Hoofdstuk 6

De opkomst der Franeker Gemeente.[1]

[142] De eerste Baptistengemeente in Friesland was Franeker. Zij dankt haar ontstaan aan den arbeid van Peter Johannes de Neui, die langs wonderbare wegen uit zijn Oostfriesche vaderland naar Friesland tusschen Flie en Lauwers geleid werd.

Hij zag 20 October 1828 het eerste levenslicht te Ditzummer Verlaat, een dorpje aan den Eems in Reiderland, waar zijn vader hovenier en landgebruiker was.[2] Van de zeven kinderen, die van de tien in leven bleven en die allen een burgerlijke opvoeding ontvingen, was Peter de eenige die het ouderlijk huis verliet om een ambacht te leeren. Als smidsgezel gedroeg hij zich onberispelijk, gesterkt door een uitwendige plichtreligie. Als 21-jarig jongeling wendde hij alle krachten aan om zich te bekeeren en bereikte hij een trap van vroomheid, waarvan het heele dorp Weener, zijn woonplaats, gewaagde, maar vrede had hij niet. Eindelijk [143] viel hij in vertwijfeling en als met God twistende, gaf hij alle hoop op de zaligheid prijs. “Desniettegenstaande sloeg ook voor hem, in den herfst van 1849, het uur der minne, waarin hij uit groote barmhartigheid des Vaders om Christus' wil door den Heiligen Geest zulk een hartveranderende genade ontving, dat hij op alle zijne deugden den dood teekende en bidden leerde.”[3]

“Ik kan mij niet beroemen” — aldus schrijft hij over deze zielsgebeurtenissen — “dat ik mijn hart aan den Heer overgaf, maar Hij nam het, zonder mij te vragen of ik het wilde of niet wilde, zooals bij Saulus, den stokbewaarder en anderen, en toen eerst leerde ik recht bidden gelijk de tollenaar. Ik deed ook geen gelofte, want bij het licht van de Heilige Schrift en van eigen zelfkennis zag ik te goed dat eenige gelofte evenzeer als mijn vroomheid en gerechtigheid een wegwerpelijk kleed waren.”

Einde Januari 1850 werd hij van zijn genadestaat verzekerd. Kort daarna, I Petrus III lezende, overtuigden hem vers 20 en vers 21 dat hij moest worden gedoopt. Als schellen viel het van zijn oogen, dat het niet alleen onmogelijk was zonder geloof God te behagen, maar ook onverantwoordelijk om de waarheid te erkennen, en niet te betrachten in de praktijk. Onder een stroom van tranen meldde hij zich aan voor den doop, die dan ook 8 Febr. 1850 door broeder J.L. Hinrichs in het Weener Zijldiep aan hem werd voltrokken. Drie maanden lang oefende hij de innigste gemeenschap met “zijn Jezus”, bracht nachten door in het gebed, was als met licht omstraald en verstond de beteekenis der woorden: “eerste liefde.” In Maart 1850 dacht hij er in zijn eenzaamheid over na, hoe de drie geloovigen in zijn geboorteplaats, Christoffer Weeke, Joachim Dupreé en zijn broeder Jan de Neui het konden uithouden zoo voort te leven, zonder zich te laten doopen. In zijn gedachten vermaande hij hen en toen hoorde hij, alsof het uit zijn [144] binnenste kwam, de woorden: “Gaat heen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen!” Hij verschrikte zoo, dat hij sidderde, want er was geen mensen in zijn nabijheid en ook kon niemand weten wat hij dacht. Dit voorval bracht hem in groote onrust, want het scheen hem onmogelijk toe dat hij zou prediken wegens gemis aan gaven. Doch den volgenden dag las hij bij het opslaan van zijn bijbel de woorden in Richteren VI:14, die zoo diep in zijn ziel zonken, dat hij er de leiding des Heiligen Geestes in erkende. Maar wat nu te doen? Hij achtte zich te jong, had een natuurlijken afkeer van het predikambt, ja ware liever gestorven dan anderen over deze zaak te spreken. Hij klaagde zijn nood aan God, geloovende dat Deze machtig was, geheel buiten hem om, het Evangelie te doen verkondigen, doch tevens smeekende om licht en gehoorzaamheid

jegens Hem.

Den 24sten Maart 1850 predikte de verversbaas Anton Meijer voor den Baptistenkring te Weener. De politie had den reizenden leeraar C. Cramer verdreven. Meijer verzocht na de prediking de broeders en zusters nog even te vertoeven. Na het uitspreken van een gebed, stelde hij voor Peter de Neui te verzoeken de namiddagsamenkomst te leiden, waartoe eenstemmig besloten werd. Peter was diep getroffen en kon evenmin het verzoek afslaan als aannemen, daar hij er eenerzijds Gods hand in zag en anderzijds zich geheel onbekwaam voelde. Angstig biddend trad hij des namiddags op en sprak voor de eerste maal in het openbaar in de Nederlandsche taal over Romeinen VII:I—3. Twee weken daarna, 7 April 1850, predikte hij in zijn geboortedorp Ditzummer Verlaat, doch de vensters werden door kwaadwilligen ingeworpen en de samenkomst geheel verstoord. Den volgenden morgen stond hij evenwel in de ouderlijke woning alweder te prediken over Maleachi IV:12, waarbij niemand hem hinderde, want de menschen hadden ontzag voor zijn moeder. Later bracht het houden van een samenkomst toch nog menigmaal levensgevaar, met zich.

[145] Na een half jaar aan het seminarie te Hamburg door Oncken en Köbner onderwezen te zijn, werd hij 1 Juni 1852 door den eerstgenoemde te Hamburg als leeraar geordend. Sedert was hij één jaar werkzaam in Butjadingerland en ruim twaalf jaar in Oost-Friesland, waar velen door hem gedoopt werden. In den winter van 1862 vernam hij te Ihrhove, dat te Stadskanaal onder leiding van Witmond een bloeiende Baptistengemeente was. Begeerig ze nader te leeren kennen, maakte hij met zijn vriend Harm Peters Eekhoff te Ihrhove het plan om op schaatsen er heen te gaan, doch de invallende dooi verhinderde het. 8 Januari 1864 werd echter hun wensch vervuld. Toen zij er tegen den avond aankwamen vonden zij daar “een zeer lieflijke Godstuin, waar de Heer negentig boomen der gerechtigheid geplant had.” Witmond verzocht de Neui des Zondagmorgens voor hem te preeken, hetgeen hij aannam en deed. Niettegenstaande de felle koude waren er omstreeks negentig hoorders, die hij in de Nederlandsche taal toesprak. Het woord scheen een diepen indruk teweeg te brengen, want tranen werden vergoten en terwijl den vorigen avond over eenige ondergeschikte punten gestreden was, kon nu het Schriftwoord van Jesaja worden toegepast: “hun strijd is vervuld.”[4] Des namiddags kwamen, als naar gewoonte, alleen de gemeenteleden samen tot onderlinge stichting uit de Heilige Schrift. Ieder had een bijbel voor zich, en wanneer daaruit een gedeelte was gelezen, had ieder vrijheid zich daarover uit te spreken. In deze samenkomst moesten de Neui en Eekhoff alles vertellen wat zij wisten van de Duitsche broeders, van den Duitschen Bond, van het vereenigings- en het gemeenteleven. De Neui wekte hen op tot krachtige werkzaamheid en herinnerde er aan dat zij, als zendingsgemeente, ook het zendingswerk hadden ter hand te nemen. Zij zongen nog eenige liederen en gingen, na gebeden te hebben, uiteen. Des avonds brachten zij nog een bezoek [146] bij Roelof Reiling te Gasselter-Nijveen, waar ongeveer 25 gemeenteleden bijeen waren. Ook daar was hun beker overvloeiende. Veel werd verhaald, besproken en gezongen. De Neui moest eindelijk zijn hart lucht geven in een hartelijk smeekgebed. Zij voelden zich allen kinderen ééns Vaders en erfgenamen van één zaligheid. Bij het afscheid werden nauwelijks de tranen weerhouden. In den laten avond hadden nog vele gesprekken plaats ten huize van broeder Kruit, die de Oostfriesche broeders den volgenden morgen naar Wildervank bracht, vanwaar zij per schaats over Groningen den terugweg aanvaardden.

Ruim drie maanden later reisde hetzelfde tweetal, als afgevaardigden der gemeente Ihren, naar Franeker om daar in naam der gemeente te handelen. Men zag er kennelijk Gods hand in, die hen naar deze stad leidde. Want wat was er geschied?[5]

In Februari 1858 las Eekhoff in het Afgescheiden Weekblad “De Stem”[6] een ingezonden stuk van P.J. Pilon, zoon van een Chr. Gereformeerd ouderling te Stedum, die daarin de navolgende vijf vragen opwierp: 1e Zijn al de jonge kinderen, die tot het ontvangen van den H. Doop in de Gereformeerde kerk aangeboden en aangenomen worden daartoe gerechtigd? 2e Kunnen ze van de leeraars met een goede conscientie gedoopt worden. 3e  Moet ik, die in 1835 in de Herv. Kerk gedoopt ben, ook weer gedoopt worden, omreden de Herv. Kerk de merkteekenen van de valsche kerk draagt? 4e  Wat is de oorzaak, dat alle geloovigen niet op aarde zichtbaar tot eene gemeente vereenigd zijn? 5e Is het gebruik van sterken drank geoorloofd?

Eekhoff sprak daarover met de broeders H. Willms en H.J. Dirksen en zij stelden gezamenlijk een stuk op over vraag 3, — voor hen de hoofdvraag — dat gezonden werd [147] naar Pilon met verzoek daarvoor in “De Stem” plaats te vragen. Het opstel was van den volgenden inhoud:

“Wij gelooven op grond van Gods heilig Woord met art. 28 der Geref. geloofsbelijdenis, dat het ambt aller geloovigen is, zich van de valsche kerk te scheiden en zich bij de ware te voegen en bij die te blijven. Scheidt zich iemand op rechtmatige gronden van een vergadering om zich bij eene andere te voegen, dan belijdt hij daarmede niet, dat hij eene kerk van Christus verlaat, die gansch bedorven is en zich aan een zuivere wenscht te begeven, maar hij belijdt dat de vergadering die hij verlaat een kettersche vergadering, de valsche kerk, en niet de kerk van Christus is en dat hij nu verplicht is, zich bij de kerk van Christus te voegen. Wij gelooven verder op grond van Gods Woord en met Art. 30 der Geref. geloofsbelijdenis, dat de doop geschieden moet in de ware kerk, door een gezondenen leeraar, en dat alzoo en niet anders, de doopeling naar Art. 34 der Geref. geloofsbelijdenis, door den doop in de kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd wordt. Uit deze gronden moeten naar onze overtuiging, degenen die in de gemeenschap der valsche kerk door den doop zijn opgenomen, als ongedoopt aangezien worden en gedoopt worden, als zij, wanneer zij bekeerd zijn, tot de gemeenschap der ware kerk zullen opgenomen worden, hetwelk geen herdoopen zijn kan, want het eerste was geen doop. Ketters kunnen of mogen niet doopen; de doop door ketteren gedaan is geen doop. Dit is ook het gevoelen geweest van onze beroemde vaderen, men leze ter bevestiging het T deel van Brakels Redel. Godsdienst Cap. XXXIX § IX.

Daar nu echter degenen die uit de valsche kerk tot de gemeenschap der Chr. Afgesch. Geref. kerk in Nederland overkomen, ongedoopt opgenomen worden, zoo verklaart men daarmede praktikaal: gedoopt zijn zij; en daar nu de doop geschieden moet in de ware kerk van Jezus Christus door een gezondenen leeraar, zoo verklaart men tegelijk [148] daarmede, de ware kerk is buiten ons en wij zijn tegen het bevel des Heeren en tegen de Geref. belijdenis van 1618 en 1619 van dezelve uitgegaan. Daar nu echter iedere partij, die zich met den naam “Christelijke Kerk” bedekt, ook zijn doop als de rechte en wettige acht, zoo zoude natuurlijk volgen, dat de Chr. Afgesch. Gereformeerden, wanneer zij zouden beginnen allen te doopen, die tot hunne gemeenschap zullen opgenomen worden, bij hunne wederpartijders den naam van Wederdoopers zouden verkrijgen en naar ons gevoelen ook volstrekt verkrijgen moeten, willen zij beweren dat zij de ware kerk van Jezus Christus zijn tegenover de valsche, waarvan zij zijn uitgegaan. Ons gevoelen is dus, dat de doop van zulke religiën, die de kenmerken van de valsche kerk dragen, niet wettig is en dat mitsdien de ware kerk verplicht is allen te doopen die tot hare gemeenschap zullen opgenomen worden.” eenige lezers der “stem.”

Zij onderteekenden niet om vooroordeelen te vermijden, die zouden oprijzen als men wist dat het stuk van Baptisten kwam. Tevergeefs wachtten zij echter op de vervulling van hun wensch tot 14 Sept. 1851, toen zij bericht ontvingen dat P.J. Pilon Jr. overleden was. Zij verzochten nu den vader nog eens bij den redacteur van “De Stem”, Ds. A.P. Zweedijk te Elburg, aan te kloppen om opname van het stuk en hun het antwoord te zenden. Ds. Zweedijk antwoordde: “het anonyme stuk wordt niet geplaatst, 1e omdat het wat al te abstract is, 2e  omdat de opzender overleden is, 3e  omdat het twistgeding, dat er uit voorkomt, geen nut afwerpt en ik de gedoopten volstrekt niet zoo beschouw als de schrijvers.” Toch liet hij nog eenigszins een flauwe hoop op plaatsing doorschemeren. Eekhoff c.s. spoorden evenwel Pilon Sr. aan op het ingeslagen spoor door te gaan. Deze antwoordde: “ik ben het in de zaak met u eens, verander het stuk een weinig en onderteeken het.” Dit geschiedde en nu luidde het slot aldus: “De ondergeteekenden behooren tot een Christelijke gemeente, bij welke alle geloovigen gedoopt worden, die uit vreemde volken en [149] valsche religiën tot hare gemeenschap wenschen opgenomen te worden.”

H. willms, ouderling der Christelijke gemeente te Ihren bij Ihrhove.
H. P. eekhoff, diaken derzelfde gemeente.
H. J. dirksen, lidmaat derzelfde gemeente.

Aldus gewijzigd werd het stuk aan Pilon Sr. toegezonden en opnieuw strekten de broeders hunne handen begeerig uit naar iedere aankomende “Stem” met verwachting en hope het stuk geplaatst te vinden. Maar inplaats van het gewenschte te lezen, brachten de bladen het bericht dat J.P. Pilon Sr. 31 Oclober 1858 overleden was. “Wonderlijk!” zeiden ze tot elkander, “wij hoopten dat de Pilons het middel zouden zijn in 's Heeren hand om de van ons erkende Bijbelsche waarheid in Nederland op den kandelaar te plaatsen. Zij moesten daartoe geroepen zijn, want anders konden zij zulke gewichtige, zoo diep in de organisatie der gemeente ingrijpende vragen niet gesteld hebben, evenmin zoo volstrekt met het ons daarop gegeven antwoord ingestemd hebben. Wat wil de Heer daarmede zeggen? De dwaling laat hij doorgaans op lichte wegen ver en breed om zich grijpen; daarentegen vindt de waarheid overal haren weg omtuimd; zij moet door vele hinderpalen met moeite haren weg vervolgen. Buitendien gebruikt de Heer doorgaans de zwakste, geringste werktuigen tot bereiking van zijn doel, opdat een iegelijk erkennen moge dat het 't werk des Heeren en niet het onze is.”

Zoo sterkten zij elkander en met nieuwe hoop wendden zij zich tot de weduwe van J.P. Pilon Sr., met verzoek een paar vrienden van den overledene voor de zaak te winnen. De oudste broeder echter belastte zich er mee en in “De Stem” van 10 Febr. 1859 kreeg het opstel een plaats, trots de afkeuring van vele Afgescheiden predikanten. De gevolgen bleven niet uit. Vijf dagen later kwam te Ihrhove reeds schrijven uit Amsterdam van een Afgescheidene, die vroeger Roomsen was geweest en nu een waren noodkreet [150] slaakte over zijn-ongedoopt-zijn met de bede “het ingeslopen kwaad te herstellen en de verkeerdheid weg te doen.” Ook bij vele anderen bracht het een schok teweeg.

In September 1859 kreeg Eekhoff bezoek van den Afgescheiden predikant P.A. Wiersinga te Appingadam. Zij waren ruim twee jaar geleden op een wonderlijke wijze met elkander in kennis gekomen. De Neui en Eekhoff zaten op een avond te praten over de Christelijk Gereformeerden in Nederland, “dat zij een groote scheiding in de kerk gemaakt hadden en nochtans die menschelijk verdichte fabel, den zoogenaamden kinderdoop, in practijk navolgden.” Daar nu de Neui kennis had aan een Afgescheiden predikant, Hendrik Nieboer, te Garrelsweer, zoo werd het besluit genomen om in den zomer hem eens te bezoeken. Ingevolge dit besluit reisden zij samen naar Appingadam. Toen zij het stadje doorliepen, kwamen zij ook bij de Afgescheiden kerk, die juist werd schoon gemaakt. Zij maakten een praatje met de schoonmaakster, vertelden wie zij waren en op haar beurt vertelde zij het weer aan Ds. Wiersinga. Deze noodigde de vreemdelingen ten zijnen huize en de kennismaking was van dien aard, dat zij een dag en een nacht bij hem bleven. Hierop wandelden, zij naar Garrelsweer en toen zij zich daar eenige dagen bij Ds. Nieboer hadden opgehouden, keerden zij huiswaarts. Eekhoff geraakte nu met Ds. Wiersinga in levendige briefwisseling, zoodat deze begeerte kreeg eens nader kennis, te maken met de Oost-Friesche broeders. Eekhoff haalde persoonlijk hem af uit Appingadam en na eenige dagen te Ihren vertoefd te hebben, trad Ds. Wiersinga aan den avond van 21 Sept. 1859 in de Baptistenkerk aldaar op tot hartelijke voldoening der hoorders. Veel spraken zij met elkander “over het heil des Heeren en van de wonderbare leidingen des Heeren met zijn volk.” De harten smolten onderling tezamen en zij konden met den dichter zingen:

“Zoete banden, die mij binden
Aan het lieve volk van God.”

[151] Het spreekt van zelf dat, “daar zij eenige dagen in liefde met elkander verkeerden en zich hartelijk in Christus vereenigd gevoelden”, de brandende vraag niet onbesproken kon blijven: wat is de oorzaak, dat wij die zoo nauw met elkander vereenigd zijn, nu ook niet tot een en hetzelfde kerkgenootschap behooren, en waarom bestaat, er op dit gewichtig punt nog een ongoddelijke scheuring tusschen ons?” Hun antwoord kon kort zijn. Zij beweerden dat, daar de doop de inlijving in de zichtbare gemeente Gods op aarde was en Ds. Wiersinga nog niet gedoopt was, hij schuldig was door den doop zich in de gemeente te laten opnemen. Ds. Wiersinga daarentegen hield staande, dat hij alreeds als zuigeling door den doop in de kerke Gods ontvangen was. De wederzijdsche gevoelens werden nu aan de Schrift getoetst en alle bijbelplaatsen, die tot verdediging van den kinderdoop dienen, nader bezien. Doch daar vanwege de kortheid des tijds zij niet met hun onderwerp ten einde gekomen waren, besloten zij dit in geschrifte voort te zetten, hetgeen in enkele brieven geschiedde. Wiersinga vond de zaak zoo belangrijk, dat hij ze bracht op de synode der Christelijk Gereformeerde kerk te Hoogeveen. Dit gaf de Afgescheiden predikanten K. J. Pieters te Franeker en J. R. Kreulen te Hallum het boek in de pen “De Kinderdoop der Gereformeerden”,[7] dat Wiersinga aanprees in “De Stem”[8] en ook per brief zijn vrienden te Ihren aanbeval. Ouderling H. Willms antwoordde daarop in een niet minder uitvoerig strijdschrift getiteld “De Kinderdoop der Gereformeerden volgens het werkje van K. J. Pieters en J. R. Kreulen is buiten en tegen het bevel des Heeren.”[9] Hij betoogde daarin dat de kinderdoop in strijd is 1e met de leer van de onmacht des menschen tot geestelijk goed, 2e van de personeele verkiezing, 3e van de bijzondere verlossing, 4e  van de krachdadige roeping, 5e van [152] de volharding. Dit boekje kwam ook in de boekwinkels te Franeker en werd door enkele Afgescheidenen, b.v. door den touwslager Sjoerd Jans Idzenga gekocht en gelezen. Zij bespraken het met elkander en zonden daarop een breedvoerig schrijven, door vier personen onderteekend, doch in naam van meer anderen, aan Willms, waarin zij hem bekend maakten, dat zij door het lezen van zijn geschrift tot de gegronde overtuiging gekomen waren, dat de kinderdoop buiten en tegen het bevel des Heeren was en zij den doop der geloovigen alleen als echt Bijbelsch erkenden. Zij verzochten hem dringend om zoo spoedig mogelijk hen te komen bezoeken.[10] Hij antwoordde hun, dat zij ook nog de vraag: “waarin bestaat de doop en wie zal gedoopt worden? biddend in de Heilige Schrift moesten onderzoeken. Zij herhaalden hun verzoek dat hij tot hen zou overkomen. Willms maakte de gemeente te Ihren hiermede bekend en verzocht haar om de Neui en Eekhoff als afgevaardigden naar Franeker te zenden teneinde daar het Evangelie te verkondigen. Nadat de Neui Zondag 17 April 1864 nog eerst dertien personen gedoopt had, werden de beide broeders der genade Gods aanbevolen en reisden zij den volgenden dag af. Zoo haast hun komst des Woensdagmorgens te Franeker bekend werd, hadden zij dien dag niet meer noodig anderen op te zoeken. Het huis van touwslager Idzenga, die hen herbergde, liep vol. Er kwamen soms wel dertig personen tegelijk “om met hen over de waarheid te spreken”. Zij hadden daarbij veel nut van de “Glaubensbekenntnis und Constitution” der Duitsche gemeenten, die door de Neui in het Nederlandsch was vertaald en door hem in de gezelschappen werd voorgelezen. Dit vond veel bijval en vooral artikel X, dat belijdt: “alleen de Heer Jezus Christus is het Hoofd der gemeente, zichtbare opperhoofden op aarde kent zij niet”, maakte diepen indruk. Op tegenspraak stuitten zij weinig of niet. De harten vloeiden tezamen en Jezus was het middelpunt van [153] hun gesprek en verlangen. Des Donderdagsavonds predikte de Neui bij de gezusters Hofstra, die haar huis vrijwillig aanboden, over de bruidsgemeente, naar aanleiding van Hooglied 8:5: “Wie komt daar uit de woestijn, leunende op haar beminde? — Onder den appelboom heb ik uw liefde opgewekt; daar heeft uw moeder u onder weeën gebaard, daar heeft onder weeën gebaard zij die u het aanschijn schonk”. Na de preek werd het tweetal als 't ware bestormd met het verzoek om den aanstaanden Zondag over te blijven. Vier personen gaven hun verlangen te kennen om gedoopt te worden. Door tusschenkomst van den bakker N.Ph. Roorda hadden zij een onderhoud met den doopsgezinden predikant Van Delden en den president-diaken Dr. van Beieren, die de Neui toestonden, dat hij des Zondagsmiddags in het oude vermaanhuis tusschen de Zilverstraat en het Stadsbolwerk mocht prediken. Dit werd in de Franeker Courant bekend gemaakt, met dit gevolg dat hij voor meer dan zeshonderd menschen optrad, die met groote aandacht luisterden naar zijn predikatie over I Cor. I:9 “God is getrouw, door wien gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijnen Zoon Jezus Christus, onzen Heer.” Des avonds waren weder ruim zeventig personen vergaderd ten huize van de gezusters Hofstra, waar hij predikte over Hooglied 4:9 “Gij hebt mij in het hart getroffen, mijn zuster bruid! in het hart getroffen met één blik uwer oogen, met één buiging van uw hals.” Daarna stelde hij, op dringend verzoek van een der toehoorders, het onderscheid in het licht tusschen den kinderdoop en den doop der geloovigen en besloot zijn betoog met een opwekking om de Schriften te onderzoeken.

Den volgenden morgen bevonden de Neui en Eekhoff zich ten huize van den Afgescheiden predikant Pieters, dien zij reeds uit zijn geschrift tegen het Baptisme kenden en met wien zij op vriendschappelijke wijze eenige briefwisseling hadden gevoerd. Doel van hun bezoek was te vernemen of drie van de vier personen, die zich wilden laten doopen en tot de Afgescheiden gemeente hadden behoord, [154] in hun levenswandel onberispelijk waren. In tegenwoordigheid van den Afgescheiden kerkeraad en de predikanten Pieters en Medenia werd twee uur lang over den doop en andere leerstukken gesproken. Nadat een bevredigend getuigenis omtrent de doopcandidaten was verkregen, werd besloten, nog dienzelfden dag aan hun wensch te voldoen. Des avonds te tien uren waren S.J. Idzenga en zijn vrouw Grietje Anskes van Asperen, de koopman Gerrit Sipkes Boersma, de melkslijter Johannes Michel Schokker Rassers, de Neui en Eekhoff in de woning van den eerstgenoemden bijeen. Het viertal verhaalde achtereenvolgens “wat de Heer aan hun ziel gedaan had”, waarna de Neui en Eekhoff spraken: “kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden?” Nadat knielend gebeden was, gingen zij twee honderd schreden ver in het doopkleed naar de stadsgracht, daalden in het water en werden in den Naam des Heeren door de Neui gedoopt. Daarop vierden zij met verheugenis des harten het Heilig Avondmaal. Toen de Neui en Eekhoff den volgenden morgen naar Oost-Friesland terugkeerden, konden Idzenga en Boersma niet nalaten hen te vergezellen naar Ihren, waar zij tot den 2den Mei vertoefden.

Daar de Mennisten een nieuwe kerk hadden laten bouwen ging den 12den Mei hun oude vermaanhuis door verkoop in handen over van den koopman P.J. Waardenburg, die het aan de Neui verhuurde. Deze trad nu in het nog hechte gebouw, met zijn breede galerijen, geregeld op voor opeengepakte massa's menschen. De aanblik van zoovelen ontroerde hem meermalen tot tranen toe en zij die geloofden bekenden, “dat de Heer hun weidde in groene dreven.” Na de Zondagavondgodsdienstoefening hielden zij gezelschap van omstreeks zestig of zeventig personen, waar de Neui over onderwerpen sprak als: “de geest- en de vuurdoop”, en “hoe een gemeente van Jezus gevormd moet worden.” Opeens besloot Waardenburg het vermaanhuis te verkoopen. De broeders wenschten vurig het te bezitten, maar [155] het ontbrak hun aan geld. Terwijl het gebouw hun wel drie duizend gulden waard was, werd het hun voor zeventien honderdvijftig gulden aangeboden. Van andere zijde werd een bod gedaan van twee duizend gulden. Nog één dag bedenktijd werd hun gegund. Het werd hun een zaak van ernstig gebed en de uitkomst beschaamde hun geloof niet. Het echtpaar Roorda bood hun geld op voorschot aan, en de koop werd gesloten.[11] De gemeente wies zichtbaar. Zij trad het jaar 1865 met 24, het jaar 1867 met 52 en het jaar 1868 met 60 gedoopte leden in. Tot de eerste gedoopten behoorden behalve de vier reeds genoemden: Antje van der Burg, echtgenoote van den handelaar W. Bruinsma, de kleermaker Geert van Gorkum, de koopmansbedienden Willem Sleefstra en Jacobus Hemmes, en de zaadkoopman Folkert Hofstra, die 9 Juli 1864 het waterbad ontvingen. Toen 12 Augustus opnieuw zes personen gedoopt werden, behoefde men zich niet meer met de stadsgracht te behelpen, daar in de woning van Idzenga een doopbassin was aangebracht.

De Neui bracht van elke vijf Zondagen telkens twee te Franeker door. Op deze wijze deed hij van uit Oost-Friesland tien zendingsreizen, totdat hij 17 Mei 1865 zich metterwoon vestigde in het huis, dat aan de “kapel” verbonden was. Hij kon nu naar hartelust in de omstreken gaan evangeliseeren. Niet alleen werden Makkum, Workum en Stavoren door zijn arbeid stations van Franeker,[12] maar hij bezocht ook Harlingen, Weisrijp, Winsum, Schalsum, Achlum, Firdgum, Tzummarum, Oosterbierum en Dokkum.

27 October 1865 richtte hij te Franeker een Dorkasvereeniging op, die zich in de eerste plaats ten doel stelde een doopbassin met toebehooren in “de kapel” te verkrijgen. Nieuwjaarsdag 1866 hield de gemeente het eerste liefdemaal, [156] waarbij ook Christenlieden buiten de gemeente genoodigd werden. Omstreeks vijftig personen, allen met blijdschap op het gelaat, zaten aan den disch, waarbij de Neui een toespraak hield over de beteekenis en het karakter der agapè. De eenigheid des geestes werd zoo gevoeld, dat de harten zich ontsloten en allen het luide uitspraken: “de Heer is zegenend in ons midden.”

De Neui was een vurige, hartstochtelijke natuur. Zijn ijver kende geen grenzen en hij spaarde zich zelven nimmer. Hij predikte veel onder tranen, in de eerste jaren des Zondags driemaal, later tweemaal en in de week schier eiken avond in een nabijzijnde plaats. Toen hij aan den avond van den 7den Januari 1866 voor de derde maal het Woord verkondigde, innerlijk ontroerd “over die eeuwige liefde Gods, die Abrahams zoon spaarde, maar Zijn eigen Zoon in den dood gaf om Zijne uitverkorenen te redden”,[13] kon hij niet meer. De koorts woelde hem door de leden en bange dagen braken voor hem aan. Hij geraakte in een zielsangst, die aan zijn hoop elken ankergrond ontnam. De pokkenepidemie, die honderden slachtoffers maakte, greep ook hem aan. Zijn vrouw werd eveneens op het ziekbed geworpen. Toch brak zich het licht weer baan in zijn ziel, “met zulk een overstrooming van genade en vrede, dat hij zijn legerstede met vreugdetranen bevochtigde.” Sedert kende hij geen morren meer, maar 't was: “sla maar toe, Vader, want het is louter liefde.” Na zijn herstel bezocht hij met een bewogen hart vele pokkenlijders.

Toen de broederschap uit ongeveer veertig leden bestond, oordeelde de Neui dat de tijd rijp was voor gemeentevorming. Allen drongen er op aan, dat hij het ambt van oudste op zich zou nemen, maar daartoe kon hij niet besluiten. Hij achtte zijn roeping meer gelegen in het rond-[157]-reizend predikerschap. Den 23sten Mei 1866 werden met oplegging der handen en onder de gebeden van S.U. Janssen ouderling te Hamswerum, M. Swijter, leeraar te Neermoor en de Neui, de eerste ambtsdragers bevestigd, nl. S.J. Idzinga, F. Hofstra en M. Roorda. Den 20sten October 1866, de Neui's geboortedag, had de constitueering der gemeente plaats. Vijf uren lang was men bijeen met zulk een hartelijke liefde, dat allen gevoelden: “deze stichting is niet uit ons, maar uit den Heer.” Toen Janssen, Swijter en de Neui eenige dagen daarna een bedevaart deden naar het kerkje van Menno Simons te Witmarsum en met een blik op diens portret aldaar het diep betreurden, dat de geest van dezen man niet meer de Doopsgezinde gemeenten bezielde, verblijdden zij zich in de gedachte, dat de geest des Heeren te Franeker nieuwe dingen wrocht, die als een voortzetting en een aanvulling van Menno's werk mochten beschouwd worden.

Het doopbassin in de “kapel” was December 1867 gereed en de eerste doopplechtigheden baarden in het aan traditioneele vormen zich hechtende Franeker groot opzien. Zelfs uit omliggende plaatsen kwam men het ongewone schouwspel zien. Den 13den Januari 186S des avonds te 5 uren doopte de Neui zes personen. Duizend menschen zaten in de “kapel.” Duizend konden onverrichter zake heengaan. Er heerschte een levensgevaarlijk gedrang; gedurende den doop kon nauwelijks stilte verkregen worden. De Neui hield toen, volgens zijn eigen getuigenis, de scherpste maar tevens de meest gezalfde prediking, die hij ooit gehouden heeft, zoodat de mond der spotters verstomde en zeer vele tranen werden geschreid. Van het Avondmaal waren zes honderd toeschouwers getuige.

De Neui zag het voor een wonder Gods aan, dat hij onder den meest ingespannen arbeid, bij al het rusteloos heen en weder reizen, te midden van eindelooze bezwaren en tegenstand staande bleef en het werk zijn voortgang had. Soms had hij het scheepje der gemeente over verbolgen [158] wateren heen te voeren. Hoe kon het spoken als een broeder of zuster wegens berispelijken levenswandel moest worden buitengesloten. In 1868 werd de censuur toegepast op twee diakenen, waardoor veel smaad op de gemeente viel, maar zij was levenskrachtig genoeg om met vaste hand tegen de onwaardige leden op te treden. In 1869 voeren zulke hevige stormen door de gemeente dat de Neui het 't schrikkelijkste jaar zijns levens noemt, waarin alles verloren scheen wat met zooveel moeite was gewonnen. In 1870 klaagde hij in zijn dagboek: “19 Juni, deze dag was zeer ontmoedigend, omdat niet vele toehoorders waren opgekomen en in de gemeentevergadering een zuster moest worden uitgesloten; dat is nu reeds de vierde en één broeder, W. Sleefstra, een sieraad der gemeente hebben wij door den dood verloren en nog geen enkele is weer in de gemeente opgenomen.” De statistiek van I Januari 1871 wees een afname van drie leden aan. Hij gevoelde: het hoogtij is voorbij. Ook mengde vijandschap, een gevolg van de strenge tucht die werd toegepast, menigen bitteren druppel in zijn beker. Toen dan ook een beroep kwam uit Baleyville in Illinois (N.A.), leidden terstond zijn gedachten in de richting van heengaan. Hij woonde 25 Mei 1871 met broeder Hofstra nog de conferentie bij te Ihren, waar hij tot zijn vreugde “den onvergetelijken, lieven broeder Oncken uit Hamburg en nog verscheidene andere dierbare broeders mocht ontmoeten.” Den volgenden dag reisde hij in gezelschap van Oncken en Willms naar Franeker om in overleg met hen alles voor zijn vertrek te regelen. Zondag 28 Mei was voor de gemeente een schoone dag. Des morgens predikte de Neui, des namiddags Wiilms, des avonds Oncken. Ook bracht Oncken een bezoek aan de bloeiende Zondagsschool, die door broeder J. Hemmes met veel toewijding werd geleid. De kinderen stonden op van hun zitplaats en zongen den grijsaard Psalm 134:3 toe. Dit greep hem zoo aan, dat hij zijn knieën boog en God in een vurig dankgebed prees, dat hij verwaardigd werd, na slagen en gevangenissen als het deel zijns bekers [159] gehad te hebben, thans uit kindermonden zich de goedgunstigheid des Heeren te mogen hooren toezingen. Later zond hij den kleinen een pak bijbels, tractaten en boeken.

De Neui leidde voor zijn vertrek zijn opvolger Jan de Weerdt, zoon van een reizend Baptistenprediker uit Ihrhove, in het arbeidsveld rond. Toen nam hij afscheid van de Oost-Friesche gemeenten en van zijn bloedverwanten. Daarna vierde hij den afscheids-Zondag in het midden der Franeker gemeente. Heel den dag was de “kapel” gevuld met broeders en zusters uit alle plaatsen van Friesland, waar hij gepredikt had. Nogmaals sneed zijn woord door de harten, stroomen tranen vloeiden, het Avondmaal was aangrijpend door stilheid, daar tranen ieder woord verstikten. Oncken, wiens vaderlijk hart voor de belangen aller gemeenten klopte, wierp nog een lichtstraal in de droefheid door het bericht, dat hij vijf honderd gulden zou zenden tot afbetaling van de schuld, die nog op de “kapel” rustte. Den 28sten Juni 1871 vertrok de Neui van Harlingen, uitgeleid door zijn gemeente en gedragen door haar gebed, naar de nieuwe wereld, waar hij nog vele jaren zou arbeiden. Met hem ging een man heen, die met zeldzaam vuur had gearbeid en gestreden voor de beginselen, die hem heilig waren.[14] Tot aan het einde van zijn leven bleef hij trouw aan het wachtwoord, dat hij zich van der jeugd af gekozen had: “dat ik leef is niet nuttig, maar dat ik werkzaam ben.”[15]

De Weerdt, die hem opvolgde, bezat niet de welsprekend-[160]-heid van de Neui, maar alle gaven om als een wijs, liefdevol, voorzichtig herder de gemeente te leiden. Gedurende de twintig jaar, welke hij haar voorging, breidde zich de gemeente voortdurend uit, zoodat het aantal leden met inbegrip van dat der predikstations, bij zijn vertrek naar Amerika, in Meimaand 1891, ongeveer twee honderd bedroeg. Aan strijd ontbrak het evenwel niet. Eenigen, voornamelijk wonende te Weisrijp, die sterk het leerstuk van de uitverkiezing dreven en geregeld onder zijn gehoor opgingen, wilden in de gemeente worden opgenomen, doch daartegen verzette hij zich, daar hij hen niet achtte te staan op den bodem der Duitsche belijdenis. Er waren echter ook anderen, die zich vóór opname verklaarden. Hieruit ontstonden vaak pijnlijke botsingen. Eerst toen A. Karssiens[16] in 1891 voorganger werd, traden de Weisrijpers tot de gemeente toe.[17]

Sedert Franeker, met Karssiens' vertrek naar Stavoren, in 1902, geen voorganger heeft, die zich geheel aan den arbeid in de gemeente kan wijden, verkeert het gemeentelijk leven in een kwijnenden toestand.

 


[1] Bronnen voor dit hoofdstuk zijn: a. Dagboek van P.J. de Neui, waarvan een groot deel mij in copie werd toegezonden door zijn zoon H.P. de Neui te Tyndal, S. Dak, (N.A.); b. Een opstel van P.J. de Neui in “Sendboten”, Organ der Deutschen Baptisten in N.-Amerika; c. Opstel van H. Willms, ouderling te Ihren in “De Boodschapper”, weekblad onder redactie van G. Velthuysen, 1877, no. 40— 60; d. Beschrijving van den oorsprong der gemeente te Franeker, opgesteld door P.J. de Neui in het gemeenteboek; e. Mitteilungen von P.J. de Neui in “Hamburger Missionsblatter” 1864—70. Een korte levensbeschrijving met portret verscheen in de Friesche volkstaal in mijn boek “It Fryske Réveil yn portretten”, Sneek 1911, blz. 195 v.v.

[2] Zijn ouders heetten Johannes Derks de Neui en Reentje Janssen Bruins.

[3] Zijn eigen woorden uit het Franeker gemeenteboek.

[4] Het verhaal van de Neui is hier zoo getrouw mogelijk gevolgd.

[5] Het volgende verhaal is overgenomen uit “De Boodschapper”, red. G. Velthuyzen, 1877, no. 40—46.

[6] Weekblad in het belang der ware Gereformeerde kerk in Nederland, no. 5 1858.

[7] Franeker 1861.

[8] Van 30 Augustus 1861.

[9] Groningen, en Leer .1863.

[10] Dit schrijven werd ontvangen begin Maart 1864.

[11] Blijkens een brief d.d. 10 Nov. 1864 aan Tekelenburg te Amsterdam, kwam het geheele gebouw met reparatie's en kosten van verkoop op f 2200.

[12] Zie hoofdstuk VIII.

[13] Hier blijkt duidelijk de Neui's Calvinisme. Hij verheelde 't dan ook niet dat hij de Liefde's leer van de algemeene verzoening allerverderfelijkst vond.

[14] Toen de Neui in Friesland kwam, werd daar geen Baptist gevonden. Na zes jaren liet hij te Franeker een geordende gemeente achter van 91 leden. Hij heeft in zestien gemeenten gewerkt, waarvan te Ihren, Weenen, Ditzummer Verlaat, Leer, Emden, Firrel, Norden, Franeker, Makkum, Baleyville, Grand Rapids, Oeorge, Steamboat Rock, Buck Grove kapellen gebouwd of gekocht werden. Hij stierf 12 Febr. 1907 in George (lowa). Zijn vrouw heette Katharina Johanna Cramer, met wie hij 15 Aug. 1854 in het huwelijk trad.

[15] Brief aan Tekelenburg I Juni 18(59. Een treffend “In Memoriam” over hem schreef D. Laansma, Bapt. voorganger te Grand Rapids, in “De Christen” van 28 Maart 1907.

[16] Over zijn arbeid te Vriescheloo. Zie hoofdstuk VIII.

[17] De houding van de Franeker gemeente tegenover de Unie en den Noord-Westelijken Bond wordt besproken in hoofdstuk XI.

 

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman