Hoofdstuk 5

Aan het Stadskanaal

[124] In den zomer van 1855 had aan het Stadskanaal het eerste bezoek plaats van de evangelisten, die door Ds. de Liefde te Amsterdam werden uitgezonden.[1] 15 Mei kwam Menkhoff om onder de duizenden Duitschers, die in de veenen arbeidden, te evangeliseeren. Een reusachtige houten schuur waar hij zou prediken, was in aanbouw. Zondag 20 Mei trad hij daarin voor het eerst op in tegenwoordigheid van een grooten toevloed van Duitschers. In de week zag men hem rondzwerven op de veenen om de menschen bij ploegen toe te spreken.

Door deze evangelisatie werd ook de ingezetene bevolking, die eveneens in diepe onkunde verzonken lag, met het Evangelie in aanraking gebracht. Niet zelden gebeurde het, dat wanneer Menkhoff met zijn langenooten, hetzij in de hutten of in het open veld een lied zong, verscheidene Groningers of Drenthen kwamen aanloopen, die hij alsdan nog in hun moedertaal toesprak.

In de maand Juli werd hij vervangen door K. Holleman, die in de stad Groningen onder de Roomschen met bijbels colporteerde. Hij richtte zich naar Stadskanaal in de hoop er een afdeeling der Vereeniging tot Heil des Volks te zullen vestigen. Een broeder der Baptistengemeente Albert Wolters, vroeger onderwijzer, thans opzichter bij de veenderijen, een ontwikkeld anan, woonachtig in den Drouwenermond stelde zijn schuur voor Holleman beschikbaar. Toen deze voor een vrij talrijk opgekomen schare het Evangelie had gepredikt, [125] deed hij na afloop daarvan moeite om leden te winnen voor een te oprichten afdeeling der Vereeniging tot Heil des Volks. Het gelukte hem daarvoor negen personen te vinden, waartoe o.a. behoorde de gewezen hoofdonderwijzer E.J. Hardenberg te Stadskanaal, een geestverwant van Ds. de Liefde[2] en een beslist voorstander van den doop der geloovigen, hoewel hij zich niet voegde bij de Baptistengemeente. In Augustus wisselde Menkhoff, die inmiddels onder de Duitsche grasmaaiers in de Friesche dorpen en steden gearbeid had, Holleman af en onder zijn leiding kwam 12 Augustus 1855 de begeerde afdeeling tot Heil des Volks tot stand. Deze huurde een voormalige herberg en begon daar met een Christelijke naai- en breischool en een Zondagsschool. Toen de winter aanbrak en Menkhoff c.s. verre waren, werd de begeerte naar een vasten evangelist levendig en zoo kwam 't dat Hardenberg een dringend schrijven richtte aan een leerling van de Liefde, n.l. Eduard Gerdes,[3] die hem eenigszins bekend was, om tot hen over te komen. Gerdes evangeliseerde tot dusverre in de avonduren onder de arbeidersbevolking van Oostenburg, Kattenburg en Wittenburg, terwijl hij des daags de lessen van zijn leermeester genoot. Tevens was hij voorzitter van de afdeeling Amsterdam der Vereeniging tot Heil des Volks. Hij had evenals de Liefde een welversneden pen en de gave van boeiend te kunnen vertellen en een goed vers te kunnen maken. Op het Kerstfeest van het jaar 1858 werd zijn lied “Daar ruischt langs de wolken” — sedert ontelbare malen herhaald — voor het eerst gezongen door de havelooze kinderen uit de Willemstraat in de Liefde's kerkgebouw “Eben Haëzer” op de Nieuwe Zijds Achterburgwal te Amsterdam.[4]

[126] Het was in de maand April 1858 dat Gerdes eindelijk gehoor gaf aan Hardenberg's herhaalde aanzoeken en met zijn gezin zich in de toenmaals reeds bloeiende veenkolonie vestigde.[5] Hardenberg mocht helaas zijn komst niet meer beleven. Een paar maanden te voren had hij het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Daar de naai- en breischool in de voormalige herberg inmiddels was opgeheven, werd aan Gerdes die woning in huur afgestaan, en den eersten den besten Zondag voldeed hij aan zijn roeping en sprak hij des avonds in een lokaaltje achter zijn huis voor een groot aantal nieuwsgierigen. Toen ging hij huisbezoek doen om de te niet gegane Zondagsschool van “Heil des Volks”, weer op de been te krijgen. Ook begon hij den arbeid onder de Duitsche turfmakers en evenals Menkhoff en Holleman riep hij ze bij tienen of twaalven tezamen, las met hen een gedeelte der Heilige Schrift, bad en zong met hen en verzamelde dan weer een andere ploeg. Zondagmorgen 9 Mei sprak hij voor ongeveer drie honderd Duitschers in de kegelbaan van een herberg. Daar Gerdes een Duitscher van afkomst was viel 't hem niet moeilijk de mannen in hun landstaal toe te spreken. Een maand lang zette hij deze godsdienstoefeningen voort, totdat het baggervolk voor de hooiïng naar Friesland trok. Eer zij heengingen kwamen velen hem nog een groet brengen en hij gaf hun tot afscheid traktaatjes mee van de “Niedersächsische Gesellschaft zur Verbreitung Christlicher Erbauungsschriften." Na hun vertrek zette hij zijn lokaal open voor het evangelisatiewerk onder de ingezetene bevolking. Hij hield er des Zondags van half tien tot half twaalf evangelieprediking, van één tot twee uur Zondagsschool voor kinderen; van drie tot vijf uur evangelieprediking; van 6½ tot 7½ uur Zondagsschool met meer gevorderden. Tevens hield hij Donderdag-avonds van 6—8 uur een bijbellezing.

[127] Toen de gemeente te Gasselter-Nijveen van dezen arbeid hoorde, noodigde zij Gerdes uit ook voor hen te komen prediken. En zoo trad hij 19 Sept. 1858 voor de eerste maal op in de ruime schuur van Roelf Reiling. Sedert geschiedde dit elken Dinsdagavond van 4—5 uur voor kinderen, van 5—6 uur voor jongelieden en van 6—8 uur voor ouderen.[6] Den 21sten Augustus verscheen onder zijn redactie het weekblad “Bode van Stadskanaal.” De eerste bladzijde behelsde nieuws van de koninkrijken der aarde, de tweede Schriftoverdenking, de derde berichten van in- en uitwendige zending, de vierde mededeelingen en advertentiën. Wegens het zegelrecht werd het blad echter te duur en daar het elders gedrukt werd, verliep te veel tijd. Daarom gaf hij het na een kwartaal op en veranderde hij het in een maandblad, dat Januari 1859 verscheen onder den naam “Bode des heils, een stem tot nadenken voor het volk en tot opwekking van Christelijk geloof.” Tevens begon hij openbare volkslezingen te houden over historische en maatschappelijke onderwerpen. Ook werd een afdeeling gesticht van de pas opgerichte Nederlandsche Zendingsvereeniging, en een Christelijk leesgezelschap. In Maart 1859 kreeg Gerdes hulp in een jongen man A. Coolsma,[7] die meermalen te kennen had gegeven, dat het zijn lust was als Evangelist opgeleid te worden. De vrienden in Holland zorgden dat hij gedurende een half jaar bij Gerdes kon inwonen. Hij vond zijn bijzonder arbeidsveld in de z.g.n. Vrijstad, aan de overzijde van het kanaal, het toevluchtsoord van eenige arbeiders, die bij gebrek aan geld en bouwmateriaal, in hutten van turf, met plaggen bedekt, woonden. Ook kreeg hij daar gelegenheid des Zondagsmorgens te prediken. Later [128] in het najaar van 1859 ging hij bovendien evangeliseeren te Gieter- en Bonnerveen.[8]

De zegen op al dezen arbeid bleef niet uit en de roep er" van ging over de gansche omgeving. Zoo kwam het dat Gerdes verzocht werd het Evangelie te verkondigen te Veendam, waar vroeger reeds zendeling Grimm in schuren en stallen werkzaam was geweest. 12 Sept. 1858 sprak hij er voor de eerste maal in een schuur voor een talrijke vergadering. Later kreeg hij er een lokaal en daar Veendam drie uur van Stadskanaal lag, reed broeder Wolters hem er Zondags na den morgendienst heen, zoodat hij nog tijdig voor de Zondagsschool terug was. Meestal was het lokaal stampvol. De tegenstand bleef echter niet uit. De logementhouder wilde opeens het paard van Wolters niet meer stallen. Een rumoerige menigte stond luid schreeuwend voor het lokaal, zoodat toegang schier niet was te verkrijgen en de politie er bij te pas kwam. Dreigbrieven werden geschreven. Op zekeren dag barstte het smeulend vuur ui laaie vlammen uit. Gerdes sprak over de opstanding des Heeren Jezus Christus en over de dwaalleeraars, die dit groote heilsfeit ontkenden. Plotseling hieven vier, zes, acht mannen dreigend hun vuisten omhoog en bulderden hen toe : “nu hebben wij er genoeg van!” waarna zij vertrokken. Toen het huurcontract was afgeloopen kon Gerdes het lokaal niet op nieuw krijgen en was hij wel genoodzaakt Veendam als evangelisatiepost op te geven. Ook van Afgescheiden zijde zag men het werk met leede oogen aan. Want het was geen geheim meer dat Gerdes zich bij de Baptistengemeente had aangesloten. Toen dan ook een lid der Christelijk Afgescheiden gemeente te Buinermond hem ging hooren en op Gerde's aandringen aldaar op 14 Nov. 1858 een Zondagsschool begon, werd hij eenige weken later door zijn kerkeraad gecensureerd.

Hoewel velen door al dezen arbeid voor het Evangelie [129] gewonnen werden,[9] moest Gerdes erkennen, dat de kern die niet groote, maar besliste kring bleef, welke onder de bezieling van Feisser den doop der geloovigen had omhelsd. Zelf achtte hij, evenals zijn leermeester, dien doop van minder beteekenis, maar ter wille van het werk en van de zwakheid der broederen, liet hij zich ook doopen. Tegen den doop in open water maakte hij echter bezwaar en zoo werd er een groote houten doopvont gemaakt, die met schroeven in elkaar kon worden gezet. Bij Roelof Reiling in de schuur is toen de doop van Gerdes in warm water door Jannes Kruit voltrokken. Dat deze wijze van doopen de volbloed-Baptisten tegen de borst stuitte, laat zich begrijpen. En toen naar hun oordeel heel de arbeid van Gerdes niet leidde tot een zuiver gemeentelijk leven, kon op den duur de breuk niet uitblijven. Velen van de nieuwe bekeerlingen wilden den doop der geloovigen niet ondergaan. Toch had Gerdes geen bezwaar om met hen het Heilig Avondmaal te vieren. De Baptistengemeente protesteerde daar tegen met alle kracht en hield op eigen gelegenheid Avondmaal. Daardoor was metterdaad de scheiding een voldongen feit en samenwerking een onmogelijkheid geworden. Gerdes achtte het dan ook geraden om heen te gaan en vertrok in het najaar van 1859.

De Liefde oordeelde echter dat de zegenrijke arbeid moest worden voortgezet en vond zijn leerling Jacob Witmond bereid de plaats van Gerdes in te nemen.

Witmond was geboren te Hillegersberg bij Rotterdam (11 Februari 1832) en als onderwijzer werkzaam in zijn geboorteplaats, te Vlaardingen en te Leiden. De Liefde engageerde hem als gouverneur voor zijn kinderen, doch ontdekte al spoe-[130]-dig in hem den aanleg voor evangelist. Hij bood aan, hem daarvoor op te leiden en zoo volgde Witmond met Menkhoff, Hardenberg, Simons en Ginjoolen zijn lessen. In 1857 arbeidde hij gedurende de avonduren in een gedeelte van Amsterdam, bekend onder den naam van de Laurierbuurt, waar een bevolking van ongeveer tienduizend zielen aan onkunde, onzedelijkheid en verwaarloozing ten prooi gelaten was. Ook verving hij gedurende eenige maanden zijn vriend Holleman, die het evangelisatiewerk te Leeuwarden had geopend.

In het begin van 1860 vinden wij hem te §tadskanaal-Onstwedde met alle kracht aan den arbeid.[10] Hij sprak geregeld elke week bij A. Wolters in den Drouwenerrnond. bij H. Kruit in den Boerveenschen mond en bij R. Reiling te Gasselter-Nijveen. Doch ook in wijderen kring strooide hij het zaad des Evangelies uit, zoodat hij voor velen ten zegen werd en de gemeente in 1864 uit negentig gedoopte leden bestond.[11] Witmond toch had, door zich te laten doopen, zich voor den doop der geloovigen verklaard en in de eerste jaren ook het gesloten Avondmaal voorgestaan. Doch in 1864 hield ook hij zich niet meer aan het zuivere Baptistische beginsel, hetgeen aanleiding gaf tot nieuwe verdeeldheid. Toen hij dan ook in het volgend jaar gelegenheid vond als evangelist te Haarlem werkzaam te zijn, verkoos hij dat arbeidsveld boven de Veenkoloniën en vertrok.[12] Zijn invloed was van dien aard, dat nog vele jaren later de [131] Baptisten door het volk “Witmonders” genoemd werden. Voor de gemeente had zijn arbeid, zoowel als die van Gerdes, daarom groote beteekenis, wijl hij haar geleerd had het isolement, waarin zij alles “wereld” achtte wat niet Baptist was, te verbreken en uit te gaan op de wegen om het verlorene te zoeken en te redden. Op die wijze ontving Feisser nog voor zijn dood, correctie van de Liefde. Hunne wegen waren vroeger uiteengegaan. Maar nu vulden zij elkander aan. Toch werd dit slechts ten deele erkend. Toen Feisser 3 Juni 1865 de oogen sloot en de gemeente weer als vroeger voortging met het geregeld bijeenkomen tot onderlinge stichting, stelden velen zich daarmede tevreden. Slechts enkelen hoopten en baden dat het God mocht behagen den weg te banen om nog meer dan te voren tot een geregelden gemeentelijken arbeid te geraken, ook naar buiten, en een geschikten voorganger in plaats van Witmond te verkrijgen.

Deze bede werd verhoord door de komst van Hendrikadius Zwaantinus Kloekers, die langs verre, wonderlijke wegen naar Stadskanaal werd geleid.

Hij werd 7 April 1828 geboren te Veenhuizen,[13] waar zijn vader chef was van een der gestichten, het jongensweeshuis. Zijn moeder was eene godvreezende vrouw, die haar kinderen dikwijls vertelde van het zendingswerk onder de heidenen, hetgeen den kleinen Tinus bij zekere gelegenheid deed zeggen: “Als ik groot ben, wil ik zendeling worden.” Na het overlijden zijner moeder vestigde zijn vader zich te Assen, en de toekomstige zendeling, die toen ongeveer elf jaren oud was, werd door een oom, die boer was, meegenomen naar Coevorden, waar hij hem op de koeien liet passen en voor zijn leeftijd hard liet werken. Dit ging echter op den duur niet, en hij keerde naar zijn vader te Assen terug en kwam later als klerk bij den ontvanger der registratie.

Onder den invloed van de prediking der Afgescheidenen [132] leerde hij zijn verloren toestand voor God inzien en begon hij vrede te zoeken voor zijn hart. Maar nu vermeerderde de gedachte: “Als ik mij aan den Heer overgeef, dan zal ik naar de heidenen moeten gaan”, zijn zielestrijd zeer, totdat hij eens op een avond, langs een eenzamen weg buiten Assen gaande, de knieën boog en met de woorden: “Heer, ik geef mij aan U, ook voor de heidenen, zooals Gij wilt”, rust vond voor zijne ziel.

Zijn blijdschap was groot, en vol liefde tot den Heer en uit ijver voor zijn zaak begon hij van Hem te getuigen, en waagde het zelfs om den ontvanger aan te spreken over zijn vloeken. Dit kostte hem zijn betrekking, en wat nog harder voor hem was, toen zijn vader dit hoorde ontzeide hij hem het huis. Hij deelde zijn moeilijken toestand mede aan een ouderling der Afgescheidenen, Jan Koetsier, die hem kende en liefhad, en terstond hart en huis voor hem openstelde, en als een vader voor hem zorgde. Hij was een eenvoudig man en oprecht christen, die den jeugdigen belijder in alles trachtte te helpen.

De jonge Kloekers wenschte nu ook lid te worden van de Afgescheidene kerk, en na de catechisatie bezocht te hebben, zou hij belijdenis doen. Bij die gelegenheid vroeg hem de leeraar: “Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?” Hij antwoordde: “Dat weet ik niet.” “Weet je dat niet? Geloof je dan niet dat Hij een persoon is?” “Ik weet het niet.” “Geloof je dan, dat Hij geen persoon is?” “Dat weet ik ook niet.” De kerkeraad oordeelde, dat zoo iemand niet aangenomen mocht worden en wees hem af. Dit was hem ontzettend hard; zijn Heiland was hem alles en hij verlangde zoo om met degenen, die een even dierbaar geloof met hem deelachtig waren, verbonden te worden en Zijnen dood te gedenken bij het Avondmaal.

Dit was hem nu ontzegd, en toen hij bij de later gehouden Avondmaalsviering in de kerk zat, liepen hem de tranen over de wangen. Jan Koetsier zag het, en maakte er den predikant opmerkzaam op, die den jongen man een wenk [133] gaf om te naderen en het Heilig Avondmaal mee te vieren. Dit maakte een diepen indruk op hem en hij gevoelde, dat het niet naar den Geest des Heeren was, om dogmatische kennis te stellen als voorwaarde van het lidmaatschap der gemeente en van de viering van het Avondmaal.

Later kwam hij in aanraking met Mr. van der Brugghen, de ziel der christelijke Normaalschool op den Klokkenberg, die hem aanspoorde om zich voor het onderwijs te bekwamen. Hij nam dit aan, maar deelde Mr. van der Brugghen mee, hoe het in zijn hart gesteld was ten opzichte van het zendingswerk, en dat hij wenschte vrij te blijven, in geval hij later gelegenheid zou vinden om naar de heidenen te gaan.

Als kweekeling kwam hij vaak in aanraking met Ds. O.G. Heldring te Hemmen, die groote verwachtingen aangaande hem koesterde[14] en hem in aanraking bracht met Mr. Groen van Prinsterer en Ds. N. Beets te Heemstede. Heldring ging toen zwanger van vele plannen. De toenemende armoede en de nood der heidenen lieten hem niet met rust.[15] Kolonisatie en het uitzenden van Christen-werklieden achtte hij plicht. En Kloekers zou daarvoor de aangewezen man zijn. Eerst droeg hij hem op het geleide van een transport arme kolonisten uit de Betuwe naar den Anna-Paulownapolder. Vervolgens zond hij hem een dag naar Beets en Groen van Prinsterer ter kennismaking, met het oog op Indië. Hij had hem nl. bestemd voor christelijk boekhandelaar op Java. Maar Beets zag daarin geen heil en schreef aan Groen: “ik heb den ganschen dag met Kloekers omgegaan en hem, voor zooverre ik zien kan, bevonden een jongmensch van [134] zuivere en hartelijke evangelische overtuigingen. Zijn bekwaamheden en kundigheden zijn, dunkt mij, niet zeer vele. Wat mij betreft, ik geloof dat wij hem naar de Oost voorthelpende, waar hij wenscht te wezen, zal voldoen aan het doel, dat wij ons hebben voorgesteld: het besprongen van dat gedeelte der aarde niet het zout der aarde. Maar ik heb nog al groot bezwaar in dat denkbeeld van boekhandelaar en zie niet hoe een verkooper van christelijke boeken in de Oost zijn bestaan zal kunnen vinden of zelfs gedurige werkzaamheid. Worden er in het moederland zooveel christelijke boeken gedrukt en kan de toezending daarvan zoo geregeld zijn, dat Kloekers op den duur aan den gang blijft? Dit zijn vragen, die ik niet beantwoorden kan, maar die ernstige overweging verdienen. Kloekers zelf schijnt mij toe niet veel doorzicht in de zaak te hebben en alles af te doen met het geloofswoord: “Met mijnen God spring ik over een muur.” Wat zekerlijk genoeg is voor hem, maar niet voor ons om hem misschien tegen een muur te zetten.”[16] Van het plan is dan ook niets gekomen. Een geheel ander zendingsveld zou voor hem zijn bestemd. Het bezoek van Dr. K. Gützlaff, den vermaarden Chinazendeling, in April 1850 aan de voornaamste steden van ons vaderland[17] deed velen voor zijn arbeid ontvlammen en had de oprichting van een China-comité ten gevolge. Dit deed een oproeping voor de opleiding van één zendeling-kweekeling en uit de twintig die zich aanmeldden werd Kloekers gekozen. Hij bereidde zich voor te Rotterdam in het zendingshuis van het Nederlandsche Zendelinggenootschap, waar hij door eigen Schriftonderzoek overtuigd werd van den doop der geloovigen. [135] Voor zijn vertrek sprak hij er over met Ds. Hazebroek, secretaris van het comité, maar daarbij bleef het. Zoo ging hij in 1854 zonder eenigen sympathie voor den kinderdoop naar Shangaï,[18] waar hij niet zonder zegen onder de Chineezen arbeidde. Onder invloed van Engelsche Baptisten kwam hij tot rijpe overtuiging in zake den doop, zoodat hij in 1858 den doop der geloovigen ondergang.[19] Het Chinacomité liet hem toen los en ontbond zich. Hij begaf zich nu naar Engeland, waar hij in dienst trad van de Baptist Missionary Society, die hem weer naar China zond, waar hij tot  1865 werkzaam was. Met verlof teruggekeerd naar Europa, werd hij uit den dienst van het genootschap ontslagen, omdat hij met zijn ambtgenooten, die evenals het comité voor open communie waren, hetgeen zijns inziens tegen de Heilige Schrift was en noodwendig tot allerlei verwarring aanleiding moest geven, niet kon samenwerken.

Hij keerde nu naar Nederland terug, met het doel om er voor Gods koninkrijk te gaan arbeiden. Van Nederlandsche Baptisten wist hij niets. Hij begaf zich eerst naar zijn vaderlijken vriend. Ds. O.G. Heldring, om zijn in China geboren dochtertje, dat in Londen op eene kostschool was, naar de door dezen gestichte Normaalschool te brengen.

Heldring wist hem te verhalen van een machtige opwekking te Breda door de bezielende prediking van den gewezen Zuid Afrika-zendeling W.A. Groenewoud. Deze begaafde man was afkomstig van Enkhuizen, in die dagen een broeinest van sectarisme,[20] waar hij in manufacturen deed. Hij kreeg begeerte om zendeling te worden, werd daarvoor opgeleid aan het Schotsche seminarie en omstreeks 1858 met zijn vriend van der Rijst voor rekening van de Hollandsche Gerefor-[136]-meerde kerk in Zuid Afrika naar de Kaap gezonden. Na daar eenigen tijd te hebben gearbeid, bedankte hij ineens voor zijn lidmaatschap en stichtte de secte van het Nieuwe Jeruzalem. In Juli 1866 teruggekeerd naar het vaderland, hield hij zijn rechte gevoelens verborgen en wist zich te midden van den angst, die heerschte voor de cholera, door zijn gemoedelijk spreken bij godvreezende lieden in te dringen. Hij hield op verschillende plaatsen, o.a. te Utrecht in de kerk der Afgescheidenen, openbare meetings. Zoo kwam hij ook te Breda, waar de christelijke hoofdofficier W. August Schoch een zaal had ingericht voor bijbelbespreking en evangelisatie. Groenewoud trad daar op en sprak o.a. over het verkeerde om zonder nadenken in de voetstappen van anderen te gaan, b.v. “wij heeten gedoopte Christenen, maar dat is niet waar: gij zijt niet gedoopt, want de predikant heeft slechts zijn eigen vinger gedoopt,” Het gansene gehoor geraakte bij die woorden in beweging. Na afloop der samenkomst had ten huize van Schoch, bij wien hij logeerde, een scherpe woordenwisseling tusschen hem en de Bredasche vrienden plaats. Zonder tot een bevredigend einde te komen begaf ieder zich naar zijn slaapkamer. Den volgenden morgen ontmoette Groenewoud in de ontbijtkamer eerst de gouvernante, die hem verklaarde van het eerste oogenblik af van de doopwaarheid overtuigd te zijn en daarom begeerde gedoopt te worden en haar geloof in Christus naar zijn bevel te belijden. Een oogenblik later kwam Mevrouw Schoch met roodgeweende oogen binnen en bekende hem, dat zij den ganschen nacht bezig was geweest met lezen, bidden en spreken met haar man, en dat zij zich nu niet moer tegenover de waarheid wilde plaatsen. Nog een weinig later verklaarde Schoch hetzelfde. Een andere familie werd het woord van Groenewoud ook te machtig. De gansche Christelijke aristocratie van Breda geraakte in beroering. De moeder van een predikant kwam haastig uit Den Haag om haar dochters van de ongehoorde nieuwigheden af te houden, maar ook zij werd met haar gansciie gezin gewonnen. [137] Kortom, binnen weinige dagen doopte Groenewoud zestien personen in de rivier de Mark.[21]

Dit alles en nog veel meer bijzonderheden wist Heldring aan Kloekers te verhalen en hij verzocht hem naar Breda te gaan omdat zijn tegenwoordigheid de beweging misschien ten goede kon komen en bewaren voor gevoelsbuitensporigheden. Met een getuigschrift van Heldring voorzien voldeed hij aan dien wensch en bevond de dingen, zooals ze verhaald waren. Hij zag er ook een waaiing in des Heiligen Geestes[22] en had geen bezwaar des Zondags met de gedoopten het Heilig Avondmaal te vieren. Van nauwere aansluiting bij dien kring was echter geen sprake. Wel hoopte broeder Tekelenburg, die uit Breda het maandblad “de Morgenstond” ontving, “dat het den Heer mocht behagen om nog eens een bijeenkomst in het leven te roepen van zulke broeders, die te zamen één Heer, één geloof en één doop belijden, b.v. van Stadskanaal, Makkum, Franeker, Breda en Amsterdam.”[23] Maar toen een paar jaar later de schromelijke uitspattingen van Groenewoud en de zijnen in Wellington, het middelpunt van het Nieuwe Jeruzalem aan het licht kwamen, brak men alle gemeenschap met hen af.[24]

[138] Toen Kloekers met Tekelenburg kennis geraakte, vernam hij van hem allerlei bijzonderheden aangaande de Baptisten in de Groninger veenkoloniën en verlangde hij hen nader te leeren kennen. Zoo bracht hij November 1866 een bezoek aan Stadskanaal. Vandaar vertrok hij naar Groningen, waar hij logeerde bij A. C. de Zwart, onderwijzer aan de Christelijke school aldaar. Hij trad daar ook in het openbaar op met de prediking van het volle Evangelie des kruises, hetgeen een geweldigen indruk in de stad teweegbracht. Smaad, laster en tegenwerking openbaarden zich bij velen, maar ook achting en eerbied bij anderen.[25] Toen hij weder gereed stond om te vertrekken, ontving hij een schrijven van A.L. Wolters en H. Kruit namens de gemeente te Stadskanaal waarin hem werd medegedeeld, dat de bidstond ten huize van broeder A.L. Wolters aan den Gasselter Boerveenschen mond op 28 November door al de broeders en zusters der gemeente was bezocht en dat, na het gebed tot den Heer om leiding en besturing, gesproken was over de evangelisatie in hun midden, in deze streken en over het geheele vaderland; dat toen allen den wensch hadden uitgesproken dat hij in hun midden eerlang zou komen wonen “om steeds een aardsch tehuis bij hen en broeder Kruit en in de gemeente te hebben.”

Kloekers was door dit schrijven diep getroffen, maar wist voor dat oogenblik niet wat hij daarop moest antwoorden, dewijl het eigenlijk zijn plan was, om in een der groote steden te gaan arbeiden. Toen hij kort daarop echter een beroeping als voorganger der gemeente ontving, begaf hij zich, 26 December 1866, andermaal naar Stadskanaal en verklaarde zich bereid de beroeping op drie voorwaarden aan te nemen: 1e dat de gemeente zou verklaren wat zij was, [139] wat zij bedoelde en hoe zij dat doel wenschte te bereiken; 2e dat zij een lokaal zou hebben waarin ook de doop behoorlijk kon verricht worden; 3e dat er een boek zou aangelegd worden, waarin de namen der leden en de handelingen der gemeente behoorlijk zouden worden aangeteekend.[26] Toen de broeders hiermede hun instemming betuigden, werden terstond zestien voorloopige artikelen van orde opgesteld. Hij nam 11 Januari 1867 zijn intrek bij broeder Wolters, en verbond zich 15 Januari aan de gemeente met een predikatie over I Cor. 2:2. Deze samenkomst had plaats in het huis van den oud-onderwijzer Hardenberg, dat voor dit doel was gehuurd.

Kloekers had terstond een pijnlijke zaak ter hand te nemen, nl. van den evangelist de Vrieze, die uit de Vrije Evangelische gemeente van Holleman te Leeuwarden afkomstig, zich uit eigen beweging hier had gevestigd. Hoewel hij geen lid van de gemeente was, beschouwde hij zich zelf wel als zoodanig, en hij had onder een deel zijn aanhang. Hij nam dan ook deel aan het H. Avondmaal met zijn vriend Wolter Hakse, eveneens lid der Vrije Evangelische gemeente te Leeuwarden, doch 26 December 1862 in den Gasselter Boerveenschen mond door Willem Kruit gedoopt. Zij werden beschouwd als gedoopte gasten. Toen echter einde Januari 1867 weer het Avondmaal op handen was, werd besloten de Vrieze te vermanen daaraan niet deel te nemen, daar hij onder zware verdenking van onzedelijkheid lag. Dit wekte bij eenigen ontstemming, hetgeen nog vermeerderd werd door het invoeren van den doopvont. 30 Januari 1867 deed Johan Heinrich Adolf Koch, een horlogemaker uit Wildervank, zijn belijdenis voor de gemeente en werd hij met algemeene stemmen tot den doop toegelaten. Maar op de vraag waar en wanneer de doop zou verricht worden, ontstond er eenig verschil. Vooral de broeders op 't Zandt, Sikke en Roelof [140] Engelsman,[27] ondersteund door Willem Kruit en G. Gerrits, bleken niets van den doopvont te willen weten en gaven daarvan in een alles behalve zachtmoedig schrijven kennis. De gemeente keurde dit sterk af en droeg aan broeder Wolters op den houten doopvont, waarin o.a. Gerdes gedoopt was, uit de schuur van Reiling naar de kamer van samenkomst in het huis van Hardenberg te laten brengen. Zoo had de doop van Koch Zondag 10 Februari plaats. Den volgenden Zondag echter kwam er protest van de zijde der oppositie. De Engelsmans en de Vrieze stapten al dadelijk verstoord en onder veel rumoer de vergadering binnen. Na de preek trad een der broeders op Kloekers toe en teekende op onstuimige wijze verlet aan tegen het besluit der gemeente ten aanzien van de Vrieze, tegen den doopvont en de regelen van orde. De wanorde, die daarop volgde, was zoo groot, dat Kloekers verklaarde in zulk een gemeente niet te kunnen dienen en voornemens te zijn om morgen Stadskanaal te verlaten. Hij liet zich echter door zuster H. Kruit en broeder A. L. Wolters bewegen om zijn besluit in te trekken. 's Middags had de samenkomst een rustig verloop. Den volgenden avond werd besloten een huis en heemstede te koopen voor f 975 om op die plek een kerkje te bouwen en zoo spoedig mogelijk de statuten en reglementen der gemeente op te zenden ter verkrijging van rechtspersoonlijkheid. Den 28sten Maart werd de kerk aanbesteed, Zondag 7 Juli voor het eerst daarin door Kloekers gepreekt over Nehemia 2:19 en 20 en door de gemeente het Heilig Avondmaal gevierd. Op de plaats van het spreekgestoelte was de doopvont gemetseld.

De Vrieze ging inmiddels ook door met prediken en doopen.[28] Zijn partij beschuldigde Kloekers van kerkelijkheid, [141] omdat hij den kerkbouw met een vasten doopvont had doorgedreven, maar 't kwam uit, dat hij zelf in een bak gedoopt had in den Buinermond. Om aan deze beroeringen een einde te maken werd besloten, dat de gemeenteleden zich aan hem zouden onttrekken. Toen eenigen dit niet deden, werden zij van de gemeente afgesneden. December 1857 vertrok de Vrieze naar Foxhol, waar hij niet zonder vrucht evangeliseerde en zestien personen doopte. In naam heetten zij Vrij-Evangelischen, maar in werkelijkheid waren zij Baptisten.

In de gemeente te Stadskanaal werd het nu rustiger en Kloekers die een ijzersterk gestel had ging met alle kracht in de omstreken evangeliseeren, o.a. te Nieuwe Pekela, waar hij steeds op een flink gehoor kon rekenen. Hij was een ernstig schriftonderzoeker, vlot in het spreken en in den omgang, een vriend van kinderen, maar ook een minnaar van disputeeren en een vurig strijder voor de Baptistische beginselen. In deze laatste hoedanigheid heeft hij de gemeenten voor vervloeiing bewaard en door zijn beginselvastheid in het stuk van doop, Avondmaal en gemeentelijk leven, menigen leerling uit de school van de Liefde voor het Baptisme gewonnen. Zijn heldere, duidelijke Evangelie-prediking was velen ten zegen.


[1] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, jaarg. 1855.
[2] Toen de Liefde heftig werd aangevallen over de oprichting eener Vrije Evangelische gemeente, nam hij het in een opstel “Iets over de kerk en kerkhouden”, in het Volksmagazijn voor hem op, 1856, bladz. 234.
[3] Gerdes is geboren te Cleef, 12 Aug. 1821.
[4] “Volksmagazijn”, 1859, bladz. 125.
[5] Over den arbeid van Gerdes in de Veenkoloniën zie men “Volksmagazijn”, 1860, blz. 171 v.v.
[6] Ook was er later Woensdagsavonds te 5 uren een samenkomst ten huize van broeder W. Werkman te Gasselter-Nijveen. En Zaterdagsmiddags 3 uur ging Gerdes spreken in den Boerveenschen mond ten huize van broeder A. Wever.
[7] Nog in leven, woonachtig te Driebergen, broeder van den oud-Zendingsdirector der Ned. Zendingsvereeniging.
[8] Te Gieterveen werd gesproken bij J. Bok.
[9] In Gerdes' dagen werden gedoopt: Jantje Vos, Hendrikje Kruit, geb. Poersma, Stientje Vos, geb. Zeven, Seigien Hendriks, geb. Meyers, Grietje Hardenberg, geb. de Vries, Anna Coolsma, Jan Reiling, Geesje Kruit, Harm Hekman, Harm Werkman, Harm Kiel, Anna Werkman, geb. Schoonbeek en Filippus Lindeman. Gerdes doopte zelf niet altijd. Meestal werd het gedaan door een broeder, dien de gemeente daarvoor aanwees. Men vreesde alle kerkisme en dominéschap.
[10] De twee laatste jaren van zijn werkzaamheid woonde hij in den Boerveenschen mond.
[11] Volgens opgave van P.J. de Neui aan de “Hamburger Missionsblätter", Juni 1804.
[12] Hij liet toen het Baptisme geheel varen, werd verbonden aan de redactie van “De Standaard”, nam de redactie op zich van het Chr. weekblad “De Werkmansvriend” en was als bestuurslid werkzaam in het Ned. Werkliedenverbond Patrimonium, waarvan hij met K. Kater en B. Poesiat oprichter was. In latere jaren, nadat een zware ziekte zijn gezondheid had geknakt, heeft hij zich met letterkundig werk, o.a. de vertaling van chr. lectuur (Otto Funcke, Spurgeon) bezig gehouden. Hij stierf te Amsterdam 29 Dec. 1899.
[13] Zijn ouders heetten Jan Hendrik Kloekers en Marchien Bouman.
[14] Heldring schreef 13 Nov. 1847 aan Mr. Groen van Prinsterer: “Kloekers en, zoo ik hoop, ook van Calcar brengt u deze, twee mijner kweekelingen, beide tot groote dingen bestemd. God zij met hen. Gun hun eene ure zoo het mogelijk is.”
[15] Zie zijn brochures: a. “De nood en hulp der armen”, Amst. 1845. b. “Wat te denken van en wat te doen in den aardappelennood?”, Amst. 1845. c. “Noodkreet over de belasting op het gemaal”, Amst. 1846. d. “De christenwerkman als zendeling”, Amst. 1847.
[16] Brief van Beets aan Groen 19 Nov. 1847 (Rijksarchief te 's Gravenhage).
[17] B.v. te Groningen, 18 April. Van dat bezoek heeft Prof. P. Hofstede de Groot een belangrijk verslag gegeven in “De zending in China, volgens 't geen Dr. K. Gützlaff den 18 April 1850 daarvan te Groningen mededeelde”, Gron. 1850.
[18] Nauwelijks daar aangekomen stierf zijn vrouw Annichje Louman.
[19] Hij werd gedoopt door Crawford.
[20] Zie over Enkhuizen als broeinest van sectarisme, de “Stemmen voor Waarheid, en Vrede”, 1868 en “Kerkelijk Weekblad”, 1869, no. van 13 Aug.
[21] Dit verhaal is medegedeeld door den Baptistenprediker P.J. de Neui te Franeker in de “Hamburger Missionsblatter” van 1867. Verder zie men over de secte van het Nieuwe Jeruzalem het bijblad van de “Chr. Stemmen”, Sept. 1869; Kerkelijk Weekblad””, 26 Juni 1868 en 12 Maart 1869, en S.D. van Veen, “Eene Eeuw van Worsteling”, Utr., bl. 696 v.v.
[22] Gelijk kan blijken uit de mededeelingen van de Neui, die er o.a. dit van schrijft: “jedenfalls ist die Bewegung ein merkwürdiges Zeichen der Zeit. Es zeigt sich hier wieder, wenn Gottes Geist anfangt zu wehen, so werden alle Widerwertigkeiten umgeworfen, dann weichen alle Hindernisse, dann beben die felsenharten Herzen, dann fangen die Totengebeine an zu leben”, “Hamburger Missionsblatter” 1867. In Maart 1867 schreef hij nog: “In Breda, Amsterdam, Stadskanaal und nach Mitteilungen auch in Groningen scheint Alles zu leben und zu dürsten nach Wahrheit.”
[23] Brief van Tekelenburg aan P.J. de Neui, 6 Mei 1867.
[24] De Neui schreef b.v. aan Tekelenburg 6 Febr. 1869: “Wat de Bredasche gedoopten belangt, zoo kan ik niets meer zeggen dan dat ik ten eenemale bang van die menschen ben, want uit Breda komen al die boekjes die eerst in de Afrikaansche fabriek gesmeed zijn.
[25] Brief van H. Z. Kloekers aan de gemeente te Stadskanaal, 3 December 1866.
[26] Deze en volgende bijzonderheden zijn ontleend aan het gemeenteboek van de Bapt. gemeente te Stadskanaal.
[27] Roelof Engelsman was September 1845 door Feisser gedoopt.
[28] B.v. 16 Juni 1807 Frederik de Wit en zijn vrouw Anna Frouwels. De belijdenis werd afgenomen door Sikke Engelsman en daarna het Avondmaal gevierd, waaraan Sikke Engelsman, Jan Nienhuis en vrouw mede deelnamen. 30 Juni 1867 doopte de Vrieze in tegenwoordigheid van Willem Kruit, Roelof en Sikke Engelsman, P. en J. Nienhuis.

 

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman