Hoofdstuk 2

De worsteling van Zutphen [1]

Terwijl te Gasselter-Nijveen leeraar en  gemeente scherp tegenover elkander stonden, had te Zutphen een niet minder pijnlijke worsteling plaats tusschen het kleine Doopsgezinde kuddeke en zijn voorganger. 
Den 7den April 1839 deed Ds. J. de Liefde, komende van Woudsend, aldaar zijn intrede. In de gemeente heerschte een plat Socinianisme, dat in den persoon van Jezus niets meer dan een volmaakten Israëlietischen zedeleeraar zag. Hij was onderwezen in de school van het supranaturalisme; zoodat zijn preeken zich kenmerkten door een zekere onbestemdheid, die onder een orthodox kleed schuil ging.[2] Door zijn groote redenaarsgaven wist hij in de eerste jaren aller harten tot zich te trekken. Zijn impulsieve natuur en zijn logisch denken konden echter bij het halve en zwevende niet rusten. Op reis zittende in een diligence, Ias hij het boekje van den Birminghamschen predikant Angell James, “Bestuur en [41] Aanmoediging”, dat reeds in duizenden harten weerklank had gevonden. Het maakte diepen indruk op zijn gemoed en bracht hem tot meerdere beslistheid van overtuiging.[3]

De krisis, dien hij doormaakte, beschrijft hij aldus:[4] “na eenigen tijd voortgetobd te hebben, behaagde het God eindelijk mij het deksel, dat ik mij voor de oogen gebonden had, af te nemen. Toen het mij duidelijk werd, dat de Heere Christus waarlijk voor mij gestorven was, zag ik in, dat ik een waarheid leerde kennen, die reeds bij het begin van al mijn zuchten en worstelen even duidelijk, overvloedig en handtastelijk op elke bladzijde der Schrift had uitgedrukt gestaan. Ach, toen werd ik daar ontwaar, welk een ontzettenden cirkel ik nutteloos had rondgeloopen, zoodat ik nu eerst tot dat punt gekomen was, waarvan ik reeds voor eenige jaren was uitgegaan. Maar hoe duidelijk werd het mij daar tevens, welk een fontein van genade, geduld, lankmoedigheid en minzaamheid de Heer Jezus is, tegenover mijn dor en stijf hart. Hij heeft mij ter linker- en ter rechterzijde paal en perk gesteld, zoodat ik overal blind liep en eindelijk vermoeid in Zijne armen nederzeeg. Het heerlijke Schriftwoord: “uit genade zijt gij zalig geworden” schoot, gelijk een levenwekkende zon zijne stralen warm in mijn ziel. Toen ik vernam dat het de Heere de Almachtige zelf was, die uit den hemel op aarde gekomen was, om ons de deur van het hemelsch paradijs te openen, sprong mijn hart van vreugde op en er viel een zware steen van mij af en ik zeide bij mij zelven: “God zij geloofd! nu is de rechte man gekomen en is er geen zwarigheid meer”.[5]

Met nieuwen gloed trad hij nu voor de gemeente op en [42] predikte haar “de blijde tijding, dat zij den hemel als een geschenk van God om niet ontvangen kon”, niet anders vertrouwende of zij zou dien nieuw gevonden schat met dezelfde blijdschap aannemen, als waarmede hij verrast hem aangenomen had.

De nieuwe prediking vond echter alles behalve een gewenschte ontvangst. Een der gemeenteleden, huisvader van een talrijk gezin kwam bij hem met het verzoek, dat hij uit zijn prediking de leer der zaligheid zou weglaten, daar hij anders zijn kinderen van de catechisatie zou nemen. De Liefde kon het verzoek niet inwilligen en bijgevolg werd de bedreiging uitgevoerd.

In den beginne onthield hij zich zorgvuldig van alle leerstellig betoog over de Drieëenheid, de voldoening en dergelijke uitstekende punten der orthodoxie, want hij kende den afkeer der Doopsgezinden van de Gereformeerde formulieren. Maar dit alles baatte niet; de genadeleer was en bleef het ondragelijk struikelblok, het Carthago delenda, dat alles bedierf. En of hij nu al, met Menno Simons’ “opera omnia” onder zijnen arm, zonneklaar aantoonde, dat die goede hervormer wel degelijk geleerd had zooals hij, het hielp al te maal niet met al — hij was geen Mennist, maar een Gereformeerd prediker in hun oogen.[6]

Langzamerhand ontpopte zich echter de systematicus. In zijn hart minde hij het logische, de consequentie, de helderheid. “Gol zelf— zeide hjj, is de grootste systematicus. Hoe regelmatig, ordelijk, helder en klaar zijn al Zijne werken en gedachten! De gansche schepping, ons eigen lichaam, iedere bloem, elke sneeuwvlok is een systeem, dat een bepaald regelend en zamenvattend middelpunt bezit, terwijl elk omliggend deel zijn eigene plaats heeft. De eenvoudigste Christen heeft een systeem, al is het dan ook slechts een fragment van een systeem. De behoefte aan een systeem is [43] ons ingeschapen. Zonder hetzelve zijn wij redeloos, duister, onzinnig”.[7]

Toen het vuur van den strijd begon te smeulen, bracht De Liefde een bezoek aan Prof. Muller te Amsterdam, het hoofd der toenmalige Doopsgezinde wereld, om raad en terechtwijzing bij hem te halen, maar hij vond zijn ouden leermeester, door wiens toedoen hij eertijds het leeraarsambt te Zutphen aanvaardde, reeds zeer tegen hem ingenomen, en bittere verwijten moest hij uit zijn mond hooren. Later, toen het smeulende vuur begon te rooken, ontving hij een scherp afkeurenden brief van zijn hand met het onaangename bericht, dat, zoolang hij op deze wijze voortging te werken, een subsidie van twee honderd gulden, uit geheime fondsen hem toegezonden, zou ophouden.[8]

Het verschil van gevoelens tusschen leeraar en gemeente bereikte in den zomer van 1843 allengs zulk een hoogte, dat weldra niemand van de reeds zoo kleine gemeente — zij bestond uit twaalf huisgezinnen — slechts twee of drie uitgezonderd, zijn prediking in het kerkgebouw bijwoonde. Daar de predikanten der Hervormde kerk, de een meer, de ander minder, de vrijzinnige richting toegedaan waren, begaf zich zijn gemeente Zondags onder hun gehoor, terwijl omgekeerd de rechtzinnigen der Hervormde kerk het kleine kerkgebouw tot op de trappen van den preekstoel vulden.[9] Ook het landvolk rondom Zutphen, dat schier overal door vrijzinnige predikanten werd bearbeid, kwam tot zijn kansel toestroomen. Velen waren er onder de hoorders, die uit de omstreken van Deventer, Wijhe, Lochem, Arnhem en Apeldoorn kwamen, dus drie, vier en vijf uur gaans van Zutphen. Doch inmiddels verscheen zijn eigen kerkeraad niet meer onder zijn gehoor, uitgenomen alleen de diaken, wiens beurt het was te collecteeren en ten laatste nam ook deze de vrij-[44]-heid, eerst de godsdienstoefening in de Hervormde kerk bij te wonen, om dan tegen den tijd, waarop de Vermaning uitging, te zorgen, dat hij zich met het kerkezakje aan de deur bevond.[10]

Ieder zag wel in, dat deze toestand onmogelijk altijd zoo kon voortduren. Onderscheidene pogingen werden van beide zijden in het werk gesteld om de zaak in der minne bij te leggen, doch deze allen mislukten. Het duurde niet lang, of alle kinderen, op een enkele na, werden van de catechisatie genomen en aan doop en avondmaal werd zelfs van verre niet gedacht. Zoo was hij metterdaad een predikant geworden zonder gemeente, zonder catechisatie, zonder doop en avondmaal, en ofschoon hij in de huisgezinnen vriendelijk ontvangen werd, daar de gemeente met zijn persoon over het geheel zich ingenomen betoonde, zoo konden die bezoeken kwalijk huisbezoek heeten.

In dezen staat van zaken achtte de gemeente het wenschelijk een tweeden predikant aan zijn zijde te beroepen, een  man die door ziekelijkheid zijn betrekking als predikant had moeten vaarwel zeggen, doch nog de kracht had om aan de behoefte der kleine gemeente voor een tijdlang te voldoen.[11] Hem werd opgedragen het predikwerk met de Liefde te deelen, zoodat hij den eenen en de Liefde den anderen Zondag predikte.

Inmiddels was bij de Liefde een bekeerde zoon Israëls, Jacob Benjamin de Pinto komen inwonen, een hartstochtelijk man, wiens Joodsche afkomst nog uit geheel zijn persoon sprak.[12] Hij was de zoon van den Haagschen dokter [45] Aaron de Pinto, die in 1806 woonde in het Korte Voorhout, in het tegenwoordige gouvernementsgebouw. Hij studeerde aan de Leidsche hoogeschool in de medicijnen en kwam onder invloed van Dr. A. Capadose tot bekeering. Na den doop ontvangen te hebben werd hij in 1841 lid van de Ned. Hervormde kerk en begeerde hij het predikambt. Niet lang daarna gaf hij dit plan op en voegde zich bij de Afgescheidenen. Doch ook bij hen hield hij het niet lang uit. Toen voelde hij zich aangetrokken door de Liefde en de band der vriendschap werd zoo nauw, dat zij onder één dak gingen wonen. Zij onderzochten te zamen de profetieën des Ouden Testaments, waarbij de Pinto de oogen van zijn vriend opende voor de toekomst van Israël naar het vleesch.[13] Ook lazen zij de geschriften van J. N. Darby[14] en A. Keith,[15] die hun verwachting van de wederkomst des Heeren in niet geringe mate versterkten. Door de brochure van Feisser “Beknopte aanwijzing van het ongeoorloofde in den doop der kleine kinderen” gevoelde de Liefde zich gedrongen het leerstuk van den kinderdoop nader in het openbaar tegen de Hervormde kerk te bestrijden en het oude Doopsgezinde ge-[46]-voelen aangaande de plechtigheid van den doop als alleen schriftmatig te prediken”.[16] Hij deed dit in het vlugschrift “Niet de Kinderdoop, maar de Doop der Bejaarden is het Bondszegel des Nieuwen Verbonds.[17] Oorspronkelijk was zijn plan een vriendschappelijke briefwisseling over den doop, die hij gevoerd had met H.P. Scholte, predikant bij de Afgescheiden gemeente te Utrecht, door den druk openbaar te maken. Toen laatstgenoemde echter in het tijdschrift “de Reformatie”, een beoordeeling plaatste van Feisser’s brochure en daardoor het dispuut van uit den bedekten kring eener bijzondere briefwisseling op het gebied der openbare polemiek verplaatste, gevoelde de Liefde zich genoopt ook zijn eigen weg te bewandelen en gaf zijn brochure in het licht.[18] Zijn betoog omvat deze vijf scherp geformuleerde stellingen:

 

1.    Het vleeschelijk Israël, dat niet was wedergeboren, was het afschaduwend beeld van het  geestelijk volk, dat wedergeboren zou zijn.

2.    De besnijdenis in het vleeschelijk Israël schaduwde een wedergeboorte af, die nog komen zou, terwijl in het geestelijk Israël de doop een wedergeboorte afspiegelt, die gekomen is. 

3.    Alzoo kon in het vleeschelijk Israël de besnijdenis bediend worden aan hen, die de wedergeboorte niet bezaten, terwijl in het geestelijk Israël de doop alleen aan hen kan bediend worden, die de wedergeboorte bezitten.

4.    De jonge kinderen der geloovigen zijn geen lidmaten van de gemeente, maar slechts geheiligd tot de Gemeente (l Cor. 7:14), als de zoodanigen, aan wie de belofte toekomt, dit is voor wie de belofte bestemd is, opdat zij haar op rijper leeftijd als het hun toekomende, naar eigen keuze [47] al of niet aanvaarden, terwijl alleen lidmaten der Gemeente zijn dezulken, die door wedergeboorte op Gods geestelijk volk zijn overgeënt.

5.    Alzoo mogen de jonge kinderen het zegel des doops niet ontvangen, alsof zij reeds deel hebbende  waren aan het verbond der wedergeboorte, maar de doop mag alleen bediend worden aan hen, die door wedergeboorte des verbonds deelachtig zijn geworden.

Eenige maanden later trad de Liefde met een tweede vlugschrift in het krijt, dat een groote opschudding in de Doopsgezinde wereld verwekte en een ware oorlogsverklaring aan de broederschap mag genoemd worden. De alarmeerende titel luidde: “Gevaar! Gevaar! en geen Vrede!”[19] Wat was er geschied? In de voorrede wordt het ons in een geestige beeldspraak verhaald.

Op de Doopsgezinde visschersschuit, die onlangs aan lager wal was gedreven, hief op eenmaal een oud stuurman Dr. Joost Hiddes Halbertsma uit Deventer het hoofd op en riep: gevaar! gevaar![20] Ziende den naderenden vloed en den storm, profeteerde hij een haastigen schipbreuk en sloeg hij voor de schuit op het strand te trekken en daar te overwinteren. De vinger der geschiedenis wees aan, hoe in één eeuw tijds 160.000 Doopsgezinden tot 32.000 versmolten waren. De schepelingen werden verschrikt wakker, maar een ander stuurman, Ds. J. Boeke uit Amsterdam stelde hen gerust, zeggende dat men slechts zachtjes langs de kust zou voortvaren. Hij bracht zijn kameraad snerpende slagen toe[21] en heette al die verontrustende voorspellingen loos alarm. Toen stond een derde stuurman op, de Liefde en zeide, dat men overwinterende van gebrek zou vergaan, en kustvarende [48] nooit zou thuis komen. Hij riep ze allen op, om met kracht en macht de schuit vlot te maken en naar de diepte terugte voeren.

Doch om de beeldspraak te laten varen, hij stelde scherp in het licht: l. dat het middelpunt van vereeniging, de uitwendige plechtigheid van den doop, bij de Doopsgezinden onhoudbaar was; 2. dat hun eenheid zelve niet in Christus was. Nooit werd, volgens hem, sedert Menno’s uitgang uit het pausdom grooter leugen openlijk in metaal gegraveerd dan in 1835 bij de viering van het derde eeuwfeest der broederschap. Toen droeg de gedenkpenning het randschrift: Eén Heer! één geloof, één doop. Hoe onwaar! Er kan slechts gesproken worden van een z.g.n. Doopsgezinden geest, een zeker esprit de corps, die in allen min of meer doorschemert.[22] De geschiedenis heeft genoeg bewezen  dat de Doopsgezinde geest zich altijd kleurt naar dien van den tijd. En de middelen om die vermeende eenheid te bevestigen zijn schadelijk tot bevordering der ware eenheid in Christus. Allereerst de Algemeene Doopsgezinde Sociëteit te Amsterdam. Zij is louter aristocratie en hierocratie. Amsterdam is onder de Doopsgezinden wat Rome is onder de Katholieken.[23] En wanneer het den Heer behaagt eenen leeraar het hart te openen en de Heilige Geest zijn ziel doet ontbranden en een weg aan te toonen die uitnemender is, dan wordt hij spoedig verketterd, men ontvliedt zijn gehoor, men dreigt met kerksluiting en schorsing en wat niet al. Men moet terugkeeren tot het geloof, tot het eeuwige onwankelbare woord Gods en tot een apostolische inrichting der gemeenten. “Het is zoo min echt Doopsgezind als Apostolisch, dat slechts één man in het midden der gemeente jarenlang het woord der prediking bedient. Daardoor wordt de gemeente geheel lijdelijk en sluimert van zelve in. Zijn het niet allen priesters en koningen? Is in het Nieuwe Verbond niet de [49] Geest der waarheid, der genade en der gebeden, der vrijmoedigheid over alle vleesch beloofd?[24]

Deze conscientiekreet vond diepen weerklank in veler hart. Mr. Groen van Prinsterer, Wormser[25] en Capadose[26] waren opgetogen. “Dit is geloofstaal, schreef Groen, en het meeste is niet bij uitsluiting op de Doopsgezinden toepasselijk. Het is een woord waarop antwoord en wederantwoord zal worden vereischt.”[27] Ook Feisser had de Liefde’s geschriften zoo in overeenstemming gevonden met zijn eigen gedachten over het gemeentewezen en den doop, dat hij hem terstond als een krachtig en strijdvaardig bondgenoot begroette. Hij reisde in den zomer van 1844 naar Zutphen en dit bezoek leidde tot een innigen vriendschapsband en een levendige briefwisseling.[28] Na het bezoek van Köbner en Remmers Nov. 1844 was er zooveel te bespreken, dat een ontmoeting niet mocht uitblijven. En andermaal begaf zic h Feisser, thans vergezeld van Roelof Reiling, omstreeks 12 Januari 1845 naar Zutphen. Het samenzijn bereidde hun een ware en blijvende vreugde en versterkte hun verlangen naar een zuivere openbaring van het lichaam des Heeren. “Hoe hunkeren de kinderen Gods naar elkander”,[29] riep de Liefde uit. Over den doop werd veel gesproken. Feisser verklaarde, zich eerlang te willen laten indompelen in den vloed. En ook de Liefde erkende dat het met hem zelf dien weg op moest. Wat op zijn twintigste jaar te Amsterdam met hem geschied was, kon hij niet meer als doop beschouwen, “niet slechts uit hoofde den vorm, maar ook dewijl hij zoo min als de man [50] die hem besprengde een geloovige was.”[30] Over de Pinto was men nog in het onzekere. Deze was na zijn breuk met de synagoge besprengd door een geloovig predikant, ‘t Was ook een echte geloofsbelijdenis die hij deed. In den vorm had ongetwijfeld een fout plaats gehad, doch zijns inziens bracht het vernieuwen van den vorm het daarstellen van een nieuwe zaak met zich. Dit kon en durfde hij echter niet doen of hij moest van de nietigheid van zijn overgang tot het Christendom overtuigd zijn en dit ook uitspreken. Maar dat was hem onmogelijk. Hij vreesde dan Gods werk te logenstraffen. En was het geen formalisme wanneer hij zooveel waarde hechtte aan den vorm en zich uit hoofde van de fout als geen lid der gemeente van Christus beschouwde? Deze en dergelijke vragen werden ampel overwogen. Ook kwam ter sprake het aanschaffen van een eigen drukpers, daar haast geen uitgever te vinden was, die de uitgave van hun heterodoxe geschriften aandurfde.[31] Tevens werd besloten bij de Hamburgsche gemeente om raad en voorlichting ten aanzien van den doop te vragen.

Den 2den Februari 1845 schreef de Liefde aan Köbner: “wij kunnen geen zegen van den Heer op iets anders verwachten, zoolang  wij als ongedoopten daar staan. Wij durven ook de verblijdende hoop koesteren, dat de overige zich hier bevindende broeders en zusters aan ons zullen aansluiten, wanneer wij eenmaal beslist tot het besluit komen ons in den vloed te laten onderdompelen.” Hij hoopt dat Köbner of eenige andere broeders der Hamburger gemeente , spoedig mogen overkomen om met hun broederlijk inzicht [51] hem te dienen. De vraag of Köbner, dan wel een andere baptistenbroeder, den doop zal bedienen, kan hij nog niet bevestigend beantwoorden. Want waarom zou het niet evengoed een der Zutphensche broeders, hoewel niet gedoopt, kunnen doen? Staan wij met de Roomschen in het leerstuk der Apostolische opvolging, zoodat wij een onafgebroken rij van doopsbedieningen en handopleggingen van Petrus en Paulus tot op onzen tijd aannemen? Dit is ons een bloote hersenschim, en niet slechts onbewijsbaar, maar ook wegens de gevolgen, die zij van zelve medebrengt, voor het kerkelijk leven gevaarlijk. Indien de gemeente te dezer plaatse door Gods zegen tot stand komt, zoo zal dezelve de eerste baptistengemeente in dit land zijn. De volgende gemeenten zullen zich van zelve aan haar aansluiten. Het komt alzoo voor alle dingen daarop aan, dat zij acht geeft hoe zij aanvangt. Doet zij dit, daar zij den eersten doop door eenen ongedoopten laat bedienen, zoo geeft zij hiermede eens voor al een historisch bewijs dat de Nederlandsche gemeente het Roomsche inzicht over de opvolging niet deelt.”[32]

 

Verder rekent de Liefde het zich een broederplicht Köbner licht te geven in zake de parousieverwachting der gemeente “in verband met het in de Schrift beloofde duizendjarige Rijk.” Hij had aan Feisser wien dit uitzicht ook nog geheel nieuw was, niet kunnen bespeuren dat “den Hamburger broeders deze schat Gods in deszelfs verblijdende en heiligverrukkende volheid ontsloten was.” Daarom moest hij het uitspreken: “niet slechts achterwaarts naar Golgotha en den Olijfberg, maar ook voorwaarts op den dag der persoonlijke wederkomst onzes Gezegenden Hoofds is onze blik gericht. Wij gelooven eene zichtbare persoonlijke wederkomst des Heeren op deze aarde met het doel om te Jeruzalem in het land Kanaan op den troon Zijns vaders Davids te zitten over dat nu nog verstrooide en ongeloovige, doch alsdan herstelde en geloovig geworden Israël en van daaruit [52] de gansche wereld met Zijnen machtigen schepter te regeeren. Wij gelooven dat tot op den heerlijken dag Zijner komst de toestand der ware geloovigen hoe langer hoe benauwder worden zal tot ten laatste de Antichrist, de mensch der zonde, de mensch geworden Satanas verschijnt en de afval der wereld van het Christendom algemeen wordt. Doch wij gelooven ook, dat wanneer de vervolging der gemeente op het hoogst gekomen zal zijn, op eens haar verheerlijkt Hoofd op de wolken des Hemels wederkomen, Zijnen en der gemeente vijand verpletteren en Zijn lichaam, de gemeente, uit de graven op zal roepen, om naar Jeruzalem te varen en daar als een volkomen man op Davids troon te zitten”.[33]

Ten slotte verhaalt hij aan Köbner dat Scholte eenige weken geleden een brochure had uitgegeven met den monstrueuzen titel “De Heilige Doop, het teeken in het vleesch, ook voor de jonge kinderen der geloovigen tot verzegeling des Eeuwigen Verbonds”[34] en dat hij in de kracht des Heeren de pen tegen dezen leugen gescherpt had.”[35] Inderdaad vloeide uit de Lieide’s pen een polemisch geschrift voort, dat schitterende bladzijden bevat, waarin hij de weelde zijner gedachten den vrijen teugel geeft, nu eens voor een fijn gesponnen redeneering, dan voor bijtenden spot of vlijmend sarcasme. Hij noemde het “Trouw aan het Woord!”[36] Toen hij vernam, dat Scholte zich opmaakte om zijn eerste boekje over den doop te bestrijden, vermaande hij hem in vertrouwelijke brieven toch toe te zien wat hij deed, “indien hij tot de openlijke verdediging van zoo onchristelijk eene instelling” zich aangordde. Scholte zond hem geen regel schrift, maar de gedrukte brochure “met den monstrueuzen titel” ten antwoord. Toen achtte de Liefde zich genoodzaakt in het openbaar den degen met hem te kruisen en dat viel hem [53] licht, daar hij de verwarringen en tegenstrijdigheden in het geschrift van zijn tegenstander te tastbaar vond om niet aanstonds gevoeld te worden. En heeft Scholte hem vooral in de verbondsleer op zwakke plaatsen terecht gezet, nochtans is zijn moed onverzwakt, want de zaak waarvoor hij strijdt, is bij hem zeker en reeds meer dan overwinnares. “Al ware ‘t ook, dat ik noch in de verbonden Gods, noch in de dingen der kerk, noch in de profetieën der toekomst eenig helder inzicht bezat, nochtans zou ‘t bij mij geen twijfel kunnen zijn, wat de Heere Jezus geboden heeft, den kinderdoop dan wel die der geloovigen”.[37]

Hij kent Scholte den roem toe het stelsel van den kinderdoop tot volkomen consequentie gebracht te hebben, door den doop te noemen een teeken in het vleesch. “Juist! in het vleesch en niet anders dan in het vleesch rust de doop der kleine kinderen. Het is zoo, de kinderdoop kan niet anders zijn dan eene besnijdenis. Gij hebt den moed uit te spreken, wat zelfs een Calvijn niet uitspreken durfde; gij hebt den consequentsten aller systematikers overtroffen. Maar dat de doop een even bestemd en duidelijk teeken in het vleesch is als de besnijdems, dat bewijs hebt gij niet geleverd”. Het Calvinistisch stelsel is hem een hersenschim, de bron van de Godtergendste gebeurtenissen in den boezem der Christenwereld. Het is het stelsel van het enkelvoudig verbond. En God heeft met Abraham twee verbonden gesloten: 1° een aardsch verbond, hetwelk van dien aard is, dat de Joden, alhoewel zij thans geen geloof en geen doop hebben, evenwel alleen om hun vleeschelijke afkomst nog in het bezit zijn van de uitstekendste beloften en de schitterendste toekomst tegemoet gaan, hoedanig geen ander aardsch volk buiten hen te verwachten heeft; 2° een hemelsch verbond waaraan men deel heeft niet door afstamming, maar door het geloof. Krachtens dat verbond is de besnijdenis een zichtbaar blijvend teeken, dat door het geloof [54] een voor God geldige rechtvaardigheid wordt teweeg gebracht. Elk Israëliet roept, ofschoon ongeloovig, stilzwijgend en onbewust ons toe: “gelooft, gelooft alleen! want ik zelf ben niet het volk mijner maagschap een levend getuigenis Gods, dat het geloof alleen Hem welbehagelijk is en voor Hem rechtvaardigt. Want omdat onze vader Abraham geloofde daarom heeft God hem het verbond der besnijdenis gegeven en zijn zaad tot een afgezonderd en uitverkoren volk Zijner erve gesteld”.[38]

Het niet onderscheiden van deze twee verbonden is de bron des bederfs voor het Christendom geweest. Het heeft sedert vijftien eeuwen de Christelijke kerk met den waan bezwangerd, dat zij alleen bedoeld wordt, wanneer de profetie der Schrift van Kanaän en Zion spreekt; dat haar ook naar den vleesche beloofd is: “Ik zal uw God zijn en uws zaads God; dat tot haar gezegd is: “Koningen zullen uwe voedsterheeren en vorstinnen uwe zoogvrouwen zijn”. Van daar dat de Christelijke kerken zich zoo spoedig den koninklijken voedsterheeren in de armen en der vorstelijke zoogvrouwen aan de borst geworpen hebben, en afhoereerende van haar eenig Hoofd en haren eenigen Bruidegom, Hemel en aarde een blos aanjagen op het gezicht van het overspel tusschen kerk en Staat. Van daar overal landskerken, ja heerschende kerken! Alles teeken in het vleesch!”[39]

En dan gaat hij met hartstocht verder: “Waarom verkeert [55] uw kerk immer als in barensangst, wanneer  zij uitgedaagd wordt, bewijzen Gods voor hare kinderbesprenging ter wereld te brengen? Waarom zijt gij zelftna zooveel lezens en na zooveel peinzens nog niet tot zekerheid, zoodat gij mij met den donder van Gods woord tot zwijgen brengt? Ziedaar! ik leg u het gebod des Heeren voor, en dat zal u genoeg zijn! Dat zal u genoeg zijn, om er de Formulieren van Dordrecht en de folianten der Vaderen mede te verpletteren! Dat zal u genoeg zijn om eene heldere, krachtige bazuin te blazen, waarvoor de nachtuil verschrikt naar zijne rotskloven tuimelt en de struisvogel van angst den kop in de struiken steekt.

“Wie geloofd zal hebben en  gedoopt zal zijn!”

Zoo zult gij spreken en zoo zult gij handelen . Niet omgekeerd. Geen redeneeringen, geen gevolgtrekkingen, geen tegenspraak!

 

Gelooven en — doen! zoo gij een kind Gods zijt. Dat woord heb ik begrepen, door de genade onzes Gods, en ik treed er u en alle kinderbesprengers, hetzij Roomsen of Onroomsch, hetzij Luthersch, Calvijnsch of Remonstrantsch mede onder de oogen. Niet omdat ik iets ben of omdat ik iets kan, maar omdat de Almagtige God met mij is, die Zijn woord zal waar maken en de leugen ten leugen stellen, al zijn het Koningen en Vorsten, ja gansche volken, die haar verdedigen. Ongedoopt zijt gij, ongedoopt is de Paus en ongedoopt is het gansche Nederlandsche volk. Telken reize wanneer gij een kind besprengt en het daarmede als gedoopt naar 's Heeren instelling verklaart, doet gij eene dwaasheid voor het aangezicht des Heeren, en gij niet alleen, maar ook ieder Prediker in den lande, hetzij dit kind een pasgeboren prins of een achtdaagsche bedelaar zij.

Komt niet tot mij met een wolk van wereldsche wijsheid, noch met bewijzen der vaderen, aan de derde en vierde eeuw ontplunderd!

“Wat heeft de Heere gesproken? En hoe heeft het de Heere geboden?”

[56] Dat is het, wat gij mij antwoorden zult en verder begeer ik niets te weten.

— Maar wij hebben kinderen!

— Ik ook, door 's Heeren zegen.

— Maar wij zijn geloovigen!

— Ik ook, door Gods genade. Doch ik vraag niet wat gij hebt, ik vraag niet wat gij zijt. Maar ik vraag: wat de Heere geboden heeft.

Trouw aan het woord! “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn! Zijn wij niet in de bediening des Geestes? Zijn wij niet in de nieuwe schepping Gods? In Christus Jezus, in wien noch besnijdenis eenige kracht heeft, noch voorhuid, maar eene nieuwe Schepping? (Gal. VI:15). Waarom dan brengt gij het geborene uit de oude Schepping tot het waschbad der nieuwe? Waarom begraaft gij eenen ouden mensch en wekt gij eenen nieuwen op, waar nog geen oude gestorven en nog geen nieuwe geboren is? Besnijd hen, doch niet op de huid met een handvol water, maar in hun vleesch met een steenen mes. Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch en zal in eeuwigheid geen geest worden, al wordt het ten achtsten dage reeds met water besprengd, en al wordt het vroegtijdig naar hooge en doorluchtige scholen gezonden, en al wordt het met eene oplegging van twintig handen tot prediker bevorderd, en al wordt het van landswege voor hooggeleerd en van kerkswege voor hoogeerwaardig verklaard. Vleesch is het en vleesch blijft het, en al telt het ook zestig jaren ouderdoms, en al zit het met deftig besneeuwden kruin in het gestoelte der Overpriesteren — het is een kind, dat gij voor u ziet, en niet een volwassene in het verstand, noch eennieuw schepsel in Christus Jezus. Hoe? Meent gij dat de mannen van Dordt het niet gevoeld hebben, dat hunne kerk, die aanving met de meerderheid harer leden in kleine kinderen te aanschouwen, weldra eene schole der onmondigen worden zou? Haar ondanks hebben zij het gevoeld, en daarom hebben zij van stonde af aan der kerk naast Gods woord een tuchtmeester [57] gegeven, die haar wekelijks catechiseeren zou, en een A.B. boek van formulieren met “ja ik” en “neen ik,” als voor kinderen, die nog niet weten wat zij zeggen of zwijgen zullen. Juist, juist hebben die Dordtsche vaderen daarin gehandeld, nu zij eenmaal de kinderbesprenging gewettigd hadden. Eene kerk, die uit onmondige kinderen opwast, kan niet bestaan zonder tuchtmeester of formulierboek, en zij zal ook bestaan, zoolang geslacht aan geslacht blijft zweren, bij hetgeen de vaderen geschreven en bij hetgeen de ouders gezegd hebben. Maar eene schole der onmondige kinderen blijft zij, met hare voogden en verzorgers, en beklagenswaardig de volwassene in het verstand, die de stemme hoort: Staat in de vrijheid waartoe Christus u geroepen heeft! en nogtans als een kind in die schole verblijft.

Maar gij hebt u van haar afgescheiden! Hoe? Gij zijt mede onder de eersten geweest, die uit haar zijt uitgegaan. Van haar afgescheiden? Uit haar uitgegaan? Helaas! ware dit zoo! Waart gij, als een man, die teniet gedaan heeft hetgeen eens kinds is, uit haar te voorschijn getreden! Men zou gedacht hebben, toen gansche scharen met en na u die schole der onmondigen ontweken, dat gij ook den tuchtmeester, en het A. B. boek en de besprenging des vleesches van u zoudt geworpen hebben om als vrije zonen en dochteren, niet met het woord der vaderen, maar met het woord des Vaders alleen in de hand, over alle muren en door alle benden heen, ja dwars door de wereld recht op het Hemelsche Jerusalem aan te loopen. En nu! Wat is er geschied? Het ongehoorde, ja het ongehoorde! De vrijen hebben de dienstbaarheid opgezocht en de kinderen de roede! Niet fel genoeg klemde u de leiband des stram gewordenen kinderleiders om de lenden en niet krachtig genoeg zwaaide hij de tuchtroede. Verontvvaardigd hebt gij u afgescheiden, en op nieuw het woord der vaderen, het gewrocht van een schepsel over u gesteld, en deszelfs gezag hernieuwd als het gezag des Almagtigen, “omdat het in alles met Gods woord overeenkomt”. En daarom hebt gij naast de oude een nieuwe [58] school der onmondigen gesticht, welke, den burgerlijken bewaarscholen ter beschaming, reeds ten achtsten dage de zuigelingen opneemt.

Ik roep u nogmaals toe: Trouw aan het woord! Bekeer u van deze uwe zonde en houd op langer het bevel des Heeren te overtreden! Doe weg uit het midden uwer gemeente dat verzinsel van het schepsel, hetwelk Gods gebod krachteloos maakt! Leg uw hand op de Schrift en geef voor God en de menschen het schoone getuigenis, dat gij voor u in eeuwigheid geen kind zult doopen of besprengen, omdat het geene leering van God is, maar van de menschen. En neem dan uw sprengbekken, en leg er den tuchtmeester en het A. B. boek in en hang het aan den nok der tinne uws kerkgebouws, tot een blijvend gedenkteeken van de bestrijding der volwassene zonen en dochteren Gods. Ha! dat zou heerlijk zijn en eene liefelijke offerande voor onzen God, wanneer gij met uwe geloovigen alle juk der menschen van de schouderen werpende, als een volkomen man te voorschijn traadt, dragende niets anders dan het woord der waarheid, dat waarlijk vrij maakt”.[40]

De Liefde liet zijn doop nog geheel afhangen van Köbner's komst en het resultaat van hun gesprek over de successie. Al zou hem dan ook niemand volgen, hij zou zich laten doopen. De Heer gebood het. Hij achtte het echter waarschijnlijk dat meerderen, misschien zelfs velen hem volgden en dat het dan een gemeente werd. Welke houding hij dan zou aannemen tegenover Scholte, Capadose en da Costa was hem nog niet geheel klaar en hij vroeg Feisser op dit punt om  raad. Hij beschouwde hen als broeders, die in ongestalte verkeerden, ongeregeld wandelden en het Evangelie ongehoorzaam waren, geen volle broeders in den Heer. Dat was de Pinto echter te exclusief. En wanneer hij er met hem over disputeerde, vielen er menigmaal onaangenane woor-[59]-den. Vooral de Pinto's heftig temperament maakte somwijlen de samenspreking minder verkwikkelijk.

De Liefde's gedachten over den doop werden steeds radicaler. De gewone theorie van symbool en afspiegeling verwierp hij ten eenenmale. De doop werd hem een vereischte tot zaligheid, wiesch de zonden af en ontving van God, in verband met Christus' bloed, een kracht tot reiniging van de zonden des lichaams en tot heiliging van het lichaam tot een tarwegraan, waaruit het opstandingslichaam zou opschieten. Zoolang de doop niet was ondergaan, was het lichaam voor God nog onrein, ook bij aanwezigheid van geloof des harten.[41]

Het was voor de Liefde een groote teleurstelling, dat de Hamburgers zijn leer van het duizendjarig Rijk meer als een verliggend en minder belangrijk leerstuk beschouwden dan als diepingrijpend in het geloofsleven. Dat achtte hij geen verblijdend blijk van Schriftkennis en Schriftonderzoek. Bij een alleenstaand geloovige was dat zeer verklaarbaar, maar niet bij een gemeente die al jaren bestaan had en vrij was van formulieren. Ook kon hij zich niet begrijpen dat de Hamburgers nog geen begin hadden gemaakt met de uitgave van een nieuwe en letterlijke vertaling des Bijbels. Luther's overzetting was veel te nonchalant.[42]

Hoe meer het Baptistisch beginsel in de Liefde post vatte, hoe grooter de afstand werd die hem scheidde van zijn gemeente. Daarbij kwam dat hij sedert maanden al niet meer kon prediken wegens een voortdurende heeschheid.[43] De kerkeraadsvergaderingen geschiedden buiten hem om en daar werd onomwonden uitgesproken dat men van den voorganger wenschte ontslagen te worden.[44] Toen het gerucht zich verspreidde, dat hij zou worden afgezet, boden zijn Hervormde [60]

vrienden hem aan een kerk te bouwen, waarin hij dadelijk zou kunnen preeken, zoodra de gemeente hem mocht afgezet hebben. Hij stelde hen echter gerust met de verzekering, dat zulk een afzetting in de Doopsgezinde gemeente onmogelijk was. Toen zij hem vraagden, of indien zij zulk een lokaal oprichtten, hij er dan in zou willen preeken, weigerde hij het niet. De vrienden kochten toen een tuin met een oude stal in de Polsbroek, een der achterbuurten van Zutphen, en lieten daar een nieuw lokaal verrijzen. Toen het echter gereed was, verhinderde de hardnekkige keelongesteldheid hem daarin op te treden.[45] De Pinto nam toen zijn plaats in.

In de week van 15—22 Mei 1845 had het lang verbeid bezoek van Köbner en Feisser] plaats.[46] Laatstgenoemde had juist den doop ontvangen en zij stelden zich niet anders voor of ook te Zutphen zouden verscheidene broeders en zusters het waterbad ontvangen. Feisser trad tweemaal voor den broederkring op en hij drong aan op het onverwijld volbrengen van 's Heeren gebod. In de oogen van de Liefde was dat echter veel te onstuimig. De preek was hem te wettisch, te knechtelijk, niet in geest en waarheid. De pijnlijkste botsingen hadden, plaats, de Liefde en de Pinto ontwikkelden al hun redenaarskunst en hun heftigheid kende geen grenzen. Toen hun onder het oog werd gebracht, dat het in de eerste plaats op de gezindheid des harten aankwam, verweten zij Köbner zijn onkundige gevoelsrichting en zwevende gemoedelijkheidsleer. Hij werd bejegend als iemand die de eerste beginselen der woorden Gods nog niet verstond. Zelfs de Pinto verstoutte zich te zeggen, dat hoewel Feisser gedoopt was en de gemeente te Gasselter-Nijveen geconstitueerd was, hij nog geen gemeente van Jezus Christus in Nederland zag. Ook andere broeders, zooals [61] Greffin, lieten zich scherp en onbehoorlijk tegen hun gasten uit. Diep verslagen verlieten deze Zutphen. Het was een bittere afscheidsbeker. Een der laatste woorden van Köbner tot de Liefde luidde: “gij dorscht ledig stroo.”[47]

Nauwelijks was Feisser op zijn eenzaam dorpje teruggekeerd of hij ontlastte het overstelpt gemoed in een bestraffenden brief. Hij beschuldigde de Liefde en de Pinto, dat zij God bespot en de gehoorzaamheid hadden opgeofferd aan fijn gesponnen redeneeringen.[48] Köbner, die geheel onderworpen was aan het Woord, dien getrouwen discipel en Apostel van zijn Heer, hadden zij op een onwaardige wijze geërgerd.

De Liefde erkende daarop wel dat hij den broederen “diepe smart en ontzettende teleurstelling had berokkend”, maar hij mengde op nieuw bittere druppels in den beker door met voorbijzien van vorige brieven, op smadelijken toon te schrijven: “de gansche komst van Köbner heeft bewezen, dat deze als een echte Baptist kwam om te doopen; het is mogelijk dat hij een apostel is, maar dan is hij apostel van een secte. En zoo min als ik voor een secte eerbied heb, zoo min heb ik het ook voor hare apostelen. De gansche baptistenclub is mij in den laatsten tijd genoeg bekend geworden, om u en ons zelven op het ernstigste tegen haar te waarschuwen.”[49]

Feisser moet deze houding raadselachtig hebben gevonden. De warme sympathie voor het Duitsche Baptisme was zoo haast omgeslagen in een hartgrondigen afkeer, dat ook wij ons verwonderd afvragen: wat is hiervan de oorzaak? En dan zijn wij zeker niet verre van de waarheid, wanneer wij het hierin zoeken, dat de Liefde het standpunt der Duitschers [62] te eng en te exclusief vond.[50] Ook was bestendigheid niet een karaktereigenschap die hem sierde.[51] En toen nu Köbner zijn vurig chiliasme niet deelde, sloeg de evenaar om naar het andere uiterste, waar zelfs voor waardeering geen plaats meer overbleef. De breuk met de Duitsche Baptisten was dan ook, wat hem betrof, volkomen. Dit speelde zich af vlak voor de Liefde's vertrek naar Bohemen, waar hij voor rekening van den heer Jut van Breukelerwaard in een “Wasserheilanstalt” genezing ging zoeken van zijn keelongesteldheid.[52] De Pinto daarentegen had berouw over “het onbehoorlijke, het ontijdig scherpe of het bitse dat hem in zijn redetwisten had aangekleefd” en hij vroeg Feisser daarvoor vergiffenis. Hij beloofde ook zoo spoedig mogelijk in de plaats van samenkomst in het openbaar een ander getuigenis te geven, n.l. dat te Gasselter-Nijveen een jeugdige gemeente van Jezus Christus was, zichtbaar door haar goede werken en godzaligen wandel. Ja, hij gaf de verzekering dat ook te Zutphen weldra Gods “eeuwige, algemeene gemeente” zich zou openbaren, waartoe dan het laatste bezoek ook het zijne had bijgedragen. Met verlangen zag hij uit naar het oogenblik, dat zich velen zouden aansluiten aan die twee zichtbare punten der eene Gemeente Gods in Nederland als tot het eene lichaam des Heeren. Verder stelt hij zijn doop in uitzicht.[53]

Inderdaad kwam het daartoe den 24 Juni 1845. Een der broeders J.H. Wolters vervoegde zich bij hem en richtte tot hem deze woorden: “broeder, gij verkondigt mij het Evangelie tot grooten zegen en daarom verlang ik, die ongedoopt ben, van u als van een discipel Jesu Christi gedoopt te worden en aldus mijn geloofsgehoorzaamheid te betoonen aan mijnen en aan uwen Heer.”

[63] Het was hem niet mogelijk dit te weigeren en hij zeide: “'t is wel, maar dan zult gij mij doopen, want ook ik ben ongedoopt.” Daartegen had Wolters geen bezwaar. Ook nog een andere broeder J. Smeenk wenschte zich “inwendig en uitwendig aan het lichaam van Jezus Christus te verbinden en in den doop één plant met Hem te worden in de gelijkmaking zijns doods en zijner wederopstanding.” Het drietal besloot eerst elkander de misdaden te belijden. Ook het gruwelijkste werd niet verzwegen. Zij hadden echter troost aan Psalm 51 en overpeinsden Romeinen VI en VII. Zoo ging de nacht voorbij en toen de morgen daagde gingen zij “als ter dood verwezene misdadigers” in den Berkel buiten de Hospitaalpoort. En toen zij opkwamen uit het water, juichte hun ziel: “wij zijn afgewasschen, gerechtvaardigd, geheiligd. Daarna vierden zij thuis het Heilig Avondmaal.

Nog vermoeid van wege de hevige en diepaangrijpende gemoedsaandoeningen, maar toch opgetogen van blijdschap schreef de Pinto aan de gemeente te Gasselter-Nijveen: “uw zustergemeente reikt u uit de verte de broederhand en de broederkus. Het lichaam van Jezus Christus leeft nog in ons Nederland. Op twee plekken is hel nu tegelijk doorgebroken, en wandelen wij door de genade Gods in nieuwigheid des levens. Onze Man Jezus Christus heeft voor ons gestaan, staat voor ons en zal voor ons staan tot op 't oogenblik waarop wij met Hem bij Zijne wederkomst aan Zijn disch, het Avondmaal van de bruiloft des Lams, aanzitten.”

Feisser wenschte de broeders hartelijk geluk, vergaf hun alle smaad, die ze hem hadden aangedaan, maar gaf hun toch zijn verwondering en afkeuring te kennen dat zij zich niet door hem hadden laten doopen. Dan toch was het eerst geweest overeenkomstig de orde van het huis Gods.

De schuldbelijdenis en doop van het drietal maakte diepen indruk op de gemoederen der andere broeders en zusters. De eerste, die zich aanbood voor den doop was Greffin, maar hij werd voor het oogenblik afgewezen, daar hij huns [64] inziens een dubbelzinnige schuldbelijdenis aflegde en zijn zonden met schriftwoorden trachtte te bemantelen. Ook betoonde hij volgens hun wijze van zien, onbestendigheid in de leer. Daar het ging om de openbaring van de reine bruid des Heeren, oordeelden zij dat nauw moest worden toegezien.

Kort daarop ontvingen de broeders G. van der Worp en Renssen den doop en ook twee vrouwen der gedoopten volgden. Aan den avond van den doopdag der laatstgenoemden vierde de kleine gemeente het Heilig Avondmaal en werd zij “met een geheel ongekende vreugde vervuld en naar den inwendigen mensch versterkt door het eten van het kinderbrood en den kinderwijn.”

Te 's Gravenhage had de Pinto het voorrecht bij den lieven broeder Monteba “het voornemen te zien rijpen om het Woord zijns lieven Heeren en Zaligmakers” te beleven en hem door den doop Gode te heiligen.” Hij had van dezen broeder groote verwachtingen, zooals blijkt uit deze zinsnede in een brief[54] aan Feisser: “indien de Heere nog veel zulke discipelen in ons land heeft, dan zouden wij de gemeente Jesu Chrisli spoedig als een sterk heir van goede soldaten, ja het gansche land van zijn lof hooren weergalmen.”

Gedurende zijn afwezigheid trad broeder Wolters op als voorganger en verklaarde des Zondags drie maal met groote vrijmoedigheid het Woord Gods.

Niet zonder zorg zag de gemeente de terugkomst van de Liefde tegemoet. Het was haar zonneklaar, eer hij in 't huis Gods kwam, moest het Menniste dominéschap weg. Maar dan was hij doodarm, stak hij in de schulden en, zou hij lust hebben om alleen te leven van het traktement des Hemelschen Vaders!?”

Deze vrees was niet ongegrond. Toen hij 5 September volkomen hersteld uit het buitenland terugkeerde en de Pinto hem de vraag deed of hij nu voornemens was tot “de gemeente des Heeren” toe te treden met verzaking van zijne [65] kerkelijke betrekking, verklaarde de Liefde daartoe geen vrijheid te gevoelen. “Ik ben”, zeide hij, “overtuigd, dat ik mijn post niet mag verlaten, zoolang zij, die mij daartoe geroepen hebben, mij daarvan niet ontslaan.”[55] Hij wenschte echter den band der gemeenschap te onderhouden met de levende gemeente des Heeren en met haar den volgenden dag het Avondmaal te vieren, hetgeen de Pinto het toppunt van onbeschaamdheid vond. Ook kwam hij op den doop. Het was hem een ernstig punt van overweging of zijn Mennistedoop wel te verachten zou zijn; Johannes XIII:10 gaf daar geen grond voor. Ook stond het nog te bezien of de gemeente wier leeraar hij was, niettegenstaande haar ongestalten, daarom in het geheel geen gemeente Christi zou zijn; de Pinto c.s. was veel te ver gegaan in zijn beschouwing van het gemeentelijk wezen; men moest aan den Geest meer vrijheid laten, niet zoo in de letter staan; hij zou gelooven dat Jezus de Christus is, al stond het niet woordelijk in de Heilige Schrift.

Toen de Pinto hervatte: “dan kunt gij goed terecht met de Groninger leer,” antwoordde de Liefde: “ja, die heeft ook een substraat van waarheid, ach! treden wij toch niet in Gods verborgen raad, één dag brengt alles aan het licht!”

De Pinto achtte zich nu genoodzaakt “luidens Gods heilig onverzettelijk Woord alle gemeenschap met hem af te breken” en hield het voor een schoon wapenfeit een gevaarlijk hypocriet te hebben ontmaskerd.[56]

Den eerstvolgenden Zondag beklom de Liefde wederom den kansel der Doopsgezinde kerk.[57] Doch nu begonnen ook de oude tooneelen en moeilijkheden op nieuw en van beide kanten rees menigmaal de vraag: hoe zal hieraan nog een einde komen? Een der diakenen liet hem op zekeren [66] dag vriendelijk bij zich ontbieden en legde hem officieus de vraag voor, hoeveel hij van zijn jaarwedde zou willen laten vallen, om dan in vrede heen te trekken. Hij antwoordde daarop, dat hij in deze zaak volstrekt niet treden kon, dat de gemeente hem tegen het volle genot van het volle tractement beroepen had, en dat hij het beneden zich achtte op deze wijze in eenig accoord met haar te treden. Zoo sprong dan ook deze poging af. Inmiddels, als hij sommige leden bezocht of ontmoette, werd hem meermalen te kennen gegeven, dat de gemeente dan toch maar bitter te beklagen was; dat zij jaarlijks een aanzienlijke som besteden moesten voor een predikant van wien zij eigenlijk niet gediend waren en dat hij alleen om des gelds wille haar nog tot last bleef. “Waart gij — zoo zeiden ze — een man van middelen, reeds lang hadt gij de gemeente vaarwel gezegd en het andere lokaal tot uw kerk gekozen.”

Het is overbodig te zeggen dat deze en dergelijke aanmerkingen in hooge mate grievend voor hem waren. Maar wat hem het meest drukte was de erkentenis dat er in die aanmerkingen veel waars was. Wanneer hij in de eenzaamheid voor God den stand van zaken overdacht en de vraag deed, hoe Christus, hoe Paulus in zijn geval zou gehandeld hebben, dan kwam hij gedurig tot de overtuiging, dat zij nooit een gemeente zouden gedwongen hebben, hun geld te betalen voor een Evangelieprediking, welke zij niet beaamde. En dan moest hij met schaamte erkennen, dat hij den geloofsmoed nog niet bezat, hierin hunne voetstappen te drukken. Ook hield de zorg voor zijn vrouw en drie kinderen hem terug. Maar in de binnenkamer werd een bange strijd gestreden, totdat er met één slag een einde aan werd gemaakt. Op zekeren morgen kwam zijn dienstbode schreiende van de markt thuis en verhaalde hem hoe onderscheidene dienstboden haar spottenderwijs gezegd hebben: “Uw heer is een broodprediker; hij blijft zijn gemeente maar altijd dwingen hem dat geld te betalen, ofschoon hij er niets voor doet.” Ook kwam hem te binnen het woord van Paulus, dat [67] hij van de ondersteuning der gemeente geen gebruik gemaakt had, “opdat hij niet eenige verhindering geven zou aan het Evangelie van Christus” (I Cor. 9:12). Tot zijn smart moest hij bekennen dat de geldkwestie met de gemeente een schromelijke verhindering aan het Evangelie begon te geven. Dit bracht zijn strijdend gemoed tot beslissing. Toen hij de volgende dagen eenige leden van den kerkeraad en van de gemeente ontmoette, en het gesprek wederom op de aanhangige zaak gebracht werd, verklaarde hij afstand te doen van het tractement. Op de vraag, waarvan hij dan zou leven, antwoordde hij, dat zijn Zender rijk genoeg was om hem en zijn gezin te onderhouden, en toen zij de opmerking maakten, dat hij, indien de gemeente haar betaling staakte, haar wel met de rechterlijke macht er toe zou noodzaken, antwoordde hij, dat het zijn gewoonte, noch die der gemeente Gods was, de heilige dingen voor den wereldlijken rechter te brengen. Eindelijk, op de vraag, wat hij dan doen zou, indien dan nu kansel en alles voor hem gesloten was, antwoordde hij, dat hem dan geen ander gebod gegeven was, dan het stof van zijn voeten te schudden. En hierop ontving hij weinige dagen daarna, juist toen hij voor het eerst in het nieuwe lokaal gepredikt had, eenen brief van den kerkeraad, waarin deze hem bedankte voor de wijze, waarop hij de gemeente in staat gesteld had den band tusschen haar en hem te ontbinden. Door bemiddeling en op raad van Prof. S. Muller te Amsterdam besloot de kerkeraad en vier dagen later de Doopsgezinde Broederschap, 26 October 1845, 1e aan Ds. de Liefde zjjn ontslag te geven, 2e hem voor den tijd van vier jaar het genot van  vijfhonderd gulden (het halve tractement) aan te bieden. De Liefde nam met dat voorstel genoegen[58] en hiermede nam de lijdensgeschiedenis die gemeente en leeraar hadden doorworsteld een einde.

Het lokaal Bethel in de Polsbroek deed nu dienst voor de [68] samenkomsten, waarin de Liefde optrad en zich met zijn getrouwen vereenigde “tot een lichaam in Christus Jezus.”[59] Zij gaven zich bij den koning aan als Apostolisch-Christelijk-Afgescheidene Gemeente. Hun voorganger stelde in veertien artikelen een geloofsbelijdenis op, “als een zamenvatting van de eenvoudige grondslagen des heils in Christus, in welke alle kinderen Gods, wier verstand niet verward geworden is, vereenigd zijn.”[60] Allen, die weigerden de zaken in deze belijdenis vervat, mede te belijden, werden van de gemeenschap uitgesloten, terwijl aan een ieder, die was toegetreden, de vrijheid werd gelaten in de geloofszaken af te wijken, die niet in deze geloofsbelijdenis stonden uitgedrukt, zelfs van de meening, die in de gemeente het allermeest mocht heerschende zijn. Doop en Avondmaal werden niet gerekend tot de fundamenten des heils, maar wel als ondergeschikte geloofspunten, die van het hoogste gewicht waren voor de samenstelling der gemeente als lichaam. De kinderdoop werd als een “onordelijkheid die in 's Heeren lichaam niet betaamt,” verworpen, de doop op belijdenis als Schriftmatig erkend. Nochtans niet om een scheidsmuur op te richten. Geloovigen die den kinderdoop voorstonden, maar toestemden in de opgestelde belijdenis, werden tot de gerneenschap toegelaten. En elke gemeente, die zich elders in dezelfde belijdenis vereenigde, werd erkend als een zustergemeente, al mocht haar heerschende meening ten aanzien van den doop ook anders zijn.

Deze gemeente heeft slechts zeer kort bestaan, daar haar voorganger ruim een half jaar na haar stichting Zutphen verliet om zich te wijden aan de zaak van het Christelijk onderwijs. Er was namelijk voor de Christelijke Normaalschool, die door de Réveilmannen zou worden opgericht tot [69] opleiding van Christelijke onderwijzers, een directeur noodig. Baron W. van Lijnden te Zutphen, die de Liefde als zijn geestelijken vader eerde, achtte hem én door zijn talenten én door zijn positie, de geschikte persoon die men zocht en sprak er over met Mr. J.J.L. van der Brugghen, de ziel van het Normaalschoolplan. Deze kwam ongezocht met de Liefde in aanraking en vond bij hem zooveel uitstekende gaven voor het Christelijk onderwijs en zulk een bepaalde begeerte om daarin werkzaam te zijn, dat hij alles deed om hem aan het hoofd der normaalinrichting te plaatsen. Dit zou tevens voor hem een ware uitkomst zijn, daar hij geheel van tijdelijke middelen was beroofd. De heer Willink te Amsterdam, die in de Liefde's lot veel belang stelde, ging nu in overleg met Mr. van der Brugghen bij de broeders te Amsterdam collecteeren voor de uitzending van de Liefde naar het seminarie van Christelijke onderwijzers te Meurs onder directeurschap van Zahn, ten einde zich daar voor de aanstaande betrekking te bekwamen. Hij stuitte echter op zooveel bedenkingen en zwarigheden tegen de Liefde van wege diens Baptistische gevoelens, dat het bestuur al zeer spoedig begreep hem geen vooruitzichten te mogen geven. Toch wilde men hem voor de zaak van het Christelijk onderwijs en Nederland trachten te behouden[61] en zoo werd hij, vooral door de mildheid van Mr. Groen van Prinsterer, in staat gesteld gedurende een jaar naar Meurs te gaan, onder stellige verklaring, dat hij alle uitzicht op Normaalschooldirecteur of een andere plaatsing bij het onderwijs van den kant der Christelijke vrienden ter zijde stelde. Dit moet een bittere teleurstelling zijn geweest voor den man, die aan Groen durfde schrijven: “voor het schoolwezen voel ik mijn hart hoe langer zoo meer ontbranden, terwijl ik krachten tot die zaak in mij [70] begin te ontwaren, die vroeger voor mij zelven min of meer verborgen waren.”[62] Zijn houding in verband met den doop teekent hij aldus: “zekerlijk veroordeel ik den kinderdoop beslist, en ik vereenig mij geheel met den raad van da Costa, toen hij zeide: “Gij zoudt aan het hoofd der Normaalschool geplaatst, uwe overtuiging op dit punt evenmin moeten cacheren als op den voorgrond stellen.” Men heeft niet geheel ten onrechte aan de Baptisten de fout eener zoo kleingeestige als onbarmhartige zucht tot exclusie ten laste gelegd, doch het heeft den Heer behaagd mij daarvan te vrijwaren, zoodat mijne ingewanden ruim zijn ook tegen niet-Baptisten. Om de persoon mag hier echter niets gedaan of gelaten worden. Of ik hier te lande dan wel aan de oevers van de Missisippi mijn hoofd eenmaal neerleg, daaraan is in den grond der zaak weinig gelegen voor eenen pelgrim naar den Hemel, en de Heere kan in éénen dag negen duizend schooldirecteuren verwekken, in elk van welke ik met al mijne gaven en kennis of wat het ook zij negen duizend maal laveren kan. Indien in gemoede uw zin tegen mijne aanstelling in die betrekking mocht gericht worden, en des Heeren zin er voor is — dan zal de aanstelling geschieden tegen uw zin. En indien de Heere de zaak niet goedkeurt, dan zal zij afspringen tegen mijn zin. Bij dat alles hopen wij elkander de broederhand te drukken en zamen te bidden: Niet onze, maar uw wille geschiede!”[63]

Begin Juli 1846 vertrok de Liefde met de zijnen naar Meurs, maar hoofd der Normaalschool werd hij niet. Men vreesde dat zijn afwijkende gevoelens in zake den doop de school in miscrediet zouden brengen.

De gemeente, die de Pinto als voorganger had, hield haar samenkomsten in de Waterstraat, in het huis dat hij bewoonde. [71] Verscheidene personen sloten zich bij haar aan, zooals de broeders Bruin, Aliart, Valckenaar, Haagens, Peters, Karelsen, Kreijenbroek, en de zusters Stalman, Apeldoorn en Stargardt. De doop geschiedde, bij gebrek aan een doopvont, in den regel des avonds buiten de stad in den Berkel, in de Stadsgracht of in de kolk te Helbergen tegenover den Houtwal.[64]

In December 1846 voltooide de Pinto zijn merkwaardige brochure “De Godsdienstige Hervorming der Nederlandsche Israëlieten, overwogen door een Nederlandsch Israëliet”,[65] waarin hij de Joden wilde bewegen om voor goed den afscheidsbrief aan de synagoge te geven, zich te wenden tot de Heilige Schriften, den Zone Davids in het geloof te omhelzen en den doop der geloovigen te ondergaan. Na den kinderdoop, den eed en den talmud te hebben bestreden,[66] handelt hij over “de beloften Gods, die als zoo vele cirkelstralen uitloopen op één middenpunt, één zaad, één zoon, één mensch, die uit Israël zal geboren worden.” En wie hij is; welke zijn betrekking is tot de wet; wanneer hij komt; waardoor hij onderscheiden is van de overige erfgenamen; hoe hij van God wordt ontvangen; hoe hij van de zijnen wordt ontvangen; al deze vragen worden uit de profetische geschriften van Israël door hem beantwoord, zonder dat éénmaal de naam van Jezus nog wordt genoemd. Maar eindelijk barst hij los met groote kracht. Dan gaat hij spreken van den man zonder vast domicilie, die de weleerwaarden, de zeer weleerwaarden, de hoogweleerwaarden van hunne tronen bonsde met zijn eenvoudig woord, maar die door de synagoge overgeleverd en door de Romeinsche politie geëxecuteerd werd. En dan laat hij het drukken met vette [72] letters: “De zaligheid voor Jood en Heiden is in geen anderen naam onder den hemel als in Zijn naam, in den naam van Jezus Christus.” Vervolgens gaat hij met beroep op zijn eigen levenservaring verhalen, dat het in de Christelijke kerken nog treuriger gesteld is dan in de Joodsche synagoge. Eindelijk besluit hij zijn betoog aldus: “De Zone Gods is niet op aarde gekomen om steenen huizen te bouwen, maar om een  geestelijk huis te bouwen, waarvan de levende steenen zijn de waarachtige aanbidders Zijns Vaders in geest en in waarheid, samengevoegd door de volmaakte samenbinding, het onvergankelijke cement van de liefde Gods in hunne harten uitgestort. De tempel waar God aangebeden wordt is slechts zichtbaar op aarde door de goede werken en den godvreezenden wandel van de belijders en betrachters der geestelijke waarachtige godsdienst. De geloovigen, aan de wereld en hare heerlijkheid afgestorven zijnde, laten zich in den doop levend begraven; in den doop worden de geloovigen op aarde tot priesters van den hemelschen tempel Gods gewijd. En wat hebben nu de wereldkerken gedaan? Die hebben den last des Meesters vlak omgekeerd. Eerst doopen zij op hunne manier de menschen, die dan later al of niet zullen gelooven, wie weet het? Maar te Zutphen, mijne tegenwoordige woonplaats, hebben zich eenige weinige menschen vereenigd, om God, Wien zij te zamen betuigden op Zijn woord te gelooven, ook te zamen naar Zijn woord te dienen, en te zamen als leerlingen van Christus te leven; tot dat einde hebben zij, dat is nu ongeveer anderhalf jaar geleden, toen nog ongedoopt zijnde, sedert ook aan elkander den last van hun meester volbragt, zich door den doop aan Hem verbonden, en naar Zijn woord gereinigd, ook te zamen zijn heerlijken maaltijd gehouden.”

Dat het er echter ook in deze gemeente verre van rooskleurig uitzag kon hij niet verbloemen. “De ontwikkeling bij de geloovigen, die in mijne nabijheid zijn,” schreef hij aan Feisser, “is zeer langzaam; ja, bij sommigen is er meer vordering achterwaarts dan voorwaarts.”

[73] De Pinto vertrok in Mei 1848 naar 's Gravenhage, waar hij zijn intrek nam bij zijn zwager, den advocaat Mr. Abraham de Pinto.[67] In de Baptistische beweging heeft hij verder geen rol meer gespeeld. Evenals een meteoor, die plotseling een hevig licht uitstraalt maar op eens uitdooft, verdwijnt deze hartstochtelijke, zonderlinge figuur in het duister van het verleden. Hij eindigde zijn aardsche leven te Gouda als een menschenschuwe kluizenaar, die zelfs voor zijn vroegere geestverwanten niet meer te genaken was.[68]

Na zijn vertrek werd Willem Bruin, schoonzoon van Hermanus Peters, wonende in het Bornhof, voorganger der gemeente. Doch ook dit was kort van duur. In 1849 vertrok hij met de familie van zijn vrouw en enkele andere broeders naar Amerika.[69] Ook Hagens en Valckenaar gingen [74] derwaarts.[70] Zij die bleven gingen deels over tot de Mormonen, deels tot de Darbisten.[71] Feisser heeft door herhaald bezoek getracht deze afwijkingen te keeren, maar het mocht hem niet gelukken. De gemeente viel uiteen, doch om vele jaren later verjongd op te staan.[72]


[1] Voornaamste bronnen voor het leven van Ds. J. de Liefde zijn: 1. “Volksmagazijn voor burger en boer”, Amst. 1852—1860. 2. Verschillende van zijn brochures. 3. Brieven aan Mr. Groen van Prinsterer in het Rijksarchief te 's Gravenhage, vgl. Mr. T. de Vries, Groen’s bibliografie, Utr. 1908. 4. Doopsgez. Bijdr. 1881, bl. 55 v.v.; 1901 bl. 133 v.v. 5. Brieven van J. Wormser. 6. Brieven van I. da Costa. 7. W. van Oosterwijk Bruyn, “Uit de dagen van het Réveil”. 8. Opstellen in “Timotheus”. 9. A. Pierson, “Oudere Tijdgenooten”. 10. De Bijlagen in deze studie. Voor een afzonderlijke levensbeschrijving van dezen genialen man is het meer dan tijd.

[2] “Getrouw aan de les der school, trachtte ik altijd mij zooveel mogelijk van schriftuurlijke woorden te bedienen”. “Gevaar! Gevaar!” bl. 35.

[3] “Volksmagazijn” 1856, bl. 272.

[4] Ds. De Liefde heeft meermalen over zijn bekeering geschreven, n.l. in “Twee merkwaardige brieven”, uitgave Neerbosch-drukkerij z. j. Verder: “Volksmagazijn” 1855. bl. 289, 1856, bl. 272, 1857, bl. 228 en eindelijk in: “Gevaarl Gevaar!” bl. 35.

[5] Verschillende citaten uit de onderscheidene mededeelingen aangaande zijn bekeering zijn hier saamgevlochten tot een geheel.

[6] “Volksmagazijn”, bl. 228 v.v.
[7] “Gevaar! Gevaar!” bl. 79.
[8] Antwoord aan Prof. S. Muller, Amst. 1854, bl. 16.
[9] t.a.p. bl. 4 en 5.
[10] Antwoord aan Prof. S. Mulder, bl. 4 en 5.
[11] Ds. van Pesch te Uithuizen.

[12] Volgens het besnijdenisboek van de Portugeesch-Israëlietische gemeente te ‘s Gravenhage (Gemeentearchief) is J.B. de Pinto geboren 25 Nov. 1809. Zijn moeder Heette Ribca Louise Salvador. In hun voormalige woning bevindt zich nog de prachtige kamer waarin het Loofhuttenfeest werd gevierd. Jacob Benjamin werd 28 Aug. 1829 als med. student ingeschreven, 7 Oct. 1841 als theol. student. Enkele levens bijzonderheden zijn te vinden in zijn brochure “De godsdienstige hervorming der Nederl. Israëlieten”, Zutphen 1847. In een van zijn brieven schrijft Ds. de Liefde: “Scholte, Capadose etc. zullen de Pinto’s broeders blijven, want hij heeft “hun brood gegeten en veel vriendschap van hen genoten!” Het familiearchief der de Pinto’s wordt bewaard bij de familie Hijmans te ‘s-Gravenhage. Ik dank deze en enkele andere bijzonderheden aan de vriendelijke mededeeling van Mr. P. G. Bos, adjunct-archivaris te ‘s Gravenhage.

[13] Ook werkte daartoe mede de lezing van het in 1841 verschenen tijdschrift “de Reformatie” onder redactie van H. P. Scholte, die b.v. Gods verbond met Abraham ook (en aanzien van Palestina beschouwde als een eeuwig verbond. Zie: “Trouw aan het Woord”, J. de Liefde, Zutphen, 1845, bl. 4.

[14] Blijkens een brief van de Liefde aan J. Köbner te Hamburg, 2 Febr. 1845. Zie de bijlagen. In 1842 was van Darby in het Nederlandsen verschenen: “De tegenwoordige verwachting van de kerk van Christus of de voorspellingen welke daarvan handelen”, Amst. 1842.

[15] A. Keith, “Evidence des propheties”, Paris 1830.
[16] De in den tekst genoemde brochure, bl. 2.

 

[17] Dit leerstellig vertoog voltooide de Liefde 19 Maart 1844 en verscheen dat jaar te Zutphen.

[18] “Niet de Kinderdoop...” bl. 3.
[19] Een woord tot de slapenden en in slaap gewiegden, Zutphen, 1844.
[20] J.H. Halbertsma, “De Doopsgezinden en hunne toekomst”, Deventer 1843.
[21] “Twee brieven ter toelichting en toetsing der schets van J. H. Halbertsma,” Amst. 1844.
[22] “Gevaar! Gevaar!” bl. 36.
[23] “Gevaar! Gevaar!” bl. 57.
[24] t.a.p. bl. 103.
[25] Brieven van Wormser, medegedeeld door Mr. Groen van Prinsterer, Amst. 1874, hl. 20.
[26] Blijkens een brief van de Liefde aan Groen, 11 Juli 1844, in het Rijksarchief te ‘s Gravenhage.
[27] Brieven van Wormser, bl. 21.
[28] Feisser’s eerste brief aan de Liefde werd geschreven Juli 1844, blijkens den brief van 9 April 1845. Zie Bijlagen.
[29] Brief van 2 Febr. 1845. Zie Bijlagen.
[30] Brief van 2 Febr. 1845. Zie Bijlagen.

[31] In den brief van 2 Febr. 1845 aan J. Köbner (zie Bijlagen) schrijft de Liefde dat het met de uitgave zijner brochure “Trouw aan het Woord” veel moeite gaf, “omdat meest alle boekdrukkers en boekhandelaars hervormd zijn en in verband met den een of anderen hervormden collega staan.” Hij was nu al met den vierden in onderhandeling, zoodat hij reeds gedacht had het werk voor eigen rekening in Hamburg te laten drukken.

[32] Brief 2 Febr. 1845, passim.
[33] Brief 2 Febr. 1845.
[34] Amst. 1845.
[35] Brief 2 Febr. 1845.

[36] Broederlijke brief aan H.P. Scholte, gedrukt voor rekening des schrijvers, Zutphen, 1845.

[37] “Trouw aan het Woord”, bl. 2-4.
[38] Trouw aan het Woord”, bl. 8.
[39] Volgens de Liefde is de doop metterdaad een afwassching der zonde, niet slechts een afspiegeling der behoudenis. Wie den doop waardiglijk ondergaan heeft, is niet Christus door dien doop in den dood begraven en uit den dood opgewekt. Hij zegt van het besprengen het volgende: “indien het een ernstig en waarachtig streven is, eeniglijk naar 's Heeren Woord en gebod te handelen en niet te wegen wat de menschen al goedgevonden hebben daaraan te veranderen of te wijzigen, zoo zal men het besluit nemen om voortaan niemand meer te besprengen, maar trouw aan het bevel des Heeren, den doop alleen bij onderdompeling als eene begraving en opwekking te bedienen.” “Trouw aan het Woord”, bl. 39.
[40] “Trouw aan het Woord”, passim.
[41] Brief aan Feisser van 9 April 1845. Zie Bijlagen.
[42] Brief van de Liefde aan Feisser van 13 April 1845. Zie Bijlagen.
[43] Brief 2 Febr. 1845.
[44] Doopsgez. Bijdr. 1881, bl. 55.
[45] “Antwoord aan Prof. S. Muller”, bl. 7.
[46] Feisser schreef van uit Hamburg aan de Liefde, dat hij na den doop ontvangen te hebben, met Köbner te Zutphen zou komen. Brief 3 Juni 1845. Zie Bijlagen. Het bezoek had plaats vermoedelijk 17—19 Mei.
[47] Brief van Köbner aan J. E. Feisser, 26 Sept. 1845. Zie Bijlagen.
[48] Brief van de Liefde aan Feisser, van 2 Juni 1845. De Pinto schrijft in zijn brief van 24 Mei 1845 dat Feisser den naam Baptist voor zich niet erkende. Diens optreden is dus ongetwijfeld gematigd geweest. Zie Bijlagen.
[49] Zie noot 48.
[50] De Pinto schrijft in den Brief van 23 Juni 1815: “Br. de Liefde wil van geen -isten of -anen weten.” Zie Bijlagen.
[51] Brief van de Pinto aan Feisser, 23 Juni 1845.
[52] Brief 13 April 1845 en begin brief 2 Juni 1845.
[53] Brief van de Pinto aan Feisser van 23 Juni 1845.
[54] Brief van 20 juli 1845.
[55] “Antwoord aan Prof. S. Muller”, bl. 8.
[56] Slot van zijn brief aan Feisser van 6 Sept. 1845.
[57] Dit en het volgende is ontleend aan het verhaal door de Liefde zelf gedaan in “Antwoord aan Prof. S. Muller”, bl. 8.
[58] Doch hij bedong er nog bij de overname van de huur zijner woning en de betaling der verhuiskosten. “Doopsgez. Bijdr.” 1881, bl. 60.
[59] “Belijdenis des Geloofs der Christelijke gemeente te Zutphen, bij Zijne Majesteit den Koning der Nederl. bekend onder den naam van Apostolisch-Christelijk-Afgescheidene gemeente, met een voorrede aan alle geloovigen,” Deventer 1845.
[60] t. a. p., bl. 7.
[61] Hij had n.I. plan naar Amerika te gaan. Zie voor de plannen met de Liefde in zake de Normaalschool den brief van Mr. J.J.L. van der Brugghen aan Mr. Groen van Prinsterer, zonder datum, maar waarschijnlijk dateerend begin 1846, in de briefwisseling van Groen van Prinsterer in het Rijksarchief te 's Gravenhage.

[62]Brief aan Mr. Groen v. Prinsterer 7 Mei 1846, in het Rijksarchief.

[63]Brief aan Mr. Groen v. Prinsterer alsvoren en de brief van Mr. J.J.L. van der Brugghen aan Mr. Groen v. Prinsterer, 22 Juni 1846 in het Rijksarchief.

[64]Volgens mededeeling van den heer B. Roeles te Arnhem, in zijn M. S. “Wording en Voortgang der Gemeente van gedoopte Christenen te Zutphen,” geschreven in 1899 en mij welwillend door hem ter inzage verstrekt.

[65]Zutphen, 1847.

[66]De Pinto, “De Godsdienstige hervorming enz.” bl. 1—35.

[67]Volgens de gegevens der volkstelling in dat jaar, mij vriendelijk verstrekt door Mr. P. G. Bos, adjunct-archivaris te 's Gravenhage.

[68]Kloekers heeft nog eens getracht hem een bezoek te brengen, maar hij werd niet toegelaten.

[69]Bruin had én te Shebbogan County, waar hij zich eerst nederzette én te Milwaukee met groote zwarigheden te kampen. Als Baptist kon hij op de hulp der Gereformeerden niet rekenen. Ook de Duitsche Baptisten niet hun Calvinistische gevoelens waren hem niet genegen, wegens zijn leerbegrippen. Evenals de Liefde en de Pinto was hij chiliast en verwachtte hij den terugkeer van Israël naar het Heilige Land en de parousie als nabij. Hij geloofde aan een tusschenstaat der zielen na den dood. “Het is”, schrijft hij 11 Nov. 1864 aan Feisser, “van groot practicaal nut voor de geloovigen te weten, dat hunne geesten niet dadelijk bij den Heere Jezus komen. In nauw verband met een tusschenstaat is de leer van 's Heeren nederdaling in de Scheool of Hades gedurende zijn lichamelijken dood. Verstaan wij dit, dan verstaan wij ook hoe Hij ons van den dood verlost heeft of verlossen zal. Aan 't kruis toch verloste Hij ons van onze zonden, niet van den dood. Door het thans heerschend gevoelen toch wordt de opstanding der dooden, waaraan de apostelen zooveel gewicht hechtten, geheel verloochend. D& hope der opstanding heeft geen waarde, geen kracht, geen troost, geen drang ter volharding meer voor de Gereformeerden. Niet weinig ben ik in dat gevoelen versterkt door de lezing van Joh. Ludwig König, “Die Lehre von Christi Höllenfahrt”, Frankf. 1842.”

[70]Valckenaar vestigde zich eerst te Muscatine in lowa en ging toen naar Rochester (N.Y.) om aldaar aan het Baptistisch seminarie te studeeren voor het predikambt. Hij was minder radikaal dan Bruin en kon zich beter dan deze met de Duitsche Baptisten vereenigen. Zie brief van W. Bruin aan Feisser, Maart en 11 Nov. 1864, in het bezit van Mej. A.M. Feisser te N. Pekela.

[71]O.a. van der Worp en echtgenoote, zuster Apeldoorn, zonder zich rechtstreeks bij de Darbisten aan te sluiten.

[72]Zuster Stargardt te Amsterdam was een der laatst overgeblevenen van de oude garde der gedoopten te Zutphen.

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman