Hoofdstuk 3

De Amsterdamse broederschap[1]

[75] In alle stilte en vrij van vreemden invloed werd ook te Amsterdam de doop voorwerp van onderzoek. En nu niet door gestudeerden maar door, eenvoudige mannen uit het volk. Het was omstreeks 1840 dat eenige vrienden één avond per week plachten samen te komen om de Heilige Schrift te onderzoeken ten einde de waarheden des Christelijken geloofs beter te leeren verstaan. Een hunner, een Doopsgezinde, stelde den doop aan de orde en om daarin meer licht te verkrijgen zou ieder lid van het gezelschap een gedeelte der Heilige Schrift voor zijn rekening nemen en daaruit verzamelen en zoo onbevooroordeeld mogelijk overdenken, de plaatsen, die op den doop betrekking hadden. De Doopsgezinde verklaarde zelfs, terstond tot de Nederlandsen Hervormde kerk te zullen overgaan, bijaldien mocht blijken dat de kinderdoop schriftmatig was.

Het onderzoek bewoog zich in hoofdzaak om deze drie vragen: wat is doopen? Wat beteekent doopen? En voor wie is het ingesteld? Hun slotsom was: de doop is een zinnebeeldige handeling, ingesteld door den Heer ten behoeve van hen die hun gemeenschap aan Zijn dood, begraving en opstanding in het geloof belijden. Niemand evenwel dacht aan de mogelijkheid, dat deze opvatting nog eens in praktijk zou worden gebracht. Niemand waagde het zelfs de [76] begeerte daarnaar uit te spreken. Wel maakten eenigen de gevolgtrekking: wij zijn toch eigenlijk niet gedoopt.

De ziel van dit gezelschap was Hendrik, Gerardus Tekelenburg, 19 Januari 1805 te Amsterdam geboren en 27 Januari van dat zelfde jaar in de Oude Kerk gedoopt.[2] Zijn bekeering beschrijft hij aldus:[3] “Toen ik een jongeling was, verdwaalde ik in de doolhoven der valschelijk dusgenaamde wetenschap. Geen rust noch troost vindende en aangeklaagd door mijn conscientie, wierp ik alle boeken van mij weg. De Heer maakte mij indachtig: “Ik zal hen zelf onderwjjzen” en “Ik dank U, Vader, dat gij deze dingen den wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard.” Ik begon den bijbel te lezen. Spoedig werd het mij niet alleen het eenige boek dat ik las maar het Gouden Boek. En toen mij het licht opging over het betoog van Paulus in den brief aan de Romeinen, n.l, dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt door de werken, noch door vervulling van zijn plichten jegens God of de menschen, maar door het geloof in Jezus Christus om niet; dat de vergeving onzer zonden ons wordt aangeboden, ja dat dit juist de inhoud der blijde boodschap is, toen ik dat inzag, was ik onuitsprekelijk gelukkig. Het was een parel die ik zelf gevonden had. Nu werd mij de bijbel het boek der boeken en hij is het tot nu toe gebleven. Wat ik voor en na vond deelde ik mede aan anderen, maar ik moet bekennen, het vond weinig weerklank, soms terugstuiting, ja afwijzing. Maar ik heb mij niet laten afschrikken door het oordeel van zondige en zwakke medemenschen. Het Woord is mij steeds de bron geweest, waaruit ik lafenis, bemoediging en vertroosting gevonden heb.”

Hij maakte in 1830—31 den tiendaagschen veldtocht mede en ontving daarvoor de medaille voor moed, beleid en trouw. Als boekhouder van de reederij Jeremias Meijes en Zonen [77] was hij met de moderne talen vertrouwd. Zijn sympathieën gingen uit den aard der zaak meer naar het handeldrijvende Engeland dan naar Duitschland. Hij had een onderzoekenden geest, een ruimen blik, een vriendelijk, bedachtzaam, maar tevens zeer beslist karakter en hij beschikte over een welversneden pen.

Geregeld en zonder stoornis vonden de avondsamenkomsten van het gezelschap elke week in de woning van een der vrienden plaats, totdat in Mei 1845 J. Köbner van Hamburg en J.E. Feisser van Gasselter-Nijveen in hun midden kwamen.[4] Hoe zij kennis aan het gezelschap hebben gekregen, ligt in het duister maar vast staat, dat bij dit bezoek vier leden van den vriendenkring zich door Köbner lieten doopen. Een gemeente werd echter nog niet gevormd. Zij hielden zelfs hun doop geheim en bleven lid van de kerk waartoe zij behoorden.[5]

Toch bracht de doop een scheuring te weeg in den vriendenkring, die overigens door innige liefdebanden was saamgesnoerd. De Pinto en Feisser lieten niet na hen den eisch des waren gemeentelijken levens, én door brief én door persoonlijk bezoek, voor te houden. En toen in den loop van 1847 bij een samenkomst het gesprek viel op Daniël, den knecht des Heeren, die los van alle menschenvrees, op straffe des doods, voor de open vensteren biddend zijn aangezicht naar Jeruzalem wendde, werd Tekelenburg daardoor zoo in de ziel gegrepen, dat hij niet langer aarzelde en het lidmaatschap der Nederlandsch Hervormde kerk opzei.

De kleine gemeente die zich nu vormde kreeg tot haar blijdschap een uitnemenden steun in den waardigen Joseph Millard, leeraar in de Engelsche taal te Amsterdam, vader van den zendeling op Jamaica Benjamin Millard. Hij mocht in 1848 tot de gemeente zeven personen toebrengen, die door hem gedoopt en met de door Köbner gedoopten wer-[78]-den samengevoegd. En wonderlijk! het volgend jaar trad tot hen toe de man, van wien wij dit allerminst verwacht zouden hebben — de Liefde.

Wat mag hem daartoe hebben bewogen? Na twee jaar in Duitschland te hebben vertoefd, eerst te Meurs bij director Zahn[6] en vervolgens als waarnemend directeur van het zendingshuis der “Rheinische Mission” te Barmen, was hij naar het vaderland teruggekeerd en had hij zich metterwoon te Abcoude gevestigd, waar hij aan de kost zag te komen met het schrijven van boeken. Maar hij hunkerde naar iets anders. Zijn hart verteerde van verlangen naar een innig gemeenschapsleven met zoovele kinderen Gods die hem lief waren, doch die door kerkmuren van hem gescheiden werden. Hij ontlastte zijn gemoed aan Mevrouw Groen van Prinsterer, die hem op het laatste kerstfeest “een lieven brief met geestelijken en stoffelijken inhoud” had gezonden. “Mocht het nu ingetreden jaar” — aldus schreef hij haar — “ook in dezen gunstige veranderingen opleveren door de kracht en de Geest onzes Gods. Tot geen genootschap behoorende, kan ik ook voor geen strijden en hoe zal ik voor de instandhouding van datgene bidden, wat mij buitensluit en buitensluiten moet. Ik heb gebeden, dat de Heer in dit jaar alle Zijne kinderen uit de menschelijke kerkgenootschappen uitvoeren en hen in Zijn goddelijk huis, dat niet van hout of steen is, vereenigen; en ik heb gebeden, dat Hij hen beware ooit weer kerkgenootschappen te maken. Die in den hemel een zullen zijn, behooren het ook op aarde te zijn, en zoo er in den hemel geene scheidsmuren bestaan, behooren zij ook op aarde niet gevonden te worden. De Heere Christus is gekomen om middelmuren des afscheidsels weg te nemen, niet om ze op te richten tusschen Zijne schapen. De scheidsmuren, die er bestaan zijn Zijn werk niet.”[7]

[79] Inderdaad bracht het nieuwe jaar verandering. Het geliefd Amsterdam werd zijn woonplaats en toen was het de drang naar gemeenschap die hem tot de kleine Baptistische broederschap dreef, vooral toen hij in Millard en Tekelenburg mannen vond, aan wie de geest van sectarisme, dien hij bij Oncken en Köbner meende te bespeuren, vreemd was. ln zijn vreugde over het vinden van deze huisgemeente, dit nieuwe Bethanië, Iiet hij zich in den herfst van 1849 door Millard doopen. Of ook de overgang van den vermaarden predikant der Engelsche Staatskerk Baptist W. Noël tot de Baptistengemeente te Londen daartoe mede den stoot heeft gegeven? Dit is niet onmogelijk. Bij de Amsterdamsche broederschap althans verwekte de doop van Noël, 9 Aug. 1849, groote vreugde. Toen het Septembernummer van het “Baptist Magazine” de vrijmoedige belijdenis bevatte, die hij aan den oever der wateren had afgelegd, haastte Tekelenburg zich om ze te vertalen en in de eerstvolgende samenkomst aan de broeders voor te lezen. Het drietal doopcandidaten, die zich daarbij bevonden, voelden zich door dat woord zoo versterkt en verkwikt, dat zij met groote blijdschap in het badwater afdaalden. Onder den indruk van het gebeurde zond de gemeente aan Noël een broederlijk schrijven, waarin zijn openlijke belijdenis als een werk Gods en als een daad der vrijheid en der gehoorzaamheid werd geprezen.[8]

De Liefde was te veel evangelist dan dat hij zich in een kleinen kring kon opsluiten. Hij begon te prediken in een timmerloods en had grooten toeloop. Ook trad hij geregeld op te Zaandam, Ouderkerk en andere plaatsen romdom Amsterdam. Toen hij echter den doop der geloovigen liet rusten en niet als eisch stelde bij toetreding tot de gemeente, bracht dit hem in botsing met de broederschap. Nadat het tot een breuk gekomen was, bewandelde hij voortaan eigen [80] wegen. Dit kostte de gemeente een geduchte aderlating: het aantal leden slonk tot op de helft.

De Liefde voelde den eersten tijd den vleugelslag van het Darbisme, dat zich kant tegen al wat eenigszins naar stelselmatige orde zweemt en de ware orde des Christelijken levens stelt in een strikt individualisme; dat zich weinig bekommert om de massa en slechts de geloovigen in kleine kringen en gezelschappen vergadert. Hierbij vond hij echter ook geen vrede. Hij had behoefte aan systeem, aan bestendige samenwerking en aan geregelde bearbeiding van den bodem des volks. De kracht daarvan werd gevoeld in de broederschap, die hij had verlaten en zij besloot pogingen aan te wenden tot het verkrijgen van een voorganger. Tekelenburg schreef nu een hartelijke, dringende uitnoodiging aan Feisser te Nieuwe-Pekela om tot hen over te komen.

Deze gaf daaraan September 1850 gehoor, “met nieuw vuur bezield om zich met ijver aan de zaak des Heeren te wijden en Gode ootmoedig vergiffenis smeekende voor het stilzitten gedurende de laatste jaren.” Een aanvraag uit Hamburg werd beantwoord met een toezegging van zes honderd gulden jaarlijks. Groot was de vreugde der broeders en vurige dankzeggingen stegen op voor den troon. Maar te pijnlijker

was voor Feisser de teleurstelling die volgde. Hij dacht dat de broeders een lokaal zouden gehuurd hebben, waarin hij geregeld kon optreden en dat men zijn komst in wijderen kring zou hebben bekend gemaakt, maar er was niets gedaan. De broeders hadden het over dag allen even druk, zoodat hij zelf zijn heil maar moest zoeken. Uit nood ging hij nu prediken te Zaandam en Ouderkerk, waar ook de Liefde had gearbeid, doch ook daar viel het hem tegen. Wel bemerkte hij, “dat de ouderwetsche, stijve begrippen” er wat uitgegaan waren en dat de menschen een eenigszins vrijer standpunt hadden ingenomen, maar aangezien de Liefde den doop der geloovigen en het gemeentelijk leven nog niet had durven aanprijzen, was er voor hem in het wezen der zaak nog zoo goed als niets gedaan. Met groote moeite kreeg hij [81] des avonds na achten de Amsterdamsche broeders bij elkaar. Ook stelde het geestelijk peil, waarop zij stonden hem teleur. “Die recht met ons één zijn, zooals een paar ook bij ons, zijn hier zeldzaam. Onzedelijke, geveinsde zielen verreweg de meerderheid,” zoo moest hij getuigen. Het eenige wat voor de massa gedaan werd, was een z.g.n. bijbellezing, maar deze werd door niet meer dan drie of vier bijgewoond. Van een zaaien aan alle wateren geen spoor. Niet zonder bitterheid schreef hij aan zijn vrouw: “dat zingt en bidt, leest zoo wat voort, zonder bepaalde richting of bedoeling. Het heeft den schijn of het een soort plaisir of uitspanning is, of een visitetje zooals bij de wereld gebeurt, met die uizondering dat zij zaken van godsdienstige waarheid wetenschappelijk behandelen.” Toen men aan het rekenen ging, was de slotsom dat wanneer Feisser met de zijnen zich te Amsterdam vestigde en hij een woning met lokaal ter zijner beschikking zou hebben, daarvoor minstens twee duizend gulden per jaar noodig was. En nu kon men, de subsidie uit Hamburg meegerekend, het ternauwernood op de helft brengen. Hij achtte het dan ook onverantwoordelijk het aanzoek aan te nemen en stelde voor dat broeder Tekelenburg, de verstgevorderde onder de broeders, die de gave des gebeds en der prediking had, zijn betrekking op het kantoor aan de zaak des Heeren zou ten offer brengen, zonder dat hij daarbij eenige financieele schade zou lijden. Deze was bovendien met zijn klein gezin aan de Hollandsche leefwijze op kamers gewoon. Aldus zou aan de bestaande behoefte vrijwel zijn voldaan en met veel geringer kosten en opoffering. Maar dit voorstel stuitte af op allerlei bezwaren.

Zondag 13 October werd na een samenkomst, die zes uren duurde, de knoop door Feisser doorgehakt. Hij besloot over een week huiswaarts te keeren, ten volle overtuigd dat hij en de Amsterdamsche broederschap vooralsnog niet voor elkander pasten. Toen hadden zij spijt van hun traagheid en verklaarden zich nog bereid een lokaal te huren, maar Feisser achtte het God verzoeken als men zich voor half-[82]-rijpe dingen in schulden stak.[9] Hij vertrok en de vergaderingen werden weer op den ouden voet, ten huize van broeder Tekelenburg, voortgezet. Ook kwam men eenigen tijd samen bij Millard,[10] maar daarna keerde men terug naar de Hoogte van den Kadijk, waar broeder Tekelenburg woonde. Elken eersten Zondag der maand werd het Heilig Avondmaal gevierd en wanneer zich personen voor den doop aanmeldden werd een der broederen uitgenoodigd om de plechtigheid te verrichten.[11]

Het opkomend Darbisme bracht van 1854—58 vrij wat beroering in de gemeente te weeg. Tekelenburg las met groote instemming Darby's “Reflection upon the prophetic inquiry”[12] en bij dat ééne geschrift zal het niet zijn gebleven. In de maand September 1854 kwam Darby in eigen persoon, op zijn doorreis naar Duitschland, in het midden der broederen. De samenkomst had plaats ten huize van een van de Liefde's vrienden. Op een bovenkamer waren een twintigtal personen, meest uit den kring van de Liefde en de Baptistengemeente, bijeen. Ook de Liefde was tegenwoordig. Men hoopte, dat Darby zijn reeds bekende gevoelens nader zou ontwikkelen, maar daarin vond men zich teleur-[83]-gesteld. Hij gaf enkel een stichtelijke verklaring van Johannes XIII. Toen na het einde der rede de aanwezigen hem voorstelden wederom een samenkomst, maar voor grooter publiek, te houden, bood de Liefde zijn kerkgebouw daarvoor aan. Dit vond echter bij de naaste vrienden van Darby groot bezwaar, daar men het wenschelijker achtte, dat hij zich op “neutraal terrein” hield en ook in een kleiner localiteit sprak, daar toch het volk niet onder zijn gehoor kwam, wijl hij zich van de Fransche taal bediende. Een zaal in het Wapen van Amsterdam op het Rusland werd dus voorgeslagen en tevens bepaald dat Darby over drie dagen, des avonds ten zeven ure, aldaar weder een bijeenkomst zou leiden. De Liefde stelde nu voor door een advertentie in een der nieuwsbladen aan de zaak algemeene bekendheid te geven. Doch hier verklaarden zich Darby en zijn vrienden beslist tegen, “parce qu' il ne parlait pas pour les curieux mais pour les serieus.” “Maar mijne heeren.” zeide “Liefde “zijn de meesten van ons ernstigdenkenden niet begonnen nieuwsgierigen te zijn? En zullen wij nu de nieuwsgierigen buiten de gelegenheid stellen om ernstigdenkenden te kunnen worden?” Deze tegenwerping, waarvan de gegrondheid niet kon ontkend worden, was echter niet in staat de Darbisten van gevoelen te veranderen.

De volgende vergadering was een weinig talrijker dan de vorige. Ook zag men de Liefde weer onder het gehoor. Darby besprak nu 2 Cor. 1. De Liefde getuigde er van: “naarmate het gehoor zich had uitgebreid, had zich de kring van Darby's denkbeelden vernauwd.” Ook werd hij slecht verstaan, zoodat de indruk die zijn optreden achterliet, niet groot was.[13] Toch, brak het Darbisme zich steeds meer baan, hetgeen vooral moet worden toegeschreven aan het optreden van één der broeders van de Amsterdamsche Baptistengemeente, Eberstad geheeten, die zich als een vurig aanhanger [84] van Darby's gevoelen deed kennen.[14] Hij wilde in de gemeente als geregelde toestand zien vastgesteld, dat er geen verhindering ware om met ieder kind van God Avondmaal te houden, ook dus met hen die den doop der geloovigen niet hadden ondergaan. Hij weigerde echter Avondmaal te houden met dezulken die dezen ongeregelden toestand slechts bij wijze van uitzondering wilden toelaten. Had hij dit laatste voorgestaan, aangemerkt de Christenen in zeer buitengewone toestanden verkeerden, de gemeente zou waarschijnlijk met hem zijn meegegaan, maar zijn stelling, dat wie als kind gedoopt was ook als gedoopte moest beschouwd worden, was in het oog der gemeente, “gelijk wanneer men een valsche munt dezelfde waarde toekende als een echte munt.” Tekelenburg merkte tegen hem op, dat hij de liefde tot degenen, die het naastbij stonden, krenkte om dergenen wil die nog wie weet hoe verre stonden. Overigens nam hij een [85] zeer milde, tolerante houding tegenover Eberstad en de dissentieerende broeders aan. Hij schreef hun: “Is broeder Eberstad overtuigd naar des Heeren wil te handelen, door te trachten een nieuwe vergadering in het leven te roepen, gebouwd op den door hem voorgestelden grondslag, zoo doe hij dat. En wanneer er zich uit onze vergadering eenige leden meenen te moeten bijvoegen, omdat zij om des gewetens wille zich beter met de door broeder Eberstad vooropgestelde beginselen kunnen vereenigen, zoo zal dit van mijn zijde geen stoornis in de hun toegedragene liefde verwekken. De vereeniging of samenvoeging van eenige kinderen Gods moet geen gedwongen zaak zijn, maar een vrije daad des harten. De groote familie van Gods kinderen kunnen en mogen zich in verscheidene huisgezinnen tezamen voegen. Ieder huisgezin kan zijn eigenaardig karakter hebben, doch behoeft daarom noch in vergadering te leven met een ander huisgezin, noch angstvallig de eigenaardigheden van een ander huisgezin over te nemen om hierdoor een zekere gelijkvormigheid daar te stellen, die immer zal blijken schade toe te brengen aan het geestelijk leven.”[15]

Behalve het uiteenloopend gevoelen over doop, Avondmaal en gemeentelijk leven, werkten nog andere oorzaken er toe mee, dat Eberstad een nieuwe vergadering in het leven riep, zoodat de gemeente in tweeën werd gescheurd, waarvan een deel den weg der Darbisten ging. Eberstad zocht ook een deel der broeders te lokken uit den kring van de Liefde, wat hem bij meer dan een en op verschillende plaatsen gelukte. De Liefde stelde herhaaldelijk moeite in het werk om hem te spreken te krijgen, ten einde met hem het verschil van inzicht zoo mogelijk tot vereffening te brengen. Doch tevergeefs, Eberstad gaf hem ten antwoord dat hij er zwarigheid in zag met hem in gesprek te treden. Eindelijk bij geval hem in gezelschap ontmoetende, ontwikkelde de Liefde zijn bezwaren tegen de Darbistische richting in zijn tegen-[86]-woordigheid, doch tot zijn groote teleurstelling verwijderde Eberstad zich op eenmaal zonder een woord op al het aangevoerde te antwoorden. Toen de Liefde later in een der vriendenkringen[16] vernam, dat Eberstad ook daar begonnen was te arbeiden, gaf hij onbewimpeld te kennen dat hij dit zeer bedenkelijk achtte en zwarigheid maakte zijn werkzaamheden aldaar voort te zetten, indien men besloot zich onder Eberstad's invloed te stellen, daar hij geen lust gevoelde zijn krachten en tijd te besteden aan den opbouw eener zaak, welke een ander achter zijn rug weer zou afbreken.[17] De bres door den Darbistischen strijd in de muren der kleine gemeente ontstaan, werd in 1861—62 door enkele nieuwe broeders en zusters aangevuld. Broeder Tekelenburg had nu weer de leiding en hij stond trouw op de wachtpost om de hem dierbare beginselen te verdedigen. Toen b.v. in “de Heraut” van 20 Juli 1862 in het voorstuk uit [87] Matth. 28:19 gevolgtrekkingen werden afgeleid, die naar zijn overtuiging onschriftuurlijk waren, zond hij aan den redacteur Schwartz het uit het Fransch vertaalde werkje van J. Lenoir, “Kinderdoop of Bejaardendoop”, Groningen 1858, met verzoek het den ongenoemden schrijver van het Herautartikel ter lezing aan te bieden en in een volgend nummer van “de Heraut” een letterlijk getrouwe overzetting van Matth. 28:19 te plaatsen.

Elken Dinsdagavond hield hij een bijbelbespreking, waarvan het schema biddend en na nauwkeurig Schriftonderzoek werd opgesteld. Hij wist daarin op tactvolle wijze Schrift met Schrift te vergelijken en te combineeren, gelijk uit zijn “Memorie van 't geen besproken is”[18] op elke bladzijde blijkt. Hij vreesde in geloofszaken én het spel der verbeelding, én het kerkelijk overgeleverd systeem én alle gevoelsreligie. Uit zijn hart waren geschreven de woorden uit John Cumming's “De groote Verdrukking”, een boek dat hij liefhad: “Welke is de godsdienst die leert volharden? De godsdienst des verstands, opgewassen uit den kweekbodem der waarheidkennis; de godsdienst des harten, welker wortelvezelen zich in alle richtingen uitspreiden; de godsdienst der conscientie die in het verlicht en geheiligd geweten haar wet en beweegkracht vindt; deze drie allen, maar gewerkt en geleerd door den Heiligen Geest.”

Hoe Tekelenburg dacht over de opname van nieuwe leden in de gemeente kan blijken uit de volgende, schoone, rustige echt evangelische overdenking, gehouden 26 September 1862.

“Naar ik mij weet te herinneren, is er geen voorbeeld, dat de Heer Jezus iemand dergenen, die tot Hem kwamen, heeft afgewezen. Maar toch waren er die zich bij den Heer aanmeldden en weder terugkeerden. De Heer wees hen niet af, maar zocht hen in te lichten omtrent den eisch des wegs, dien zij zich bereid verklaarden te bewandelen. De Heer stelde hen, die zich bereid verklaarden hem te volgen al de [88] moeilijkheden voor die aan dat volgen verbonden waren. En hierom schijnt het mij toe, dat het aannemen van eenig lid tot ons geestelijk huisgezin niet mag afhankelijk gesteld worden van den wil van eenige, noch van die der gezamenlijke leden des huisgezins. Maar dat daarentegen de vraag moet gesteld worden of iemand, die zich aanmeldt genoegzaam is ingelicht omtrent den regel van geloof en leven, die door ons gevolgd wordt en die naar ons beste weten overeenkomt met de voorschriften des Heeren Jezus en zijner apostelen.

Bovendien zou het alleszins nuttig zijn, indien men door samenspreking wist te ontdekken of er ook eenig zuurdeeg bij den aankomeling aanwezig was, ten einde zulks eerst mocht worden uitgezuiverd. De benaming zuurdeeg verdient bovenal zoodanige leer en wandel, die ontstaan door het verkeerde gebruik of toepassen van een anderszins erkende waarheid. Deeg dat zuur is, brengt den geheelen klomp aan het gisten. En het is hierom van het grootste gewicht, dat een paar der broeders of zusters van het huisgezin zich belasten met de kennisneming van den persoon, die zich aanmeldt en die zich bereid dienen te verklaren om zooveel tijd en krachten te besteden als noodig zal .zijn ten einde zich wel te overtuigen of zij vrijheid hebben den aankomende met alle vrijmoedigheid aan te bevelen om onder de broeders en zusters te worden opgenomen als lid van het huisgezin. Daartoe is niet alleen noodig een genoegzame bekendheid met den regel van geloof en leven door ons gevolgd, maar evenzeer een bereid zijn om met ons dienzelfden regel te volgen. De kennis van den weg en de bereidwilligheid om dien te bewandelen zijn de eigenaardige eisenen tot opname van een nieuw lid des gezins. Verder zou men niet mogen gaan. De Heer Jezus en zijn apostelen zelven eischten niet meer. Maar nu ontstaat de vraag: welke is de regel van geloof en leven dien wij volgen?

Onder de Protestanten over het algemeen zal men gezind zijn, als zoodanig den Bijbel te noemen.

[89] Voor hem die het onderscheid kent tusschen het verbond der wet en dat der genade, zal dit antwoord te onbepaald zijn. En omdat het te onbepaald is zal het verwarring in de toepassing opleveren.

Is het dan genoegzaam de boeken des Nieuwen Verbonds te noemen?

Ik meen, dat door zich zoo uit te drukken, wij in gevaar zullen komen om van de geschriften des Nieuwen Testaments onze wet te maken, ze op te vatten in wettischen zin.

De geschriften des Nieuwen Testaments moeten ons dienen om den Heer Jezus en door en in Hem 's Vaders wil te leeren kennen en hoe die wordt volbracht, opdat wij door middel eener gedurige aanschouwing van zijn persoon, zelve van dag tot dag naar 's Heeren beeld vernieuwd worden, als door 's Heeren Geest.

Het ligt in den aard der zaak, dat schier ieder lid des geestelijken huisgezins, in trap en mate van geestelijke kennis en ontwikkeling van de overigen verschilt. Daarom zal het altijd onvoldoende bevonden worden om aankomenden slechts een reeks van waarheden te doen belijden, die hoe goed gekozen en gerangschikt, altijd voor den een te hoog of te veelomvattend en voor anderen te schraal en te onvolledig zullen zijn. Levende zielen, die zich aan den levenden Christus vasthouden en in hun volgen van dien eenigen Herder het bewijs leveren, dat zij levend gemaakt zijn, kunnen zich niet bepalen tot een zeker samenstel van waarheden maar hebben gedurig noodig gevoed te worden door het levend woord, dat door den Geest vruchtbaar gemaakt, verkwikt, laaft en voedt ten eeuwigen leven.

Het behoort tot den kinderlijken leeftijd de geboden des Heeren op de vingers te tellen. Hebben wij den kinderlijken leeftijd doorloopen, dan past het ons te proeven en te onderzoeken wat Gode welbehagelijk zij. Dan dienen wij niet in de oudheid der letter, maar in nieuwigheid des geestes! Dan oefenen wij ons om te proeven wat in overeenstemming is met de volmaakte wille Gods. Want Hij heeft [90] ons van Zijnen Geest gegeven. Hij heeft ons door het geschenk van dien Geest in staat gesteld om te kunnen proeven wat Hem welbehaaglijk is en wat daarvan verschilt. De regel van geloof en leven is alzoo geen andere dan de Heer Jezus zelf. Hem te gelooven, die van den Vader is uitgegaan; in Hem ons vertrouwen te stellen voor den tijd en voor de eeuwigheid. Zijn getuigenis voor waar te omhelzen; Zijne voorschriften op te volgen; in en met Hem den ouden mensen der zonde af te sterven; in en met Hem den nieuwen mensch aan te doen; Zijne voetstappen te drukken; in den weg dien Hij betreden heeft Hem na te volgen, omdat die weg eenig en alleen tot die uitkomst leidt. In en met Hem gerechtvaardigd zijnde is ons de poort des Hemelschen tempels geopend, de toegang tot de bruiloftzaal verzekerd. Maar de weg die er heen leidt moet doorloopen worden. Evenals Israël! Kanaän was hun bereid, het bezit hun verzekerd, maar zij moesten den weg, die er heen leidde doorwandelen. En die werd hun te moeilijk. Zij wenschten terug te keeren naar Egypte. Israël was gelijk aan de tweede en derde soort van grondmin de gelijkenis van den zaaier. Hoe weinigen van degenen die Egypte verlaten hadden, kwamen behouden in Kanaän! O Heer, sterk en help ons, dat wij staande mogen blijven en de ingang van de bruiloftzaal bereiken. Leer ons alle moeilijkheden, die den weg versperren, overwinnen”. Daar ook de andere broeders met broeder Tekelenburg van lieverlede de wenschelijkheid inzagen, dat een “deurwachter” de zorg op zich nam over personen die zich bij de gemeente wilden aansluiten, werd over deze zaak vergadering gehouden. Tegenwoordig waren de broeders H.G. Tekelenburg, J.F. Mahns, J. Stargard, J.G. Kreijenbroek, W.F. Bruessing, H. Harms, A. Berg, A. Kappelhof en J.C. Dirks.[19] Afwezig waren de gebroeders van Essen en C. Kreijenbroek Jr. Met meerderheid van stemmen werd broeder Tekelenburg gekozen en hem opgedragen met de aankomen-[91]-de personen te spreken ten einde zich te overtuigen van de oprechtheid hunner gevoelens.

In April 1863 bracht Spurgeon, de vermaarde Engelsche Baptistenprediker, een bezoek aan Nederland. Hij vroeg bij die gelegenheid naar zijn broeders, maar niemand wist ze hem aan te wijzen. Men bracht hem bij de Doopsgezinden, men sprak hem van den doop der bejaarden, maar hij schudde met het hoofd.[20] Eindelijk kwam zijn begeerte de broederschap ter oore en zij gaf Spurgeon kennis van haar bestaan en noodigde hem in haar midden. Doch toen liet zijn tijd niet meer toe aan dit verzoek te voldoen. Hij zond hun echter het volgende schrijven:[21]

Aan de gedoopte gemeentelijke vergadering ten huize van broeder Tekelenburg te Amsterdam, biedt hun broeder in den Heere Jezus zijn hartelijke en welmeenende groeten aan.

waarde broeders!

De weinige tijd die ik hier te lande ter mijner beschikking heb, wordt door veelvuldig bezoek van vrienden zoo ingenomen dat ik u niet dan in haast eenige letteren kan schrijven.

Ik verheug mij dat in uw land, zoo ingenomen door rationalismus en ketterijen van allerlei soort, de Heer eenige weinigen heeft opgewekt die den goeden ouden weg liefhebben. Gij zult, getrouw zijnde, het zout van dit land in toekomstige jaren zijn. Indien allen zich beijveren om de Waarheid voort te planten, zult gij welhaast tot eene groote menigte aangroeien. Onze broeder Oncken in Duitschland kan u tot aanmoedigend voorbeeld strekken. Zijn welslagen moge u tot ijver en volharding aansporen. Vrees geene vervolging, verberg geene waarheid. Laat uw wachtwoord [92] zijn: Cedo nulli. Holland heeft behoefte aan moedige Christenen. Vreesachtigheid nut niet. Dat de vrede Gods u allen onder zijne vleugels beware en u grootelijks vermenigvuldige.

Het antwoord dat hij daarop ontving en dat ons tevens een indruk geeft van de lijdensgeschiedenis, waarop de broederschap kon terugzien, luidde als volgt:[22]

waarde broeder, dien wij hoogachten en liefhebben in onzen Heer en Zaligmaker Jezus!

Wij kunnen niet nalaten U onzen hartelijken dank te betuigen voor Uwe broederlijke opwekking en vermaning. Deze uwe belangstelling is ons, zwakke dragers van waarheden, die bij de wereld bespot en bij hen die geacht worden kinderen Gods te zijn, miskend en veracht worden, heeft ons zeer verkwikt en de dankzegging onder ons vermenigvuldigd. Ons gebed is, dat de Heer op het door U gesproken woord zijn zegen gebiede en U genadig beware van niet bedwelmd te worden door den wierook der menschen en Hij ons verwaardige en bekwame om aan Uwe opwekking en vermaning te beantwoorden. Wij willen U niet vermoeien met een verhaal van onze beproevingen, noch der droefenissen ons aangedaan door zoo velen, die den eens ingeslagen smallen doch goeden weg weder verlieten; maar ons liever in Uwe gebeden en die der broederen ten Uwent aanbevelen, opdat 's Heeren kracht in onze zwakheid moge aanschouwd en erkend worden.

De gedoopte discipelen Christi, vergaderende ten huize van H.G. Tekelenburg en namens dezelve, H.G. tekelenburg.

Nu waren er onder de broeders, die het niet enkel bij een fraai schrijven wilden laten. Zij hadden in hun conscien-[93]-tie het zachte verwijt, dat Spurgeon hun wegens gemis aan durf en energie had toegediend, gevoeld en zij achtten thans openbare prediking voor alles plicht. Nu zou het wezen! Allereerst zou een aanvrage om erkenning bij de Regeering in zee. Broeder Tekelenburg stelde een concept op en als bijlage een “Proeve eener beknopte Belijdenis van Geloof” in zeventien artikelen. Op welk een uitnemende wijze hij zich van deze zaak kweet, kan blijken uit eenige kenmerkende artikelen, die wij hier tevens laten volgen om den geest der broederschap te doen kennen:

“Art. 8. Dat de verlossing des menschen eenig en alleen van den aanvang tot het einde een werk Gods is, zoodat ieder verlost zondaar God alleen en geheel de eer zijner verlossing dank weten, dat daarentegen ieder zondaar, die verloren gaat zich zelven alleen en geheel de schuld daarvan zal moeten toekennen.

Dat 's menschen verantwoordelijkheid aan God en mitsdien zijn vrijheid zoover die zich uitstrekt, ter eener zijde en 's menschen afhankelijkheid van God ter anderer zijde een voor den mensen onoplosbaar geheim is; welks beide zijden door hem, die ze geloovig omhelst evenwel in de praktijk of toepassing genoegzaam zullen worden verstaan.

Art. 9. Dat de zinnebeeldige handeling des doops daarin bestaat, dat de doopeling in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes éénmaal onder water gedoopt en terstond weder opgeheven worde; dat de doop alleen volbracht mag worden aan dezulken die belijden, van harte in den Heere Jezus te gelooven. Dat deze zinnebeeldige handeling des doops een diepe en veelomvattende beteekenis heeft, die verloren gaat, wanneer het zinnebeeld veranderd of verminkt wordt en daarom verdient met alle nauwgezetheid en eerbiedigheid te worden volbracht.

Art. 10. Dat de discipelen of volgelingen van den Heer Jezus zich op 's Heeren bevel behooren samen te voegen, als leden van één lichaam tot een geestelijk huisgezin, opdat zij geoefend worden in al wat tot het Christelijk leven en [94] de godzaligheid behoort. Daartoe dient dat zij onderling te zamen komen, de Heilige Schriften lezen, die verklaren, elkander vermanen tot al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zoo er eenige deugd en zoo er eenige lof is dat te bedenken, daarenboven ijverig te zijn in den gebede, afzonderlijk en gezamenlijk en als middel tot bevordering van dat alles elkander te stichten door het zingen van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.

Indien de Heer hun de gelegenheid daartoe verstrekt dan in het openbaar.

Dat zij tot dat einde den eersten dag der week met dankbaarheid aannemen en gebruiken als rust- en feestdag, zijnde de dag der opstanding van den Heer en die als de daartoe meest passende dag door de Christenen is en wordt gehouden. Wij onthouden ons op dien dag van onze gewone beroepsbezigheden, en alle ook niet tot ons beroep behoorende bezigheden laten wij zooveel mogelijk na, ten einde zooveel mogelijk tijd te vinden tot werkzaamheid in het rijk Gods. Art. 11. Dat zij op uitdrukkelijk bevel des Heeren (Matth. V : 34, 37 en Jac. V : 12) zich gedrongen gevoelen om in geen geval, onder welken vorm ook eenen eed te doen; dat zij zich plechtig voornemen altijd de waarheid te spreken, zoodat hun ja, ja, hun neen, neen zal zijn zonder eenig voorbehoud, hoe ook genaamd.”

Art. 12. Dat naar het bevel des Heeren Zijne verlosten Zijns zullen gedenken onder het gebruik van brood en wijn als zinnebeelden van het tot vergeving hunner zonden verbroken lichaam en vergoten bloed des Heeren. Met deze handeling verkondigen zij den dood des Heeren als den eenigen grond hunner behoudenis en tevens hunne gemeenschap aan het lichaam en bloed des Heeren en mitsdien hunn-lannheid onderling. Hieruit vloeit voort dat zij deze inzetting, gewoonlijk Avondmaal genaamd, op hoogen prijs stellen omdat door dezelve de gedachte aan den Zone Gods in hunne harten telkens op nieuw wordt verlevendigd en Hij [95] zich in deze zinnebeeldige handeling voor het oog des geloofs in al den glans Zijner zelfopofferende liefde vertoont.”

Toen eenige maanden daarna de voorganger der Baptistengemeente te Altona, Blair Country in Pensylvanië n.l. D.V. Krevlin te Amsterdam kwam en goede getuigschriften van zijn vorige gemeente kon overleggen, rees bij de broeders de vraag of het niet wenschelijk zou zijn zich bij de Engelsche gemeenten aan te sluiten en dezen evangelieprediker met het oog op openbare prediking voor zich te winnen. Krevlin werd nu uitgenoodigd in hun midden te komen en de Engelsche geloofsbelijdenis aan broeder Kreijenbroek Jr. vertaald te dicteeren. Maandag 6 Maart 1865 werd deze geloofsbelijdenis voorgelezen en over het algemeen met instemming aangehoord. De vertaling bleek echter onbruikbaar te zijn. Ook achtte men hier en daar eenige wijziging gewenscht, alsmede toevoeging van een artikel over den eed, overeenkomstig artikel elf van Tekelenburg's “Proeve.”

Onverwachts echter heette het, dat Krevlin zou vertrekken. Om geheel vrij van hem te zijn werd besloten de broeders Kreijenbroek en Harms naar hem af te vaardigen met de boodschap, dat de broederschap geen poging wenschte te doen om hem hier te houden. Den volgenden dag echter luidde het bericht: Krevlin blijft, in weerwil van de ontvangen boodschap. Opheldering was wenschelijk en toen bleek, dat sommige broeders tegenover Krevlin verder waren gegaan dan hun lastgeving strekte, terwijl hij wel lust scheen te hebben voorganger der gemeente te worden. De onderlinge verhouding werd daardoor wel eenigszins gespannen. Krevlin wenschte nu te weten hoeveel de broeders wekelijks zouden willen of kunnen afzonderen ten einde een openbare prediking te openen. Toen ieder zijn som had bepaald, kwam men tot het besluit dat, wat men in een jaar storten zou, slechts voor een maand voldoende was. Toch wilden eenigen doorzetten. De broeders Kreijenbroek en Mahns jr. noodigden broeder Tekelenburg uit tot een samenkomst ten huize van broeder A. Berg. Alsdan zouden de [96] broeders en zusters voor Krevlin belijdenis doen van hun geloof, vervolgens zouden een president, een scriba en diakenen benoemd worden en deze zouden van Krevlin de handoplegging ontvangen. Alzoo zou door hem een baptistengemeente gecontitueerd worden.

Tekelenburg kon zich met dit voorstel volstrekt niet vereenigen en wilde zelfs de vergadering niet bijwonen.

Daar er weinig leden tegenwoordig waren, kwam het niet tot een beslissing, hoewel Krevlin zeide dat hij bereid was, de zaak met twee of drie broeders op touw te zetten. Daar deinsden ze echter voor terug en Krevlin, die de zaak nu als afgedaan beschouwde, besloot des Zaterdags te vertrekken. Kreijenbroek wist hem echter ter elfder ure te bewegen te blijven en nog een gemeente te stichten, hetgeen 27 Maart zonder medeweten van broeder Tekelenburg geschiedde, zoodat deze nagenoeg alleen overbleef. Toen hij Zondag 2 April 1865, den dag waarop anders des Heeren dood herdacht werd, in zijn woning zat te wachten, verscheen niemand der broederen dan J. Stargard en W.T.B. Bruessing. De gescheiden broeders hadden echter geen vrede met hetgeen zij gedaan hadden. Den 4den Juli gaven zij schriftelijk den wensen te kennen tot vereeniging. Tekelenburg antwoordde dat hij hen als gemeente niet erkende en dat alles wat zij gedaan hadden onwettig was en zonder eenige verbindende kracht. De wedervereeniging kon dus alleen persoonlijk zijn. Ieder broeder of zuster zou hij weder in liefde ontvangen. Daartoe waren zij echter niet bereid. Zij meenden in hun recht te zijn wat de zaak der openbare prediking betrof. Tekelenburg's onverzettelijkheid op dit punt was een doorn in hun oog. Een paar maanden later kwam toch nog de vereeniging tot stand. Dit feit behoort echter tot het hoofdstuk waarin de persoon en de arbeid besproken worden van Peter Johannes de Neui.


[1] De voornaamste bronnen waaruit dit hoofdstuk is geput, zijn de schriftelijke nalatenschap van H. G. Tekelenburg. Zij is thans in het bezit van Mej. A. M. Feisser te N.-Pekela, die er mij welwillend inzage van gaf.

[2] Ook behoorde er toe J. van Wijk Czn.

[3] In een brief aan Johannes Feisser te N.-Pekela, 2 Febr. 1866.

[4] Zij kwamen van Zutphen, bl. 60.

[5] Brief van de Pinto aan Feisser, 12 Juli 1845.

[6] Zie bl. 69.

[7] Brief 2 Jan. 1849, in de brievencollectie van Mr. Groen v. Prinsterer in het Rijksarchief te 's Gravenhage.

[8] Een copie van dit schrijven bevindt zich in het handschrift “Laus Deo” (1848—49) uit de nalatenschap van H.G. Tekelenburg.

[9] Feisser heeft zijn wedervaren uitvoerig beschreven in een brief aan zijn vrouw d.d. 10 Oct. 1850.

[10] Millard overleed te Berlijn plm. 15 Januari 1863.

[11] 3) Twee der gedoopten verdienen hier afzonderlijk vermelding, 1e Charles August Ramseyer, van oorsprong een Hernhutter, die Juli 1852 te Zeist als lid der broedergemeente woonachtig was. Hij vertrok nog in datzelfde jaar naar zijn vaderland, Zwitserland, en werd aldaar voorganger van een Baptistengemeente te Couvet, waar hij ook veel arbeidde onder de oud-Mennonietische gemeenten in de bergen. Hij was, blijkens zijn brieven aan Tekelenburg, niet geheel vrij gebleven van den invloed der Darbisten die in de omstreken van La Chaux de Fonds, waar Darby in den zomer van 1852 optrad, zeer talrijk waren. 2e Christian Friedrich Kroger, ook Hernhutter te Amsterdam gedoopt, 28 Aug. 1852, geboren in Wendorf bij Stralsund in Pommeren, 2 Febr. 1804. Hij was 12 jaar lid der Zeister Broedergemeente en vertrok in 1852 na zijn doop naar Amerika.

[12] Brief van Ch. Aug. Ramseyer aan Tekelenburg, 21 Dec. 1853.

[13] Verslag der beide samenkomsten is gegeven door de Liefde in zijn “Volksmagazijn voor Burger en Boer” 1854, bl. 354 v.v.

[14] De geschiedenis van het Darbisme in Nederland moet nog geheel worden geschreven. Dit brengt trouwens ook groote moeilijkheden met zich, daar alle officieële bescheiden ontbreken. Dit hangt geheel samen met de opvatting die de Darbisten omtrent zich zelven hebben, met de plaats waarop zij aanspraak maken en met de roeping die zij zich zelven opgelegd achten, een roeping geheel en al geestelijk, zóó zelfs, dat zij zich van alle tijdsbanden ontslaan. Alle materiaal moet derhalve uit brieven of uit de mondelinge overlevering der oudere broeders worden saamgelezen. Maar wat die mondelinge traditie betreft, chronologische waarde moet haar in den regel geheel ontzegd worden. De bakermat van het Nederlandsen Darbisme schijnt wel Alphen aan den Rhijn te zijn. Daar woonde H.J. Lemkes, de bekende onderwijsman, die met G.P. Bronkhorst en vooral H.C. Voorhoeve de hoofdpersonen waren. Te Alphen zijn na het bezoek van Darby Duitsche broeders gekomen en zij hebben aldaar een vruchtbaren akker gevonden. Da Costa schrijft 8 Juli 1057 aan Groen van Prinsterer dat “er gevaar bestaat voor een afscheiding te Alphen, alwaar ik heden vernam, dat zich schier geheel het beste deel der gemeente (ook Lemkes) van het lidmaatschap wil laten schrappen.” Zie “Brieven van da Costa aan Mr. Groen van Prinsterer.” Een der eerste Darbistische geschriften was: “Eene beschouwing naar Gods Woord over het verval der kerk en der ambten in dezelve, alsmede de pogingen tot hare herstelling”, Alphen 1800.

[15] Handschrift “Laus Deo”, brief van 14 Febr. 1858.

[16] N.l. een afdeeling van de later te bespreken Vereeniging tot Heil des Volks.

[17] De Liefde, “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1858, bl. 238 v.v. In 1859 slaakte Dr. A. Capadose in “de Heraut” een klacht over den voortgang dien het Darbisme hier te lande maakte. Vooral in de evangelisatiën der Ned. Evang. Protest. Vereeniging. Aan deze evangelisatiën was het genot van het Avondmaal in hun lokaal ontzegd. Daar hoorde men echter dat Darbistische kringen hoegenaamd geen zwarigheid maakten eiken Zondag zonder evangelist of leeraar het brood te breken. Een Darbist kwam dat persoonlijk bevestigen en spoorde hen aan dat ook te doen. En aldus geschiedde. Ziedaar de kudde der Ned. Evang. Protest. Vereeniging op eens in een Darbistische broederschap herschapen. De evangelist ziet het aan en zwijgt. Wat zal hij doen? Slechts twee vragen blijven hem ter beantwoording over. Zal hij er zich tegen verzetten? Maar dan wordt zijn tot dusverre zoo genoegelijke werkkring een oorlogsveld. Zal hij meedoen? Maar dan moet hij zijn ontslag nemen. Hij peinst, hij aarzelt — hij brengt de zaak in het gebed, en — zoo zijn o.a. de evangelisten A. Jacques te Almelo en J.A. Strickling te Soest tot het Darbisme overgegaan. Zie “Gedenkschrift der Ned. Evang. Protest. Vereeniging” 1853—1903, bl. 49 en de Liefde “Volksmagazijn voor Burger en Boer”, 1859, bl. 572.

[18] M. S. aanwezig onder zijn nagelaten papieren.

[19] J.C. Dirks was de schoonzuster van H. O. Tekelenburg.

[20] Voor verdere bijzonderheden van Spurgeon's bezoek zie men “De Christen, orgaan der Unie van Gemeenten van Gedoopte Christenen in Nederland”, no. 390, 11 Oct. 1894.

[21] Gedateerd 28 April 1863.

[22] Gedateerd 14 Mei 1863.

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman