der Duitsche gemeenten en haar verkiezingsleer.[25]

[172] Volgens zijn inzicht leidde het principe van den Bond tot gedwongen eenvormigheid en bekrompenheid, en stond dat der Engelsche en Amerikaansche independente Baptisten, die zich meer in de lijn der algemeene verzoening bewogen, oneindig hooger en ruimer. Ook achtte hij het Bondsbestuur een gevaarlijke macht, die het onafhankelijk bestaan der gemeenten bedreigde.[26] Hij stuurde dan ook aan op een nieuwe alliantie tusschen Haarlem, Amsterdam en Stadskanaal als [173] vrije, onafhankelijke gemeenten, “door liefde aan elkander verbonden, eerlijk en trouw elkander bijstaande met raad en daad, zonder heerschzucht of ketterzucht”.[27] Dit plan werd echter niet verwezenlijkt. Wel hield hij Amsterdam van den Duitschen Bond terug,[28] doch Haarlem sloot er zich December 1869 bij aan. De tijd om al de gemeenten door één Nederlandsche Unie te verbinden was nog niet rijp. Toch voelde men zich tegenover kerk en wereld te zeer broeders om geen jaarlijksche conferentie te houden. In 1870 kwam men samen te Amsterdam.[29] De broeders uit Friesland konden niet nalaten nogmaals openhartig uit te spreken, dat het hun hinderde, dat de gemeente te Amsterdam en die in Groningen en Drenthe niet evenals zij tot den Duitschen Bond behoorden en vroegen daaromtrent opheldering. Deze werd aanstonds gegeven met de betuiging dat “deze gemeenten de Duitsche belijdenis niet met nauwgezetheid de hare konden noemen.” “Wij zijn” — zeiden zij — “kinderen, die van den Vader eenige lessen geleerd hebben en op onze wijze uitdrukken, wat wij gelooven en weten; maar als andere en misschien zelfs oudere en verder-gevorderde broeders en zusters tot ons zeggen: “wij denken, spreken en handelen zóó en wij wenschen van u de verklaring te hooren, dat gij eveneens denkt, spreekt en handelt, dan kunt gij met ons medegaan door in den Bond te worden opgenomen”, wat zullen wij dan antwoorden? “Lieve Broeders” — zeggen wij — “wij dragen de Duitsche broeders en in het bijzonder de broeders Oncken en Köbner alle achting toe, maar aan uwen wensch kunnen wij geen gevolg g>;ven; wij mogen zelfs geene poging doen om de Duitsche broeders te bewegen tot schikken en plooien, teneinde aan onze bezwaren tegemoet te komen; wij wenschen onder het oog des Heeren naast elkander te arbeiden aan het groote werk: de belangen van [174] Gods koninkrijk, gelijk wij naast de Engelsche, Amerikaansche, Zweedsche en Fransche broeders staan; wij wenschen van elk hunner te blijven leeren gelijk wij tot heden door hunne geschriften, raad en voorlichting mochten ontvangen “en wij hopen in het vervolg meer nog dan tot heden voor elkander te bidden en belang te stellen in elkanders arbeid en geestelijk welzijn of lijden en strijden.”

Broeder H. Kruit van Stadskanaal wees er op, dat de krachtigste, levende belijdenis was die van den doop. “Geen Confessie drukt zoo sterk de dooding van den ouden mensen uit als onze doopsbelijdenis en immer weer moeten wij toonen, dat wij waarlijk gestorven zijn. Het is noodzakelijk zoo te leven, dat anderen van ons zeggen kunnen: “het is bij hem of haar niet maar een woord, het is een daad waarvan de uitwerking in het leven, blijkt.”

De Friesche broeders verklaarden hierop, dat zij met dit antwoord voor zich volkomen vrede hadden en de andere broeders meer konden liefhebben dan vroeger, omdat allerlei onjuiste voorstellingen waren weggenomen door elkander te ontmoeten en openhartig samen te spreken.

Broeder Tekelenburg leidde de vraag in: “welke is onze roeping als gedoopte Christenen?” Hij had daarvoor de Heilige Schrift geraadpleegd, gelijk hij deed bij alles wat , voor zijn aandacht kwam, en bevonden dat de Schrift spreekt van een roeping tot het koninkrijk, tot heerlijkheid, tot zaligheid, tot gemeenschap met Jezus Christus, maar dat zij ook spreekt van een roeping tot vrijheid, tot vrede, tot lief te hebben. “De gemeente wordt dus geroepen om te ontvangen en te genieten, maar ook om te handelen.”

Broeder Mahns sprak over de zending, een ander over het evangelisatiewerk, een derde over de onderlinge briefwisseling der gemeenten,[30] alle onderwerpen van praktisch-[175]-religieuzen aard. Ook werd aangedrongen op het verleenen van hulp aan de gewonde Fransche en Duitsche soldaten. De Amsterdamsche gemeente maakte er terstond werk van en zond aan den predikant der Baptistengemeente te Barmen, W. Haupt, die zelf de gewonden op de slagvelden bezocht, een kist met zeven honderd Fransche en Duitsche Nieuwe Testamenten, om aan de militairen in de hospitalen uit te reiken.”[31]

De volgende conferentie's hadden plaats te Stadskanaal (1871), Haarlem (1872), Makkum (1873), Stadskanaal (1874), en Amsterdam (1875).

De Haarlemsche gemeente vergaderde de eerste jaren in de blikslagerij van de Nobel, die in de Lange Veerstraat woonde. Daar was des Zondagsmorgens voor ieder de prediking van broeder Velthuijsen toegankelijk. Des namiddags werd bij broeder Velthuijsen bijbellezing gehouden. Elken eersten Zondag in de maand vierde men het Heilig Avondmaal en eiken Donderdagavond hield men een bidstond. De gemeente had een Zondagschool bij broeder de Nobel onder leiding van Velthuijsen, die buitengewone [176] gaven bezat voor den arbeid onder kinderen, welke hij onuitsprekelijk liefhad. Dinsdagsavonds gaf hij Bijbelsch onderricht aan jongelieden boven de zestien jaar.[32] Veel werd ook gedaan aan tractaatverspreiding en zending.

De vrucht op dat alles bleef niet uit. De gemeente breidde zich zoo uit, dat naar een ander vergaderlokaal moest worden uitgezien. Nu trof men op de plaats, waar zich thans de Parklaan bevindt, een vuil grachtje en eenige stukjes weiland aan. En te midden van dien stadsgrensrommel lag een klein boerderijtje, dat aan den koop kwam. De broeders kregen, dank zij den krachtigen steun van Velthuijsen, het noodige geld bijeen en spoedig waren zij in bezit van het pand. Er werden eenige veranderingen aangebracht; aan de voorzijde bouwde men een kosterswoning; de oude koestal werd in een vergaderlokaal herschapen en op het einde daarvan een doopbassin aangebracht. Den 3den Augustus 1872 had de inwijding der kleine “kapel” plaats. Broeder de Weerdt uit Franeker was overgekomen om het feestwoord te spreken, doch hij werd op reis ongesteld en moest van de prediking afzien. Velthuijsen hield toen de inwijdingspreek over Jer. VI:16. Zijn tijd werd nu van alle kanten zoo in beslag genomen, dat het hem moeilijk viel de bakkerij er bij waar te nemen. Eindelijk werd het hem duidelijk, “dat God hem riep zijn zaak op te geven.” Hij verkocht ze, om zich geheel aan den dienst des Evangelies te wijden. Hij werkte nu met rusteloozen ijver en zaaide aan alle wateren, met het resultaat dat in 1874 zeventien personen door den doop aan de gemeente werden toegevoegd en drie Zondagsscholen met een paar honderd kinderen zich in den grootsten bloei mochten verheugen.

Velthuijsen, die een open oog had voor de behoeften van zijn tijd, en op allerlei plaatsen tot op de Friesche eilanden ging evangeliseeren, voelde behoefte aan een orgaan, waarin de gemeenten zich konden uitspreken. Het maandblad “Ti-[177]-tus” was na een kort bestaan opgeheven en werd door hem vervangen door het weekblad “De Boodschapper”, dat onder zijn redactie den 27sten October 1876 voor het eerst verscheen.[33]

Waarlijk, de Duitsche Bond kon trotsch zijn op een gemeente als Haarlem, die onder de leiding van zulk een begaafden voorganger, zooveel presteerde en voor zoovelen ten zegen was. Doch ook deze band zou worden verbroken.

Opeens kwam de Sabbathskwestie aan de orde. Dr. N. Wardner, zendeling der Amerikaansche Sabbath-Traktaatvereeniging bracht in 1877 een bezoek aan Schotland, waar hij werkzaam bleef in het belang der beginselen van zijn genootschap. Van daaruit zond hij aan vele arbeiders in het Evangelie in Europa de door hem geschreven tractaten over den Sabbath. Velthuijsen kreeg ook een serie. Na ze ingezien te hebben had hij geen vrijmoedigheid ze voor goed ter zijde te leggen, al stond het denkbeeld der Sabbathviering hem aanvankelijk zeer tegen. Hij deelde aan de gemeente mede, dat hij over de vraag: “Moeten wij Sabbath of Zondag vieren?” ernstig nadacht, verzocht haar voorbede met het oog op den strijd, dien dit probleem meebracht en bond elk der leden op het hart om eveneens biddend te onderzoeken wat in dezen Gods wil was. Niet lang daarna deelde hij mede, dat het hem klaar was geworden, dat het Sabbathsgebod ook voor thans van kracht was en dat hij besloten had met zijn gezin den Sabbath te vieren.[34] Hij [178] verklaarde zich bereid de gemeente door prediking als anderszins voorloopig te blijven dienen en stelde voor, dat na drie maanden door de voor- en tegenstanders een voor de toekomst bindend besluit zou worden genomen. Die mededeeling maakte diepen indruk. Broeder de Nobel ging met zijn vrouw naar Stadskanaal om licht en raad. Zij keerden van daar terug, zeer tegen het idee van Sabbathviering ingenomen. Doch toen zij des Zondags Velthuijsen hoorden prediken over Prediker XII:13. “Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vreest God en houdt Zijne geboden, want dit betaamt alle menschen”, gaven zij zich gewonnen. Langzamerhand volgden nog enkele leden, en slechts een klein deel der gemeente bleef over. Het Zondagvierende deel scheidde zich af en constitueerde zich na veel verwarring den 30sten Mei 1880 als “Vrije Gemeente van Gedoopte Christenen én om zich te onderscheiden van de gemeente welke zich kromde onder het juk der Wet, én om in dien naam uit te drukken, dat zij vrij wenschte te zijn in al hare handelingen, alleen verantwoordelijk voor den Heer.”[35] Met A. H. van der Steur als voorganger werd een lokaal gehuurd, eerst in de Voortingstraat, daarna in de Gravinnesteeg (7 Februari 1883), doch de lokaalhuur bracht de gemeente in zorg en schuld, daar zeer weinig hoorders onder de prediking kwamen.[36] Ook waren er enkele broeders, die protesteerden tegen dezen weg en enkel wenschten samen te [179] komen “om Gods Woord te bespreken.” De meerderheid was echter voor openbare prediking, die tevens met onderlinge bijbelbespreking gepaard zou gaan. Deze gaf evenwel aanleiding tot een eindeloos dogmatisch getwist, zoodat men meer dan eens zonder dankzegging uiteenging. De verwarring werd eindelijk zoo groot, dat de voorganger zijn lidmaatschap aan de gemeente opzei (Maart 1887) en hulp moest worden ingeroepen bij de andere gemeenten om de zaken te regelen.[37] In 1889 was de gemeente zoo gering, onzelfstandig en in het bezit van zoo weinig gaven, dat zij Amsterdam verzocht het opzicht over haar te willen nemen. Eens in de maand kwam nu van daar een broeder om voor te gaan bij de viering van het Heilig Avondmaal. Er werd nu vergaderd ten huize van een der broeders,[38] waar vaak niet meer dan drie of vier leden samenkwamen.[39] Na een kwart eeuw te hebben bestaan, was de gemeente op het punt te niet te gaan.[40] Toch is er herleving gekomen. Thans wijst de statistiek een ledental van 32 aan, dat onderling vergadering houdt in de Stoofsteeg no. 6.


[1] Zie bladzijde 145.

[2] Brief van 10 Nov. 1864.

[3] Bedoeld is het veranderd standpunt van de Liefde inzake den doop.

[4] Te Stadskanaal.

[5] Deze uitdrukking in een brief van de Neui aan Tekelenburg, 19 Nov. 1864, vindt men ook veel in de geschriften der oude Doopsgezinden.

[6] Namelijk de Neui, Hofstra en Rassers.

[7] Volgens het Dagboek van de Neui.

[8] De vertaling werd echter vertraagd en verscheen pas in 1870.

[9] Zie het Dagboek van de Neui, 2 Juli, 5 Aug. 1868.

[10] Zie kladnotulen van Tekelenburg over de gemeentevergadering I Dec. 1868, punt 6: “Omtrent de brieven van broeder Schoch en Eberstad wordt gewenscht een extra-vergadering te houden, ook met het doel een schrijven aan hen te richten.” 29 Dec. 1868, punt 2: “Mededeeling dat over de brieven uit Wellington in Afrika geen vergadering zal gehouden worden, maar nadere berichten zullen worden afgewacht.” Punt 3: “Omtrent de samenkomst te Franeker wordt overeengekomen, broeder de Neui mede te deelen den wensch der broeders om zoo er geen overwegende bezwaren zijn, ook die van Breda te ontmoeten. Oude broeder Mahns verzoekt om aan de broederen te Breda een schrijven te richten. Broeder Tekelenburg neemt het in beraad. 2 Febr. 1869. Mededeeling dat van Breda geen bericht ontvangen is.”

[11] Brief van Tekelenburg, 6 Febr. en 25 Febr. 1869.

[12] Brief van de Neui aan Tekelenburg, 12 Mei 1869.

[13] Zie in de Bijlagen het schrijven van Kloekers, van 23 Febr. 1869.

[14] Kladnotulen van Tekelenburg, 1 Maart 1869.

[15] Brief van de Neui aan Tekelenburg, 25 Febr. 1869.

[16] Afgevaardigden van Amsterdam waren Tekelenburg en H.C. van Soest. Toespraken werden gehouden door Willms, Kloekers, Tekelenburg en de Weerdt. De conferentie werd besloten met een Avondmaalsviering, waarbij de Neui sprak over I Corinthe XI:23—24, “ons formulier van het Avondmaal, waarbij alle menschelijke formulier vergeleken niets is.” Deze bijzonderheden zijn ontleend aan het tijdschrift “Titus”, waarin de Neui's toespraak werd opgenomen.

[17] Slechts vier jaargangen van dit hoogst zeldzame tijdschrift verschenen, 1809—1872.

[18] Volksbode no. 405.

[19] Voor levensbijzonderheden van G. Velthuijsen zie men verder het maandblad “De Boodschapper in dienst van den Heere Jezus”, orgaan van den Zevendendags Baptisten, n3. 563, Juni—Juli 1910; “De Hollandsche Revue”, April 1904, bl. 231 -241.

[20] Zie bladz. 151 en 153.

[21] Tot hen behoorden o.a. de gezusters Asmussen, van welke een 16 jaar oud was.

[22] Blijkens het verslag in de “Hamburger Missionsblatter”, Dec. 1869.

[23] Zie “De Boodschapper”, no. 563 bl. 114, “Oude herinneringen”.

[24] Brief van P.J. de Neui, S. Janssen, H. Willms, H.J. Dirksen, S. de Weerdt, M.W. Swijter aan de gemeente te Amsterdam, 17Oct. 1869.

[25] Kloekers schreef over de predestinatieleer: “Toen ik aan mij zelven ontdekt werd, smeekte ik om genade, las de Heilige Schriften en geloofde na zwaren strijd in de blijde boodschap, met een heerlijke en onuitsprekelijke vreugde. Spoedig daarna kwam ik echter in aanraking met Gereformeerde orthodoxen, die in den Heer geloofden en al spoedig werd hun leer aangaande de praedestinatie meer dan het Evangelie mij voorgehouden en ingeprent. Nog geen genoegzame kennis van God hebbende, ook nog niet in staat om over het wezen van den mensen en alzoo behoorlijk over den God-menschelijken weg der verlossing door te denken; en vertrouwende op hunne beweringen overeenkomstig de leer der vaderen, nam ik die leer in goed geloof aan en begon haar zelfs met kracht te verdedigen, hoewel mijn eigen hart er toch niet recht aan wilde, en ik, zoodra ik maar weder alleen was, mij in de liefde van God verheugde, of, met zondaren sprekende ten einde hen tot bekeering te leiden, hen op de liefde van God wees en niet op de verkiezing, omdat ik met mijn hart in de liefde van God en niet in de verkiezing geloofde en bovendien met de verkiezing bij hen niets uitrichten kon. Al spoedig echter begon ik te begrijpen, dat die strijd tusschen hoofd en hart, tusschen gelooven en belijden, een einde moest nemen, dewijl ik mij niet zoo gelukkig gevoelde, mijzelven als met mijzelven in strijd en als onwaar begon te beschouwen, en onmogelijk een waar evangelieverkondiger zou kunnen zijn, tenzij mijn hoofd met mijn hart en mijn hart in overeenstemming met Gods hart mocht wezen. In diepen ernst riep ik tot den Heere om licht, legde de vaderen op zijde en las Zijn Woord en bleef niet staan bij enkele texten, want dan kon men van den Bijbel wel alles maken, en iedere ketter heeft zijn letter, maar poogde die texten in verband en samenhang, en alzoo naar den geest des Heeren te verstaan. Het duurde niet lang of het licht ging mij op. De eene moeilijkheid na de andere verdween en geloofd zij de Heer, ik zag spoedig geen enkele text meer die de verkiezing leert, zooals die door de gereformeerde vaderen in navolging van Calvijn, en, door dezen in navolging van Augustinus, die door de heidensche leer van het fatalisme geleid werd, is vastgesteld geworden. De liefde van God, die niet wil dat eenigen verloren gaan, maar dat allen tot bekeering komen, straalde mij van alle kanten uit Zijn Woord tegemoet, en ik gevoelde dat mijn verstand in dezen met mijn hart, en mijn hart met Gods hart in harmonie was gebracht.” “De Christen”, no. 15 Sept. 1883.

[26] Brief van Kloekers aan Tekelenburg, 25 Nov. 1869.

[27] Brief van Kloekers aan Tekelenburg, 25 Nov. 1869.

[28] Brief van Kloekers aan de gemeente te Amsterdam, 14 Dec. 1869.

[29] 9—11 Juli 1870. Een verslag van deze conferentie vindt men in het tijdschrift “Titus”, Septembernummer 1870.

[30] Het denkbeeld van de briefwisseling ging reeds op de Franeker conferentie uit van de Neui, die iets dergelijks deed met de Duitsche broeders. De correspondentie zou dan aldus zijn ingericht: Op elke plaats verzoekt men een broeder de brieven te willen schrijven, te ontvangen en mee te deelen. Uit Amsterdam wordt de eerste brief geschreven en verzonden, de broeder aldaar doet eenige korte mededeelingen of vragen en zendt den brief naar Haarlem; daar voegt men er iets bij en schrijft aan Franeker. Zoo gaat het voort over Makkum, Workum, Ter Apel en Stadskanaal naar Amsterdam terug. Er wordt gezorgd dat allen lezen wat aan iedere plaats geschreven is, maar er moet ook gezorgd worden dat men schrijve, wat voor allen gepast is. “Wij bepalen ons tot een opwekkend woord, een bede, een vraag die geen leerstuk moet betreffen, maar voor allen nuttig zijn kan of althans voor den schrijver en zijn gemeente; wij onthouden ons van aanmerkingen, terechtwijzingen en persoonlijke zaken, daar deze in dien brief niet op hare plaats zijn; bovenal moeten wij trachten blijmoedig te zijn, biddend en dankend te schrijven; dan zal deze briefwisseling een zegen worden voor de gemeenten.” Vgl. “Titus”, ifl. Sept. 1870.

[31] Brief van W. Haupt aan de Amsterdamsche gemeente, 12 Aug. 1870.

[32] Bericht uit de “Hamburger Missionsblätter”, Febr. 1873.

[33] Secretaris van de gemeente was toen de bekende schrijver Pieter Vergers, die 25 Mei 1901 te Haarlem overleed.

[34] In no. 31 van “De Boodschapper”, 1877, werden voor het eerst de tractaten “Sabbath of Zondag?” opgenomen. In no. 39 verklaarde Velthuijsen zich openlijk voor het vieren van den Sabbath. In no. 95, 12 Sept. 1878 plaatste C.L. Kreijenbroek te Zutphen een stuk tegen het Sabbathisme, dat hij beschouwt als een terugvoering onder de wet tot den toestand der dienstbaarheid. “Wij mogen niet blijven staan bij het gebod als zoodanig, maar als kinderen Gods hebben wij door te dringen tot de geestelijke beteekenis. Wij zijn vrijgemaakt van de Wet, overmits wij dien gestorven waren, alzoo dat wij dienen in nieuwigheid des Geestes en niet de oudheid der letter. Door weer onder de Wet te gaan, maakt men zich schuldig aan een gelijk oordeel als de Farizeen, toen zij de discipelen bestraften, die aren plukten. Dat heeft de ondervinding van nu ongeveer een jaar geleerd, waar velen zich gedrongen gevoelen de onschuldigste bezigheid op den Sabbath, die ons voor ledigheid bewaart, in een broeder of zuster af te keuren.” Velthuijsen achtte het beneden de waardigheid der zaak, die hij voorstond, een enkel woord tegen dit betoog aan te voeren. Hij noemde het wartaal. Daarmede verbreedde hij de ontstane kloof. 

[35] Brief van E. van der Steur als secretaris der gemeente aan de Amsterdamsche gemeente, Aug. 1883.

[36] E. van der Steur hield een Zondagsschool met 130 kinderen.

[37] Brief van den secretaris W. F. van Honschooten aan de gemeenten te Groningen, Sneek, Hoorn en Amsterdam, Maart 1887.

[38] NI. bij E. van der Steur, Botermarkt no. 1.

[39] Voor de geschiedenis der Haarlemsche gemeente na de scheiding in 1877 raadpleegde ik de jaarverslagen der Unie.

[40] 1 Oct. 1896 opende zij als een nieuw teeken van leven een lokaaltje voor evangelisatie, waarin broeder Molenaar des Zondagsmorgens den dienst vervulde. Zie “De Christen” 1 Juli 1897.

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman