Hoofdstuk 4

Een vruchtbaar isolement

[97] Sedert de Liefde met de Amsterdamsche Baptistengemeente gebroken had, kwam hij meer in aanraking met leeraren en leden der Hervormde kerk. Die aanraking was toen nog minnelijk en hartelijk,[1] want bij velen viel een sterke helling tot onkerkelijkheid waar te nemen. Het kerkelijke stond in de jaren 1845—50, toen het Réveil nog breede golven sloeg, geenszins op den voorgrond. De vergadering van Christelijke vrienden, die haar orgaan had in het tijdschrift “Vereeniging Christelijke Stemmen”, was dan ook een soort evangelisch verbond, dat ten doel had Christenen uit alle kerken en gezindheden op een vrij terrein tot gemeenschappelijk bidden, spreken en zoo mogelijk ook handelen te vereenigen. Werkelijk bevonden zich in den eersten tijd dan ook vertegenwoordigers van bijna alle richtingen in haar midden. Het lag in den aard der zaak, dat het grootste gedeelte van hen uit leden der Nederlandsche Hervormde kerk bestond. Maar het aantal dissenters was toch ook aanzienlijk. Men zag er predikanten en leden der Afgescheidenen, der Luthersche en ook leden der Doopsgezinde kerk. Ook de Liefde was een getrouw bezoeker. Ten bewijze van niet-kerkelijkheid der vergadering moge dienen, dat er reeds dadelijk in den beginne een commissie benoemd werd om reglementen en statuten in den geest van het Evangelisch verbond voor de vergadering op te stellen. Tot deze commissie behoorden ook de Utrechtsche Afgescheiden predikant Scholte en de Liefde. Hunne conceptreglementen werden [98] gedrukt en verspreid, evenwel het plan om de vergadering tot een niet-kerkelijk genootschap te organiseeren, kwam niet tot stand, juist omdat men vreesde dat zulk een genootschap mettertijd een kerk zou worden. De opwekking dier dagen werkte bij velen zoo ver, dat zij, zoo het sein er slechts toe gegeven ware, zich met alle liefde van de Ned. Herv. kerk afgescheiden en een vrije kerk opgericht zouden hebben.

Wormser en Groen van Prinsterer waren dat vrijheidsbeginsel echter niet toegedaan. Wormser zag met leedwezen dat de Liefde in zijn evangelisatiegebouw zooveel volk, waaronder uit den deftigen stand, trok. Hij schreef aan Groen: “zoo wordt de kerk meer, ontbonden; alle kerkelijke inrichting en instelling meer uit de gemoederen weggenomen en het verbond der genade, de vastheid en regel voor de gansche gemeente, uit het oog verloren, om plaats te maken voor individueele opvattingen en beschouwingen.”[2] Toch moest Wormser erkennen dat de Liefde in Amsterdam voor niet weinigen ten zegen was en dat zijn evangelisatiewerk ernstigen steun verdiende. Nu, Groen van Prinsterer, de Marez Oyens en van Eijk gaven hem dan ook hun steun. Zij maakten hem zelfs redacteur van het weekblad “de Handwijzer”, dat hem een jaarlijksch honorarium van f 1600 gaf. Het liep echter niet voordeelig met het blad en een andere koers moest worden ingeslagen. Wormser zei hem de bezwaren tegen zijn onkerkelijk standpunt en toonde hem aan, dat hij, zoo voortgaande, eindelijk alleen zou staan. De Liefde gaf hem te kennen, dat zijn opvoeding en studiën hem onkerkelijk gevormd hadden; dat hij wel een positief-kerkelijk standpunt zou wenschen in te nemen en tot de Hervormde kerk overgaan, maar dat de kinderdoop hem nog niet helder was en dat hij ook zijn eigen kinderen ongedoopt liet blijven. Den 5den Juli 1851 had een conferentie plaats over “de Handwijzer” en er werd overeengekomen, dat het blad [99] “bepaaldelijk het kerkelijk standpunt zou innemen.” De Liefde zou trachten er een “Nederlander” in het klein van te maken en “het oor te winnen van de godvruchtigen onder de dienstbaren, arbeiders en handwerkslieden.” Hij kwam nu onder gestadig, werkzaam toezicht van Wormser en trad op als bondgenoot van Groen's “Nederlander”, die gehechtheid aan de kerk onbewimpeld erkende.[3] Maar dat reeg hem in een benauwend keurslijf. Daarvoor was hij met zijn weelderigen gedachtenrijkdom niet berekend. En al heel spoedig verbrak hij de staketsels en richtte hij een eigen blad op: “Volksmagazijn, voor Burger en Boer”, dat in 1852 verscheen.[4] Intusschen hadden ook de vergaderingen der Christelijke vrienden al meer en meer een wending naar het kerkelijke aangenomen. De invloeden, die tot afscheiding leiden konden, werden geweerd en de belangen der Nederlandsche Hervormde kerk op den voorgrond geschoven. Van toen af verloor de vergadering veel bekoorlijks voor de dissenters. Zij begonnen er zich minder thuis te gevoelen. De Afgescheiden broeders hielden op ze langer bij te wonen. Ook de Lutherschen bleven weg. Weldra was de Liefde nagenoeg de eenige dissenter, die nog zitting hield in de nu kerkelijk geworden vergadering van louter leden der Nederlandsche Hervormde kerk. En hij volhardde in het bijwonen dier vergaderingen, omdat toen ter tijd bij hem het besluit nog niet bestond een vrije gemeente op te richten en omdat hij nog immer hoopte dat in deze vergaderingen stappen zouden worden [100] voorbereid, die tot zulk eene vrije ontwikkeling in de Nederlandsche Hervormde kerk leiden zouden, als waarin ook hij zou kunnen deelen. Het was steeds zijn gevoelen, dat het eenmaal in de Hervormde kerk tot zulk een beslissing komen moest als in Schotland de Vrije Kerk had doen geboren worden. Hij kon dus met belangstelling de discussiën over de administratieve en huishoudelijke inrichting der Hervormde kerk bijwonen. Hij vermoedde dat de gehoopte krisis te spoediger volgen zou, naar mate men te sterker met den vinger deze teere plek van de volkskerk drukte.

Middelerwijl, nu de vergadering steeds meer een samenkomst van kerkelijke belangen werd, kwamen ook weer meerdere Hervormde predikanten in haar midden.

Inzonderheid trad D. Chantepie de la Saussaye, predikant bij de Waalsche gemeente te Leiden als verdediger van de volkskerk op. Hij droeg in de vergadering van 25 October 1854 drie en twintig stellingen voor en lichtte die toe over het wezen en de behoefte der kerk, bepaaldelijk de Nederlandsche Hervormde kerk. De gemoederen waren op het hoogst gespannen. De beroepingen van Dr. Meyboom te Amsterdam en Zaalberg te 's Gravenhage gaven veel stof tot bespreking op de vergadering. Vele leden der kerk hadden adressen tegen genoemde predikanten aan de synode ingediend.[5] De synode had echter de aangeklaagde predikanten in het gelijk gesteld. De ontevredenheid steeg ten top. Men begeerde vooral te weten wat de rechtzinnige predikanten van de kerk nu van plan waren te doen. Nagenoeg niemand hunner had zich in den strijd gemengd. Adressen aan de synode hadden zij niet ingediend. Ze hadden den strijd geheel aan de leden overgelaten. Het verdroot velen dat de leeraars een werkelooze houding aannamen. Men begeerde [101] hen daarover te interpelleeren. En de vergadering was de eenige plaats waar dit geschieden kon. Werkelijk zagen zich de predikanten die de vergadering bijwoonden, dan ook tot een verklaring genoopt. Zij spraken die bij monde van de la Saussaye uit. En wat was haar hoofdzakelijke inhoud? Dat de predikanten een adres aan de Synode zouden indienen, waarin zij hun gevoel van diep medelijden met het ongelijk, der gemeente aangedaan, zouden uitspreken.

Dit was de verklaring van Dinsdagavond. De teleurstelling was algemeen. Men had iets krachtigers en meer beslissends van de predikanten verwacht. Sommige leden en ook de Liefde konden zich niet weerhouden van op te merken dat men, waar de kudde beschadigd en beleedigd werd, van de herders iets meer dan louter medelijden met de schapen verwachten mocht.

Den volgenden morgen, in de Elandstraat, bracht IX Heldring wederom een verklaring in dienzelfden geest uit. Hij betreurde het lijden der gemeente. Hij trachtte echter de leden en de ambtgenooten te troosten met de opmerking dat lijden altijd het lot en kenmerk der Nederlandsche kerk geweest was. Zij was een kerk van martelaren, door lijden was zij groot en sterk geworden en op grond hiervan spoorde hij de aanwezigen tot gebed en lijdzaamheid aan.

Toen de Liefde deze redeneering van Heldring hoorde, kon hij niet nalaten het verschil tusschen het lijden der oude martelaren en dat der tegenwoordige predikanten op te merken. Naar zijn zienswijze bestond het verschil hierin, dat de vrome martelaren, juist omdat zij de ongerechtigheid in de kerk niet lijden wilden, liever de vervolging tot op brandstapel en schavot geleden hadden, terwijl naar het scheen, de predikanten omgekeerd, juist om geen vervolging te lijden, liever de ongerechtigheid in de kerk leden. In de thans ingeslagen gedragslijn zouden zij tenminste nooit gevaar loopen van martelaren te worden.

De puntigheid der tegenstelling, misschien spitser en scherper dan bedoeld was, prikkelde eenige aanwezigen tot lachen. [102] De la Saussaye daarover verstoord, verlangde een afkeuring van de vergadering op het door de Liefde gesprokene. Zij werd door voetgetrappel gegeven, een demonstratie die de Liefde beantwoordde door stilzwijgend de vergadering te verlaten.[6] De krisis was hiermede beslist. Er was een nieuw keerpunt in zijn leven gekomen (1854). Hoe  gaarne had hij zich met Groen van Prinsterer, Heldring e.a. aan het hoofd geplaatst eener vrije kerkelijke beweging, los van het “goddelooze” kerkverband,[7] maar al zijn verwachtingen gingen nu in rook op. De rechtzinnige partij had zich thans duidelijk verklaard, zij wilde in de kerk blijven en van nu af aan stonden tusschen haar en hem de kerkelijke muren. Zijn isolement begon.[8] Had hij tot heden allen beslisten stap uitgesteld, de reden tot dat uitstel was thans vervallen. Nu drong zich met kracht de vraag aan hem op of hij het geoorloofd mocht achten zijn evangeliearbeid op losse grondslagen voort te zetten. En hij kwam tot de slotsom, dat organisatie gebiedende eisch was. Zoo kwam in januari 1855 op zijn initiatief de evangelisatievereeniging “Tot Heil des Volks” tot stand, die haar werkzaamheden over het gansche vaderland wenschte uit te breiden.[9] Zij was geschoeid op de leest van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, met dit verschil, dat de Liefde's vereeniging in artikel II harer statuten een belijdenis uitsprak en daardoor dat onbestemde en zwevende vermeed, waaraan de Maatschappij tot Nut van [103] 't Algemeen mank ging. Gelijk het Nut in haar maandelijksche departementale samenkomsten geen preken liet lezen, maar voorlezingen hield, begeerde ook deze vereeniging, dat in maandelijksche samenkomsten harer afdeelingen niet gepreekt, maar bepaaldelijk een voorlezing gehouden werd uit het gebied van geschiedenis, natuur, zending, kunst en wetenschap. Zij wenschte het, volk te doen hooren, wat men uit den aard der zaak, in de kerk niet kon hooren en aan het volk gelegenheid te geven tot Christelijke gezellige bijeenkomsten, waarin al wat tot het gebied van het koninkrijk der hemelen behoort, besproken werd. Verder wenschte de vereeniging evangelisten uit te zenden, om inzonderheid ten plattenlande des avonds het Evangelie te verkondigen aan degenen die van een getrouwe Evangelieprediking verstoken waren. Zij zou de kerk niet bestrijden. Maar daar de kerk haar roeping verzaakte, vatte zij de taak op. “Als het huis in brand staat, is het brandpiket geroepen het te blusschen, maar wanneer het brandpiket zulks nalaat, doen de burgers niet wel door zich tot de blussching te vereenigen? Dit is dan niet een vereeniging tegen het brandpiket, maar tot behoud van het huis. Evenzoo is ook de vereeniging tot Heil des Volks niet een vereeniging tegen de kerk, maar tot behoud der zielen.”[10]

In Augustus 1856 had de vereeniging reeds elf afdeelingen met 416 leden, nl. te Alphen met 50, Delft met 27, Rotterdam met 119, Amsterdam met 120, Stadskanaal met 8, Leeuwarden met 16, Workum met 19, Hengelo met 13, Assen met 9, Ouderkerk met 21 en Dordrecht met 14 leden. De Liefde ging uit van de stelling: het eenige medicijn, dat de kerk genezen kan, is het Woord Gods. Laat dat Woord in de kerk zijnen vrijen en ongehinderden loop hebben, en zij zal, zij moet herleven. Doch dien vrijen, ongehinderden loop had dat Woord niet. Gansche streken lagen in een doodslaap van werkheiligheid, onkunde en Schriftverlooche-[104]-ning. Toch sluimerde in weerwil van dat alles op den bodem van vele harten nog de bewustheid der heilige en heerlijke waarheden, waarvoor de vaderen goed en bloed veil hadden. De Liefde zelf had zich hiervan met aandoening kunnen overtuigen als hij op zijn evangelisatiereizen door Overijsel, de Groninger Veenkoloniën en Noord-Holland op een boerendorschvloer of in de ruime woonkamer van een handwerksman het Evangelie verkondigde. Soms werd zijn stem door het loeien van het ter stal staand vee verdoofd of vlogen de hoenders kakelend over zijn hoofd heen en niet zelden blies de tocht de kaars uit, die zijn Bijbel walmend verlichtte. Doch dit alles verhinderde niet dat in menig oog een traan blonk, te voorschijn geroepen door de kracht van het hartaangrijpend en vernieuwend woord der genade.[11]  Een levendige, getrouwe evangelisatie achtte hij een dringende behoefte van den tijd, en zoo ergens verwachtte hij daarvan genezing voor de kerk. Het was, in die overtuiging dat hij van den aanvang zijner komst te Amsterdam onder den kennelijken zegen Gods de hand aan den ploeg had geslagen. Achter de Boomsloot hadden de Jonker- en Ridderstraat een armoedige en verwaarloosde bevolking van bootwerkers. Daar koos hij zijn arbeidsveld en vond er in de Ridderstraat een prediklokaal, waar wekelijks de lieden samenstroomden om aan de lippen te hangen van den talentvollen prediker, die de gave bezat om aangrijpende bijbellezingen voor de meest eenvoudigen te houden. Ook hield hij o.a. gedurende de wintermaanden op de Goudsbloemgracht, in de wandeling het Fransche pad genaamd, een van de armste buurten in de stad, waarin toen geen politieagent durfde komen, wekelijks een bijbeloefening ten huize van een vischvrouw die hem daartoe gewillig haar kleine, maar reine woning aanbood. Weldra werd de schare zoo groot, dat zij den bewegelijken middenmuur, die haar voorkamertje van het achtervertrek afscheidde wegnam, zoodat haar gansche huisje van den [105] vóór- tot den achtergevel opgepropt met hoorders geraakte. En toen ook deze ruimte te klein werd, werd de achtermuur doorgeslagen en een gedeelte van een daarachter liggend erf er bij aangetrokken, waardoor het huisje in een lokaal veranderde, dat ruim 200 menschen bevatten kon. Daar zat de Liefde in het midden tusschen de twee vertrekken op een stoel van zindelijke beddekussens voorzien, recht genoegelijk te spreken over een deel der Schrift, die op een tafel voor hem lag opengeslagen, Het was treffend te zien, hoevelen samenvloeiden om Zijn Woord te hooren. Menigmaal was de plaats zoo gevuld, dat niet alleen een twintigtal hoorders met een ladder door het lage dakvenster op den zolder klommen, maar ook de bedstede tot zitplaats werd gebezigd.

Hij kon daar op den duur niet blijven, zoodat in den winter van 1853—54 op de Goudsbloemgracht geen Bijbellezing werd gehouden. Door de hulp van een vriend werd de Liefde echter in staat gesteld, niet ver van de vorige vergaderplaats, bij de Hartenstraat een perceel te koopen en dat tot een spreekplaats in te richten. Den 28sten November 1854 wijdde hij het nette, vriendelijke kerkgebouwtje in, “Tecum Habita” van een galerij voorzien en geschikt om ongeveer 250 hoorders te bevatten.[12] Hij koos tot onderwerp Matth. XXI:33 “Hij groef eenen wijnpersbak daarin en bouwde een toren”, en toonde naar aanleiding van deze woorden aan, dat dit gebouw een geestelijke wijnpersbak en wachttoren was, gesteld in den wijngaard der Goudsbloemgracht; een wijnpersbak, omdat hij hoopte daar menige druif in te zamelen van [106] den waren wijnstok en liefelijken wijn te bereiden tot een goeden smaak en geur Gode en den menschen; een wachttoren, omdat hij hoopte van deze plaats te waken over de zielen, haar te waarschuwen tegen den menschenmoorder en aartsroover, benevens zijne dienaren, en tegen alle gevaar dat in deze zondige, booze wereld den mensch voor de eeuwigheid bedreigt.”[13]

Zooveel hij vermocht, predikte de Liefde ook in de omliggende steden en dorpen het Woord. Doch dit arbeidsveld werd weldra zoo uitgebreid, dat hij vele aanvragen, zijns ondanks, moest van de hand wijzen. Toen verlangde hij vurig naar medehelpers. Hadden hem vijftig evangelisten ter zijde gestaan, hij zoude, alle in een werkkring geplaatst hebben. Toch stelde hij aan een evangelist hooge eischen. Hij vond het beter geen evangelisten dan ongeschikte uit te zenden. Opleiding en onderwijs waren hem eerste vereischten, verder een beschaafde en beschavende omgang, zoodat niet alleen hun verstand, maar ook hun hart en hun gansche levenswijze geleid werd. Het was zijn vurige begeerte zulke jongelieden in zijn huis op te nemen, opdat hij hen als huisgenooten zou kunnen leeren kennen en hun ten nutte zijn. En zie, die wensch werd vervuld. Hij werd door den schatrijken heer Piet Punt in de Diemermeer in staat gesteld een complex gebouwen te koopen, die met vertimmering en al hem kwamen op zes en tachtig duizend gulden.[14] Daartoe behoorde ook een woning op de Bloemmarkt, no. 116, die hij ging betrekken en wel plaats bood, als het moest, voor dertig evangelisten. Terstond nam hij in November 1853 twee jongelieden, die zich aanboden, op. De eerste was W.F. Menkhoff, een Duitscher van geboorte en spraak, die alle gaven bezat om te arbeiden onder de turf-, polder- en grasarbeiders in Overijsel, Drenthe, Groningen en Friesland. [107] Deze z.g.n. “Bovenlanders” verkeerden in een diepen staat van verzonkenheid. Hunne onkunde was hier te lande spreekwoordelijk geworden. Meest allen uit de streken van Munster en Paderborn afkomstig, behoorden zij voor het grootste gedeelte tot de Roomsche kerk en kleefden zij de dwalingen en bijgeloovigheden der oude moeder met domme lichtgeloovigheid aan. Bij duizenden zakten zij in Mei naar onze gras- en veenlanden af, waar zij den ganschen zomer nagenoeg nacht en dag in de open lucht doorbrachten. In de veenstreken vooral, doorgaans ver van alle kerkgemeenschap levend, waren zij maanden achtereen van alle godsdienstige toespraak en leiding verstoken.

Reeds in 1852 en 1853 had Menkhoff onder hen met vrucht gewerkt. En toen hij in November 1853 zijn diensten bij de Liefde aanbood, aarzelde deze niet hem behulpzaam te zijn om hem verder voor dezen arbeid te bekwamen. Den eersten Mei 1854 werd hij op nieuw naar Dedemsvaart gezonden en een week later op een Zondagmiddag had hij reeds twee honderd van zijn landgenooten in een herberg om zich verzameld om hun het Evangelie te verkondigen. Na de prediking deelde hij tractaten onder hen uit met de belofte hen op de turfgronden te zullen opzoeken. Vijf dagen aaneen zwierf hij al evangeliseerend op de heidevelden rond, elke ploeg volk uit de Heilige Schrift voorlezend met toespraak en gebed, afgewisseld door het zingen van een Duitsch lied.[15]

De andere jonge man die door de Liefde werd opgenomen als helper in het evangelisatiewerk was K. Holleman, een bakkersknecht uit Halfweg, die onder de prediking van Nic. Beets te Heemstede tot bekeering kwam. Terwijl de huisvesting van Menkhoff bekostigd werd door een broeder, die lust gevoelde een evangelist voor zijn rekening te laten opleiden, werd in Holleman's onderhoud gedeeltelijk aldus voorzien, dat een zevental broeders hem elk op zijn beurt [108] des namiddags aan hun tafel namen. Het overige van den dag en ook des nachts vonden de beide jongelieden bij de Liefde huisvesting en des morgens en des avonds waren zij zijn dischgenooten. Hij gaf hun den gansenen winter onderwijs in dogmatiek, exegese, homiletiek, algemeene geschiedenis en aardrijkskunde. Daar de ondervinding hem geleerd had, dat de kennis van het Grieksche Testament voor een evangelist dikwijls een behoefte is om den tegenspreker te kunnen antwoorden, bekwaamde hij hen zoover, dat zij in staat waren den oorspronkelijken tekst te lezen en te verstaan. Ook verrichtten zij onder zijn leiding evangelisatiewerk. En als dan de zomer in het land kwam, moesten zij uitvliegen om het zaad des levens over het land uit te strooien. Deze methode van opleiding pastte de Liefde ook toe bij de andere vijf leerlingen, die door hem onderwezen werden, n.l. A. Hardenberg, H. Simons, J. Witmond, J.M. Ginzoolen en E. Gerdes.

In den winter van 1853 op 1854, vestigden Holleman en Menkhoff zich onder de polderarbeiders van de Haarlemmermeer. Deze menschen waren tot een laag zedelijk peil gezonken. Nauwelijks een derde der tezamen levenden van beider kunne was door den band des huwelijks verbonden. Eenzelfde vrouw werd, toen de cholera onder hen woedde, in het aangezicht van den dood, de bijzit van drie mannen. Op de dorpen in welker nabijheid zij des winters in hunne, licht vervoerbare strooien hutten woonden, moest men de zorgvuldigste maatregelen nemen tot beveiliging van huis en hof, daar zij alles wat los en vast was wegstalen. De kinderen uit deze samenleving bevolkten voor een groot deel de tuchthuizen en bedelaarskoloniën. De commissie tot droogmaking en ontginning der Haarlemmermeer, die zich van de krachten dezer menschen bediende, deed in de veertien jaar welke met het grootsche werk heengingen niets om hun zedelijk en godsdienstig peil te verhoogen. Ook de Hervormde gemeenten in wier nabijheid de verwaarloosden leefden, bekommerden zich niet om hen. Alleen [109] de Roomschen lieten zich iets aan hunne geloofsgenooten gelegen liggen. De Liefde was de eerste die op dit verwaarloosde volk de aandacht vestigde en er zijn leerlingen heenzond. 1 Mei 1854 begaf Holleman zich naar de Haarlemmermeer. Aan de Glip bij Heemstede vond hij gelegenheid tot logies. Hij kreeg gezelschap aan den kweekeling Cramer uit het zendingshuis te Bannen, die niet de vereischte krachten bleek te bezitten om den arbeid in de heidenwereld te kunnen aanvaarden. Deze beide evangelisten waren werkzaam aan de Glip, Vijfhuizen en de Haarlemmer Liede. Des Zondags kregen zij hulp van jongelieden uit Amsterdam, deels leden van de jongelingsvereeniging, deels kweekelingen van het Schotsche Seminarie, die dan het gewone werk van Holleman overnamen, terwijl deze zich dieper in de Meer begaf om de meer afgelegene hutten te bezoeken. Cramer koos zijn terrein meer achter Heemstede, het fort en de Cruquius, vervolgens achter Bennebroek, de z.g.n. Bôlekriek en de keeten achter Hillegom. Zoo gebeurde het niet zelden dat op vier verschillende punten van het uitgestrekte arbeidsveld jeugdige evangelisten werkzaam waren, die de kinderen leerden lezen en het evangelie brachten in de hutten.[16]

Een vrucht van hun arbeid in Drenthe en Overijsel was een opwekking in het dorpje Zuidveen bij Steenwijk. Toen Holleman er September 1853 predikte werden de harten van vele jongelieden aangeraakt. En als hij of Menkhoff weer kwam, was alles in beweging om hen met hartelijkheid en liefde te ontvangen. Daar heerschte waarlijk honger naar het woord des levens. En een paar jaar later, 18 Juli 1856, kon Holleman van Zuidveen dit getuigenis geven: “Zuidveen gelijkt in geestelijken wasdom op een pas ontgonnen heide, op welke de lentezon blakerende hare stralen nederschiet en aan veel goed zaad, onder menigen doorn en distel, was-[110]-dom verleent. Het leven Gods, dat hier, vooral onder de jongelieden zich openbaart, is zeer krachtig, getuige de levendigheid en opgewektheid waarmede zij vervuld zijn. Want, niettegenstaande de meesten hunner van 's morgens drie tot 's avonds acht uur op het turf- of hooiveld moesten arbeiden, waren zij van negen tot elf ure daar, waar ik mij bevond, om over de liefelijkheid van Jezus en zijn dienst te spreken. Zondag, 13 Juli 1856, trad ik er in een hooischuur op voor twee honderd dertig menschen.”[17] Later werd er een Vrij-Evangelische gemeente gesticht door een van Holleman's leerlingen, D. de Gilde, die er vele jaren heeft gearbeid en de leermeester werd van twee voorgangers der Baptistengemeenten, nl. N. van Beek en B. Roeles.

De_ doopbeschouwing van de Liefde was in den loop der jaren aanmerkelijk veranderd. Hij gaf daarvan rekenschap in een opstel getiteld : “Een blik op den Christelijken Waterdoop bij het licht van Schrift en Historie”.[18] Het wezen des doops hangt, volgens hem, nauw samen met de Schriftleer over de lichamelijkheid. Er zijn twee afvvasschingsmiddelen tegen de zonde, het bloed van Christus en de afwassching door den doop. In beide is het alleen het bloed van Christus dat reinigt, doch daar dit bloed ook op het lichaam des zondaars toegepast moet worden, zoo wordt hiertoe een lichamelijk voertuig vereischt en dat is in den doop het water. De doop komt in onzen tijd alleen daar te pas, waar Joden of heidenen tot het Christendom overgaan. De Christenheid moet als gedoopt erkend worden, omdat zij uit gedoopte stamvaders is voortgesproten. De doop is nu louter als een kerkelijke instelling te beschouwen, maar die door de kerk met meer dan louter menschelijke wijsheid is voortgezet als een herinnering voor het nageslacht aan den doop, die eenmaal aan de vaderen is geschied. En aan wie kan deze herinneringsplechtigheid het best bediend worden ? “Ik voor [111] mij geloof”, zegt hij, “dat de kinderlijke leeftijd boven den volwassenen de voorkeur verdient, en wel omdat deze vroege toediening van die plechtigheid het minst aanleiding geeft tot verkeerde begrippen. Mijne ondervinding onder de Doopsgezinden en Baptisten heeft mij geleerd, dat juist, onder hen de vraag, wanneer de jonkman of jonge dochter zal gedoopt worden tot ontelbare moeilijkheden en onzekerheden de de deur opent. Immers sommigen laten het afhangen van het oogenblik, waarop de jonkman zijn begeerte om gedoopt te worden, te kennen geeft; maar die begeerte blijft soms wel eens zeer lang weg, en somtijds wisselt zij als de eb en de vloed. Anderen verlangen, dat de jonkman eerst stellige bewijzen van wedergeboorte geeft, (waarbij dan de text Titus 3:5 geheel ontaalkundig aangehaald wordt), maar een ieder zal wel weten, hoeveel moeilijkheden er dan ontstaan door de vraag, of die wedergeboorte nu wel echt is. Om hiervan zeker te zijn, begeeren wederom anderen, dat de jonkman eerst vruchten der heiligmaking voortbrengt, weshalve zij hem eenen proeftijd opleggen, waarin zij hem nauwkeurig gadeslaan, en het behoeft niet herinnerd te worden, tot hoeveel huichelarij ter eene en bedilzucht ter andere zijde dit aanleiding geeft. Wederom anderen, om al deze moeilijkheden te voorkomen, bepalen slechts willekeurig een jaar des levens, b.v. het 16de of 18de, waarbij de doopeling dan tevens als het ware de kinderschoenen uittrekt en de maatschappij der volwassenen binnnentreedt. Aan dit alles ligt een gevaarlijk wanbegrip ten grondslag, nl. dat de jonkman al de jaren vóór zijn doop een heiden zou geweest zijn en eerst door deze plechtigheid een Christen zou geworden zijn, en dit strijdt ten stelligste tegen de Schrift, als die verklaart, dat onze kinderen niet onrein, maar heilig zijn. Dit wanbegrip nu voorkomt men, door deze herinneringsplegtigheid spoedig na de geboorte toe te dienen, en wel voor de gansche gemeente, opdat zij den indruk der herinnering aan den doop der vaderen bekome, terwijl men tevens daarbij zeer geschikt een opdracht van het kind aan [112] den Drieëenigen God en aan de zorg der gemeente verbinden kan.”

Was hij op het punt van den doop, zooals hij zelf moest erkennen, nog niet geheel tot klaarheid gekomen,[19] met bijzondere scherpheid en overtuiging stelde hij zijn denkwijze over de verzoening in het licht, zoodat hij aan het hoofd is komen te staan van een zoogenaamde “ruimere richting” onder de rechtzinnigen in ons vaderland en de algemeene verzoening in de vrij-Evangelische en Baptistengemeenten vrijwel communis opinio is geworden. Ondubbelzinnig verklaart hij[20]: “de waarheid, dat de Heere Jezus Christus, niet slechts voor de uitverkorenen, maar voor alle menschen gestorven is, is mijn eenig Evangelie. Ik ken geen ander, en zoo er een ander was, zou ik hopeloos en “radeloos worden, evenzeer als ik zonder troost en hope zijn zou, indien de waarheid, dat God zich degenen uitverkoren heeft die zalig worden, bevonden wierd een leugen te zijn. Indien ik er een roem in wilde stellen echt gereformeerd te heeten, dan zou ik juist hierin mijne sterkte zoeken. Want niemand is minder remonstrant en zuiverder gereformeerd, dan die de algemeenheid der verzoening tegelijk met de bijzondere uitverkiezing leest. De Heidelbergsche Catechismus spreekt in de 37ste vraag aldus: “Wat verstaat gij bij het woordje geleden?” Antwoord: “Dat Hij aan lichaam en ziel, den gansenen tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijk geslacht gedragen heeft.” Sterker dan met deze woorden zou ik niet weten de algemeenheid der verzoening uit te drukken. Dit is de leer der Gereformeerde kerk en wie het anders leert, is niet Gereformeerd. Wij toch hebben bij de beoordeeling eener kerkleer niet te vragen wat eenige of vele leeraren, die tot die kerk behoorden, goedgevonden hebben te leeren. [113] Ik weet zeer wel, dat er onder de oude schrijvers der Gereformeerde kerk velen zijn, die leeren dat Christus den toorn Gods alleen tegen de zonde der uitverkorenen gedragen heeft, doch ik ontken ook ten sterkste, dat die schrijvers in dat stuk Gereformeerd geweest zijn. De souvereiniteit Gods komt nooit sterker uit, dan juist in de leer der algemeene verzoening in verband met de verkiezing. Want alleen daar treedt de onwil en mitsdien de onmacht des menschen om zich zelf zalig te maken, op de ontegenzeggelijkste wijze aan het licht. Is Christus alleen voor de uitverkorenen gestorven dan blijft den mensch, die niet, gelooft nog een roem voor zijn ongeloof over, daar hij, weigerende te gelooven dat Christus voor hem gestorven is, beweren kan, dat hij dit voorzichtigheidshalve niet gelooft, omdat hij dan wellicht iets gelooven zou, dat niet waar was. Maar waar het hem als een onomstootelijke waarheid verkondigd wordt, dat Christus voor hem gestorven is, om het even, of hij het gelooft of niet, daar is alle uitvlucht afgesneden en zijn ongeloof wordt als onwil en onmacht openbaar.

De Gereformeerde vaderen hebben ontegenzeggelijk geleerd, dat Christus alleen voor de uitverkorenen gestorven is. De Gereformeerde kerk heeft het echter niet geleerd. Om nu de vaderen met de kerk in harmonie te brengen, moet er met alle geweld beweerd worden, dat de kerk het' ook geleerd heeft. Nu moet de uitdrukking: “de toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijke geslacht” onder het ontleedmes. Er moet bewezen worden, dat het gansche menschelijke geslacht de uitverkorenen zijn, en dan zijn de vaderen gedekt. Maar het lieve woord van God ziet op alle deze praktijken neer, gelijk de zon op den boereknaap, die stijf en strak staande hield, dat zij niet grooter dan een Edammer kaas was. Het was een groot geluk, dat de knaap niet bij de zon komen kon, anders had hij er een stuk afgesneden om toch maar gelijk te hebben. Het Woord Gods zegt mij, dat God in Christus was de wereld met zichzelven [114] verzoenende. Dit is voor mij, die een deel der wereld uitmaak, zulk een blijde boodschap, zulk een kostelijke schat, dat ik hem tot geen prijs loslaat. Die wereld laat ik mij door niemand, wie hij ook zij, verkleinen, zelfs niet om één persoon. Want die ééne persoon mocht juist ik eens zijn. En dan stond ik hopeloos buiten de verzoening. Alleen bij de gedachte aan de mogelijkheid daarvan, daalt de nacht in mijne ziel en zou er voor mij geen blijde boodschap meer zijn. Ik weet dikwijls niets aangaande mij zelven. Ik weet soms niet of ik uitverkoren ben of niet. Ik weet soms niet of ik geloof of niet. Maar één ding weet ik altijd, namelijk dat ik een deel van de wereld ben. Zoo diep kan ik des nachts niet in den slaap verzonken liggen of als iemand mij wakker schudt met de vraag: “waar zijt gij?” dan antwoord ik terstond: “in de wereld!” En als ik dat dan zeg, dan volgt daaruit onmiddellijk, dat God in Christus ook mij met zich zelven verzoend heeft en ik word klaar wakker uit louter vreugde. Ja, zoo het mogelijk was, dat er een Engel kwam om het woord wereld uit dien tekst weg te nemen of er bij te voegen, “de wereld min één”, dan zou ik hem te lijf gaan en mij met hem dood vechten.”

Ook door deze meerdere ruimheid in de leer geraakte de Liefde steeds feller in conflikt met de kerk en de Gereformeerde orthodoxie. Hij ging tegen “de Hollandsche vromen” te keer als “echte afdruksels van de oude Farizeeuwen, die in heiligen gemoede en met diepen eerbied voor hunnen Verbondsgod en Zijnen tempel den Christus kruisigden en zijne discipelen vervolgden.” Hij sprak het openlijk uit “meer te verwachten van de Dageraadsmannen dan van deze vromen, die voor hunnen verfoeilijken kerkgod de knieën buigen en de waarheid niet om haar zelve zoeken, maar haar alleen toelaten, als zij op de kalk en steen, door de vaderen opgericht, weerklinkt of in een boek te lezen staat, dat door de vaderen geschreven is.”[21] Zijn schelden ging én in brief [115] én in openbaren geschrifte alle perken te buiten, zoodat hij trouwe vrienden van zich verwijderde en menige afdeeling van “Heil des Volks” zich van het geheel losmaakte.[22] Zijn isolement was volkomen. Zijn bezoeken aan Schotland en wat hij daar zag en hoorde gaven den doorslag tot het oprichten der Vrije Evangelische gemeente.

Op zekeren dag in Aprilmaand van 1854 kreeg hij bezoek van een boekhandelaar uit Edinburg, die zijn begeerte uitdrukte hem te leeren kennen. “Ik heb”, zoo zeide hij, “eenige uwer geschriften, met name “Des Christens ontvangst en uitgaaf”; “De Diligence” en “De Schipbreukeling” in mijn moedertaal doen overzetten en in het licht gegeven, en ik heb mijn reis opzettelijk herwaarts gericht om den schrijver persoonlijk te leeren kennen.” Zij brachten tezamen een onvergetelijken dag door en de Liefde ontving een uitnoodiging om een tegenbezoek te brengen. Dat was de aanleiding tot zijn eerste reis naar het “zoowel naar den geest als naar de natuur onvergelijkelijke Schotland.” Van toen af stak hij herhaaldelijk de zee over om voor zijn evangelisatiewerk een collectereis te houden. Bij die gelegenheden onderhielden hem de leeraren en leden, zoo der Vrije als der Vereenigde Presbyteriaansche kerk, meermalen over het onhoudbare en ordelooze van zijn losse, in de lucht zwevende positie. Een hunner zeide tot hem: “Gij stort wijn uit in de zee, ons land is het land der evangelisatie, het wemelt van evangelisten, maar zulk een evangelisatie als de uwe, die tot geen ordelijk samenleven leidt, kennen wij hier niet. Werpt ook een visscher zijn vangst weer in zee terug? Gij leert uwe hoorders wel te gelooven en te hopen, maar gij oefent hen niet om elkander ook lief te hebben.”

De Liefde zag in Schotland de schoone werking van wat de Presbyterianen noemden het vrijwilligheidsbeginsel. Daarmede bedoelden zij het beginsel van de kerk alleen door [116] vrijwillige bijdragen der leden onderhouden. Dat maakte hem jaloersch en ook hij begeerde een vrije gemeente, vrij van twee zaken, 1e van alle inmenging van den staat in haar financiëele en geldelijke belangen, en 2e van alle ondersteuning uit vaste fondsen en vaste goederen. Zoo bleef het offer der liefde gaande.

In den avond van 27 Juli 1856 werd het hem vergund de oprichting van zulk een Vrije Evangelische gemeente af te kondigen en haar benevens haar vier ouderlingen onder aanroeping van den Naam des Heeren en in tegenwoordigheid van vele belangstellenden te bevestigen.

Er waren ongeveer tachtig personen, grootendeels uit de Hervormde kerk, die in de Liefde's prediking hun zielevoedsel vindende, sedert jaren geen anderen leeraar gehoord en gevolgd hadden. Door innige banden verbonden, door denzelfden Geest gedrenkt, hadden zij wederzijds voor elkander de behoefte huns harten uitgesproken om zich gezamenlijk als gemeente te vereenigen. En die vereeniging had nu plaats. De Liefde riep al de aanwezigen als getuigen op, dat hij zich nooit en bij niemand hunner van eenig middel of woord bediend had om de aansluiting op te dringen of tot toetreding aan te drijven. De tachtig hadden, zoodra hij den wensen naar een vrije gemeente openbaar gemaakt had, zich geheel vrijwillig met hun aanzoek bij hem aangemeld en er was geen onder hen, dien hij ooit tot dat doel opgezocht of zelfs daarover aangesproken had. Hij sprak o.a. “Indien ik overtuigd was, dat wij thans gereed stonden de alleen zaligmakende kerk of zelfs de alleen ware kerk van Nederland op te richten, dan zou ik mij geroepen achten het aan een ieder, die zijne ziel en het leven lief heeft, als een gebod Gods voor te schrijven, zich bij ons aan te sluiten. Maar die overtuiging heb ik niet, en ik bid, dat wij ze nooit koesteren mogen. Hij beware er ons voor, dat wij ooit meenen zouden, dat alleen in den kleinen kring, dien wij gaan beschrijven, de ware geloovigen, de echte kinderen Gods zouden Ie vinden zijn. Ik moet hier herhalen wat ik én van [117] deze plaats én in geschrifte reeds meermalen verkondigd heb: “onze gansche gemeentelijke vereeniging betreft slechts eene vraag van orde en niet van zaligheid.” De Christenheid in ons vaderland en in de stad onzer inwoning verkeert in een toestand van grenzelooze verwarring. Hierin zijn wij het allen eens. Die verwarring is ons ondragelijk geworden, en wij gaan thans, zoovelen of zoo weinigen wij dan zijn mogen, ons in zekeren regel vereenigen, opdat wij den Heer gezamenlijk met orde en eerlijkheid kunnen dienen. Ziedaar de eenvoudige beteekenis van de daad, die wij thans gaan verrichten. Of de orde die wij thans onder ons ingericht hebben, de ware, de volmaakte orde Gods is? Laat ons dit hopen en wenschen, maar tevens verre zijn van het te beweren. Wij hebben alleen de Schrift Gods in de hand genomen, en onze vereeniging ingericht naar het licht, dat wij in deze dingen ontvingen. Misschien zijn er buiten ons die hierin een ander, een beter, een hooger licht ontvangen hebben dan wij; laat ons bereid zijn te allen tijde van de zoodanigen te leeren en beter onderricht te worden. Laat ons. erkennen, dat het mogelijk is dat anderen, die ons in Christelijke kennis en in het leven des geloofs overtreffen, nochtans in eene andere orde meer welbehagen hebben dan in de onze, en laat ons hun de vrijheid toestaan hierin naar hun gevoelen, naar hunnen smaak te wandelen, gelijk wij onze vrijheid voor ons zelven begeeren. En daarom is het dat ik niemand dringen kan of wil zich in onze orde te voegen; ik zou eene gedwongene toetreding zoo min voor de gemeente zelve als voor den toetredende, wenschelijk achten. Want juist omdat vrijheid het hoofdbeginsel onzer orde is, voegt er het allerminst een gedwongen lid in. Hij zou er de vlieg in des apothekers zalve worden, en zoowel de gemeente als zich zelven tot last zijn. Een vrije gemeente behoort een blije gemeente te zijn; en blijdschap is niet mogelijk waar dwang bestaat.”

Daarna las hij voor den “grondslag van vereeniging” der gemeente.

[118] “Wij ondergetekenden vereenigen ons, onder biddend opzien tot onzen Heere Jezus Christus, ons éénig Hoofd en onzen éénigen Zaligmaker, tot eene Gemeente onder den naam van: “Vrije Evangelische Gemeente”, om gezamenlijk, door de hulp van Zijnen Heiligen Geest en overeenkomstig Zijn Woord, in de vreeze Zijns naams en in de vrijheid, waarmede Hij ons heeft vrijgemaakt, als broeders en zusters met elkander te leven en elkander op te bouwen in ons allerheiligst geloof, de liefde en de hope des eeuwigen levens. Wij nemen de belijdenisschriften der Nederlandsche Hervormde Kerk aan, als uitdrukkende den zin en geest, waarin wij de Schrift Gods verstaan, wat de hoofdpunten ter zaligheid betreft, als daar zijn: de leer van 's menschen zondigheid en ellendigheid, van de plaatsbekleedende voldoening aan Gods strafeischende gerechtigheid door het bloedig offer van Zijnen Zoon Jezus Christus, van de Heilige Drieëenheid, van de verkiezing, van de noodzakelijkheid der wedergeboorte, van de noodzakelijkheid der heiligmaking, van de onfeilbaarheid der Heilige Schrift en wat dies meer zij. Wij beamen en belijden deze leerstukken ter goeder trouw en van ganscher harte, in dien geest en in die bedoeling, welke blijkbaar in den eenvoudigen zin en samenhang der woorden gelegen is. Wij binden ons echter niet aan elken tittel of jota, aanhaling van teksten, wijze van bewijsvoering, of aan iets hoegenaamd, in genoemde belijdenisschriften voorkomende, dat niet als hoofdstuk ter zaligheid kan aangemerkt worden; latende een ieder van ons volkomene vrijheid daarover te denken of te spreken, zooals hij in gemoede meent overtuigd te zijn.

Wij erkennen de instellingen van doop en Avondmaal, latende aan ieder de vrijheid daarover zulke meeningen en begrippen te hebben, als hij meent overeenkomstig Gods Woord te zijn. Wij verwerpen alle zoodanige gevoelens of beschouwingen, waaruit zou kunnen volgen, dat de Gemeente des Heeren, hetzij in hare geestelijke, hetzij in hare geldelijke aangelegenheden zich onder het bestuur of in eeniger-[119]-hande afhankelijkheid van den wereldlijken staat stellen moet, ons voorts verbindende om aan de wereldlijke overheid al die onderdanigheid en eer te betoonen, welke God in Zijn Woord aan Zijne Gemeente beveelt.”

De Liefde heeft, zooals uit het voorgaande blijkt, niet te veel willen, formuleeren en vaststellen. Hij vestigde zijn gemeente op zulk een grondslag, dat zij niet door haar eigene belijdenis gedwongen werd een broeder wegens een bijzaak af te wijzen of af te snijden.

Wat den doop betrof, zoo waren verreweg het meerendeel der toetredenden met de Liefde het gevoelen toegedaan, om die plechtigheid aan jonge kinderen toe te dienen. Nochtans was er niemand onder hen, die durfde of wilde beweren, dat iemand, die de grondwaarheden des heils geloovig aannam, maar den doop der geloovigen voorstond, geen lid der gemeente des Heeren zijn kon. Integendeel, men erkende, dat, wat dit leerstuk betreft, de bijbelsch geloovigen zich in twee partijen splitsen, die ieder in gemoede voor het aangezicht Gods, hunne gronden meenen te kunnen aanvoeren. De gemeente zou zich een pauselijke macht aanmatigen, zoo zij als door een pennestreek dit punt, waarover zelfs de uitstekendsten onder de Christenen verschillen, wilde beslechten. In elk geval, al waren ook alle leden voor zich van de uitsluitende schriftuurlijkheid des kinderdoops overtuigd, zoo kon toch niemand hunner den voorstander van den doop der geloovigen, voor zulk een ketter houden, dat hem de toegang tot de gemeente volstrekt moest geweigerd worden. Integendeel, men begeerde den zoodanige, zoo hij den Heer lief had, van harte als een broeder te ontvangen, bewust, dat de gemeente des Heeren gelijk moet zijn aan een ziekenhuis, dat geen levenden, hoe ongesteld zij ook zijn mogen, maar alleen dooden uitwerpt.

Na deze en dergelijke toelichtingen noodigde de Liefde de roegetredenen uit zich voor het aangezicht des Heeren te stellen en de goede belijdenis uit te spreken. Na de vragen toestemmend beantwoord te hebben, begaven zij zich [120] gezamenlijk in het gebed en smeekten dat de Heer deze belijdenis met Zijn genade en kracht mocht bezegelen en de gemeente schragen in Zijn Waarheid. Hierna had de bevestiging der ouderlingen plaats.[23]

Door deze zoo eenvoudige als gewichtige plechtigheid stak het hulkje der Vrije Evangelische gemeente in zee. En wat haar gebrekkigs aankleefde, stellig niet de inbeelding alsof zij iets beters en uitnemenders ware dan andere gemeenten. Op dien naam “vrij” liet zij den nadruk vallen. Haar roem was dat zij rustte op de beginselen der vrijheid. En deze waren: “vrij van zonde, vrij van den Staat, vrij van Mammon.” Zij wenschte als een verloste met de bazuin des Evangelies aan de lippen, in deze wereld te staan en verder aan ieder, wie hij ook zij, het recht te ontzeggen om in haar eenig gebied te voeren, vervuld ook met een bange vrees voor de macht van het geld en voor kapitalisatie.

“De Bazuin”, het orgaan der Afgescheidene gemeenten, heette de nieuwe gemeente hartelijk welkom “onder de baniere des kruises” en sprak den wensen uit, dat de Christelijk Afgescheiden kerk haar de zusterhand mocht reiken.[24] De Liefde gaf daarop als zijn begeerte te kennen, dat zijn gemeente met de Afgescheidene gemeenten wel in één synodaal verband vereenigd kon worden. Was de tijd daarvoor echter niet rijp, zoo hoopte hij toch op een hartelijk, broederlijk verkeer.[25]

Eenige weken later woei evenwel de wind uit een geheel anderen hoek. Verschillende Afgescheiden predikanten, zooals S. van Velzen te Kampen en Postma te Zwolle, stelden de Vrije Evangelische gemeente in een ongunstig licht, zoodat al heel spoedig een vinnige polemiek tusschen de “Bazuin” en het “Volksmagazijn voor Burger en Boer” gevoerd werd.[26] [121] De Afgescheidenen vonden in het algemeen bij de Liefde's gemeente geen voldoenden waarborg tegen afwijking van de waarheid en vooral hadden zij bedenking tegen zijn leer der algemeene verzoening.[27]

Sedert de oprichting der gemeente werd het gehoor meer bestendig. Zij, die een afscheiding van de Ned. Hervormde kerk afkeurden, vermeden sedert dien tijd de prediking in Eben Haëzer.[28] Maar hun plaats werd door anderen ingenomen. Het ledental bedroeg in April 1857 ongeveer 150, de kinderen niet meegerekend. Zij behoorden tot de neringdoende en arbeidende burgerklasse. Mocht er een enkel renteniertje onder zijn, toch was 't niet van die gehalte, dat er een rijtuig of buitenplaats op overschoot.

De openbare prediking werd niet zoozeer als een gemeentelijke vergadering aangemerkt, dan wel als een gelegenheid vooral voor degenen die buiten waren om het Woord Gods te hooren tot bekeering. De gemeenschap der heiligen daarentegen werd gezocht in het onderling verkeer en bepaaldelijk in de eigenlijke gemeentelijke vergaderingen. Elke eerste Vrijdagavond in de maand werd bestemd tot onderlinge gemeenschapsoefening. Ten einde aan de kinderen een meer bevattelijke Evangelieverkondiging te verschaffen, werd er een kinderkerk opgericht, die des Zondagsmorgens, gedurende de godsdienstoefening in de vergaderzaal der gemeente, aan het kerkgebouw belendende, gehouden werd. Bij afwisseling vervulden eenige broeders der gemeente de taak om voor de kinderen te spreken. Ook bestuurden twee broeders het kinderzendingsgenootschap der gemeente, dat elke maand vergaderde en waaraan in 1858 reeds honderd kinderen deelnamen. In deze vergaderingen bracht ieder kind zijn busje mee, waarin het bij vrienden en kennissen voor de heidenzending gecollecteerd had. De opbrengst der busjes bedroeg in het eerste jaar reeds honderd vijftig [122] gulden. Ook gaf de Liefde vanwege dit kinderzendingsgenootschap een zendingsblaadje voor de jeugd uit. Het was zijn wensch nog eenmaal in staat te zijn voor eigen rekening een broeder als zendeling onder de heidenen te onderhouden. En elke derde Woensdagavond in de maand was uitsluitend aan het zendingswerk gewijd. Het groote beginsel waarvan men uitging was, om elk lid, naar den aard van zijn gaven en omstandigheden werkzaam te doen zijn tot behoud van anderen.[29]

Deze beschrijving van de Liefde's evangelisatiearbeid en gemeente mocht hier om drieërlei reden niet worden gemist:

1e. omdat de mannen van de Liefde's “school” de Baptistische beweging huns ondanks ongemeen hebben versterkt;

2e. omdat de latere Vrije Evangelische gemeenten zich naar het model te Amsterdam, hebben ingericht;

3e. omdat verscheidene dier gemeenten geheel of gedeeltelijk tot de Baptistengemeenten zijn overgegaan of zich daarin hebben opgelost. Allereerst de Vrije Evangelische gemeente van de Liefde zelf. Toen hij zich metterwoon in 1864 te Londen vestigde, om in dienst te gaan van de uitgevers der “Good Words” en “Christian Work”[30] die hem hadden geëngageerd inzonderheid voor de correspondentie met het vaste land en het gereed maken van buitenlandsche bijdragen voor hun tijdschriften, was zijn plaats als voorganger reeds ingenomen door zijn leerling, A. Hardenberg,[31] een uitnemend Schriftkenner en Schriftuitlegger, doch zonder welsprekendheid. “Eben Haëzer” was inmiddels al verkocht, daar de gemeente niet aan de zware financieele verplichtingen kon voldoen en “Tecum Habita”, nu verkleind, in-[123]-gehuurd. Hardenberg bedankte wegens het verloopen van zijn gehoor en werd opgevolgd door Ds. Ziegler, predikant bij de Belgische Zendingskerk, doch ook hij nam na een jaar ontslag, daar de gemeente hem te “kerksch” vond en niet gediend was van zijn invoeren van den kinderdoop. In zijn plaats trad nu de evangelist F. J. van Meerloo te Sneek, wiens arbeid en overgang tot het Baptisme uitvoeriger in hoofdstuk IX zullen besproken worden.


[1] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1856, bl. 154.

[2] Brieven van Wormser aan Groen, 31 Mei 1850.

[3] Over de Liefde in zijn betrekking tot “de Handwijzer” zie men “Brieven van Wormser aan Groen”, 31 Mei, 23, 24 Sept., 8 Nov., 6 Dec. 1850, 6 Jan. en 7 Juni 1851.

[4] In het geheel zijn van dit maandschrift 9 jaargangen verschenen. Het propageerde de beginselen der vrije evangelische richting. Een gedeelte er van was gewijd aan christelijke lectuur, een ander gedeelte was polemisch en bestreed het Unitarisme en Rationalisme, alsmede alle valsche orthodoxie. Vooral bestreed het fel het staatskerkelijk beginsel en beschouwde de Hervormde kerk als een instituut ter verspreiding van Unitarisme, Rationalisme en Socianisme onder het volk.

[5] De Liefde gaf uit “Open brief van eenige gevoelens van den thans te Amsterdam beroepen predikant Dr. L.S.P. Meyboom”, Amst. 1833. Mr. I. da Costa gaf uit “Adres ter gelegenheid van het beroep van Dr. J.L.P. Meyboom”, Amst. 1053.

[6] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1858, bl. 462 v.v.

[7] Dat blijkt nog uit zijn laatsten brief aan Mr. Groen van Prinsterer d.d. 2 Maart 1868 uit Londen, waarin hij 't betreurt niet met Groen te kunnen samenwerken, om verder zijn hart te luchten in een ontzettend schelden op “de vrome orthodoxe dominees, die stomme honden, die om hunner huid wille, allen loyalen, eerlijken strijd mijden, die trouwelooze huurlingen, die liever hun medelijden met de schapen uitdrukken, dan met en voor de schapen leven!”

[8] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1856, bl. 155 v.v.

[9] Zie over haar “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1855, bl. 148 v.v., 338 v.v. en verdere jaargangen, waarin de jaarverslagen voorkomen.

[10] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1858, bl. 151.

[11] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1854, bl. 221 v.v.

[12] Op een Zondagavond liepen de ouders van den heer N. Zerbst te Amsterdam, thans lid der Baptistengemeente, met hun kinderen te wandelen, toen zij dit gebouw voorbij kwamen, waaruit psalmgezang hun tegenklonk. Zij traden het binnen en op de gaanderij gekomen zagen zij een vrij groote zaal netjes ingericht en eivol met aandachtige toehoorders, meestal net publiek. De prediking maakte op het echtpaar zulk een diepen indruk, dat zij vanaf dat oogenblik trouwe hoorders en gemeenteleden van de Liefde werden. Volgens mededeeling van den heer N. Zerbst.

[13] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1854, bl. 62 v.v., bl. 222 v.v.

[14] Brief van de Liefde aan Groen v. Prinsterer, 1854, in het Rijksarchief te 's Gravenhage.

[15] “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1854, bl. 225.

[16] Meerdere bijzonderheden: “Volksmagazijn”, 1854, bl. 188 v.v. en bl. 226.

[17] “Volsmagazijn, 1856, blz. 375.

[18] “Volksmagazijn”, 1854, blz. 325 v.v. Ook afzonderlijk uitgegeven.

[19] “Volksmagazijn”, 1857, blz. 331.

[20] “Volksmagazijn”, 1856, blz. 358—360.

[21] “Volksmagazijn”, 1867, blz. 495 v.v.

[22] B.v. te Workum. Zie over deze Afdeeling mijn “It Fryske Reveil” yn portretten, Snits 1911, blz. 153—158.

[23] Over de oprichting der Vrije Evangel. gemeente zie men “Volks-magazijn”, 1856, bl. 294 v.v.

[24] “Bazuin”, 1856, no. 32.

[25] “Volksmagazijn”, 1846, bl. 351.

[26] “Bazuin”, 1856, no. 32.

[27] Bazuin”, 1857, no. 48.

[28] Een groot langwerpig vierkant gebouw met drie gaanderijen.

[29] “Volksmagazijn”, 1858, bl. 330 v.v.

[30] Brief van de Liefde aan Groen v. Prinsterer, 13 April 1864, in het rijksarchief te 's Gravenhage.

[31] Ik vermoed reeds in 1860, daar de gemeente in dat jaar ook een beroep uitbracht op Ds. J. H. Gunning jr., later hoogleeraar, wiens uitvoerig gemotiveerd bedanken door de Liefde beantwoord werd in een “Openbaren Brief.”

 

 

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman