Hoofdstuk 11

Unie en bond [1]

[243] Waren vroegere pogingen tot vereeniging der gemeenten mislukt, de echt broederlijke samenkomsten[2] van voorgangers en ouderlingen, die sedert 1879 driemaal per jaar in de Veenkoloniale gemeenten gehouden werden,[3] leidden tot het lang beoogde doel. Den 28en Juli 1880 werd in zulk een samenkomst te Haulerwijk besloten om zich te constitueeren tot een “Unie van gemeenten van gedoopte Christenen”, die de gemeenten Stadskanaal, Nieuwe Pekela, Groningen, Foxhol, Haulerwijk, Hengelo en Sneek zou omvattten. De vergadering van 27 October te Hengelo, bijgewoond door H.Z. Kloekers, H. Kruit, R.J. Reiling, Ph. Lindeman, B. Roeles, J. Horn, J. de Hart, N. van Beek en G. de Vries stelde voorloopig de statuten vast, die door Kloekers waren geconcipieerd en thans aan alle gemeenten ter beoordeeling werden gezonden. Den 26en Januari 1881 kwam de vereeniging tot stand in het kleine Foxhol, een buurtschap van vogelvangers en fabrieksarbeiders. Door den arbeid van de Vrieze[4] was hier een gemeente ontstaan, die sedert 1875 om de andere week het woord der prediking ontving van Adolf Heinrich Johan Koch,[5] horlogemaker te 

[244] Wildervank. In een vunzig, bouwvallig lokaaltje had de vergadering der “Uniemannen” plaats. Tegenwoordig waren dertien voorgangers en ouderlingen, nl. H.Z. Kloekers te Nieuwe Pekela, H. Kruit, H. Engelsman, J. Brengers te Stadskanaal, Lammert en K. Vos te Foxhol, J. Horn en S. Gorter te Sneek, K. Kremer en K. van der Baaren te Groningen, N. van Beek en G. de Vries te Haulerwijk en S. Engelsman te 't Zandt, als onderafdeeling van Stadskanaal; verder negen broeders als gasten, nl. B. Roeles te Weerdingemond, van der Werf te Sneek, gebroeders Grasmeijer en Vos te Foxhol, Hermanus Muda en H. Venhuizen te 't Zandt en Koek te Winschoten. Ingekomen was een schrijven van de gemeente te Haarlem, van C. Peters te Deventer, van J.F. Nieboer[6] te Nieuwe Pekela en van J. de Hart te Hengelo dat zij met de concept-statuten instemden. Nadat men Gezang 99:3 had gezongen, las Kloekers Johannes XVH voor en sprak naar aanleiding daarvan een hartelijk, ernstig woord, “om één te zijn in Hem, die ons leven is.” Daarop volgde de bespreking der statuten. H. Kruit, voorganger der gemeente te Stadskanaal, wenschte een kleine wijziging in zake den eed.[7]

[245] Toen deze was aangenomen, verklaarden allen met de statuten in te stemmen en welde uit Kloekers' hart een innig dankgebed, daar de Unie een feit was geworden.[8] Een zijner innigste wenschen was vervuld, nl. het vormen van een band, niet op de basis eener confessie, maar op denzelfden grondslag als de Engelsche gemeenten.

De Unie zou omvatten gemeenten, “die belijden en beleven, dat Jezus Christus de eeniggeboren Zoon van God is en een algenoegzame Zaligmaker voor zondaren; die den den doop der geloovigen, in onderscheiding van besprenging, handhaven; wier statuten in overeenstemming blijken te zijn met de beginselen der Unie; die bij koninklijke goedkeuring rechtspersoonlijkheid hebben verkregen; en die tot het lidmaatschap zijn toegelaten.”[9]

Het doel der Unie was:[10]

a. “om onder hare leden liefde, achting en eendrachtige samenwerking aan te kweeken;

[246] b. om gelegenheden te verschaffen tot conferentiën, tot openbaarmaking van hare beginselen en tot verbreiding van het Evangelie, zoowel in als buiten Nederland;

c. om broederlijke briefwisseling te bevorderen met gedoopte Christenen, niet alleen in deze provinciën, maar ook in andere landen;

d. om nauwkeurige berichten in te winnen met betrekking tot de inrichting, de werkzaamheden, het lijden en den voorspoed der gemeenten van gedoopte Christenen in de geheele wereld;

e. om met geloovige belijders van den Christus, van anderen naam, mede te werken tot het heil des vaderlands en der wereld in het algemeen, naarmate de gelegenheid daartoe aangeboden wordt of de omstandigheden dit vereischen of toelaten zullen;

f. om de rechten te bepleiten van alle menschen tot vrijdom van terugzetting, beperking of belasting in zaken van zuiver godsdienstigen aard.”

De eerste commissieleden der nieuwe Unie werden: H.Z. Kloekers, president, die tevens de werkzaamheden als secretaris voor het buitenland, zou verrichten, H. Kruit, vice-president, N. van Beek, secretaris, G. de Vries, penningmeester en J. Horn, lid.

Reeds lang was er behoefte gevoeld aan een middel, waardoor de gemeenten meer de onderlinge gemeenschap onderhielden. Men bezigde daarvoor brieven, die bij de gemeenten circuleerden.[11] Deze wekten bij velen het verlangen op naar een eigen vast orgaan, dat tevens de openbaarmaking der beginselen en de uitbreiding van het Evangelie bevorderde. Op de eerste algemeene vergadering te Sneek, 22—23 Juli 1881, werd dan ook tot de uitgave van een maandblad[12] besloten. Het ontving den naam “De Christen” en als 

[247] redacteurs traden Kloekers en Horn op. Het eerste nummer, dat den 15en Januari 1882 bij J.J. Wiarda te Sneek verscheen, bevatte een hoofdartikel van de redactie, een nieuwjaarswoord van J. Horn, een opstel over “De adel der Bereërs” door N. van Beek, een artikel over “God ziet u” van B. Roeles en een verhandeling over “den Christennaam” van J. de Hart. De redactie omschreef het doel o.m. aldus: Den Christen voor te stellen naar de Schriften des Nieuwen Verbonds, in zijn wording, bestaan en wandel; in zijn huiselijke en maatschappelijke roeping, in zijn werken, strijden, lijden en heerschappij; ons hoofddoel zal zijn om den Christen en het ware Christendom te doen uitkomen, zooals beiden ons in de Schriften des Nieuwen Verbonds voorgesteld worden, teneinde tot bekeering en Christelijk leven, en tot de gemeenschap der heiligen op te wekken en aan te sporen.[13] Met liefde en geheel belangeloos verrichtten de beide redacteurs hun nieuwe taak. Wie de eerste jaargangen van “De Christen” doorbladert, wordt getroffen door den warmtegloed, die er hem uit tegenslaat. Tusschen Kloekers en Horn rees echter een te groot verschil in denkwijze, dan dat zij het op den duur konden vinden. De gevoelens van Kloekers' stiefzoon, Johannes Feisser, speelden daarbij een niet onbelangrijke rol. Deze had reeds vroeg veel innerlijken strijd “ter oorzake van de verwarde denkbeelden der tegenwoordige Christenen.” Zijn vader Dr. J.E. Feisser had hem als knaap nooit iets medegedeeld van de leerstellingen der Hervormde kerk. Eerst na de schooljaren liet deze hem verschillende gedeelten uit een Duitsch boek van Spener vertalen, met het doel om het Duitsch te onderhouden en zijn aandacht bij godsdienstige onderwerpen te bepalen. Daarin werd o.a. gehandeld over het afleggen van den ouden mensch, het zijn van een nieuw schepsel, het vleesch kruisigen, het doo-

[248]-den der leden, het wandelen naar den geest enz. Dit vertaalwerk bracht hem aan het nadenken over zijn verhouding tegenover God. Na verloop van een paar jaar brak hij met zijn wereldsche vrienden en genoegens en kwam “tot de overgave aan den Heer.” Hij vond echter nog geen vrede. Van zijn moeder had hij dikwijls gehoord, dat zij na lang zoeken vrede gevonden had in het offer van Christus, zonder later ooit meer getwijfeld te hebben. Hij hoorde ook van groote blijdschap door anderen gesmaakt bij hun bekeering. Die vrede en blijdschap moest, meende hij, ook zijn deel wezen. Doch geen bidden en smeeken hielp. Zijn moeder, een verstandige vrouw, die het gevoelschristendom schuwde, spoorde hem aan op het geschreven woord des Heeren te bouwen; die Waarheid en die beloften waren vertrouwbaar. Maar de rechte vrede des harten bleef uit. Het werd er niet beter op, toen hij hoorde van de leer der uitverkiezing en hij raakte aan de hevigste zielsworstelingen ten prooi. Toen een eenigszins kalmer toestand intrad, bood hij zich aan om gedoopt te worden. Hij deed belijdenis van zijn overgave aan den Heer, en van zijn wensch om gedoopt te worden. De oude broeder R. Reiling vroeg hem bij die gelegenheid of hij zelf overtuigd was van den doop der geloovigen, dan of hij dit deed omdat zijn ouders zoo zeiden, waarop hij antwoordde, dat het hem een zaak des harten was. Hij liet nu zijn romanlectuur varen en legde zich meer toe op Schiftonderzoek, gelijk de oudere broeders, zooals H. Kruit, die voor spreekwijze had: “Luther heeft wel gelijk, als hij zegt dat een lam door de Heilige Schrift heen kan waden en een olifant er door heen kan zwemmen.” Er werd nu door hem met eenige vrienden een jongelingsvereeniging opgericht, die eerst ten huize van broeder H. Kruit in den Boerveenschen mond en later in de kerk bij den Gasselter-Nijveenschen mond vergaderde. Zij lazen, naar het voorbeeld der ouden, een gedeelte uit het Nieuwe Testament en bespraken dat met elkander. Zij waren om de beurt president. Ook hadden zij een vragenbus, en de vragen, die ieder daarin deed, kon-

[249]-den door ieder die wilde met een opstel worden beantwoord. Dikwijls kwam het gesprek op de uitverkiezing, maar hoewel het hun dikwijls moeilijk viel om te weerleggen wat daarvoor werd aangevoerd, beredeneerden zij toch eenstemmig, dat er geen aanneming des persoons bij God kon zijn. Dit hoorden zij meermalen van de ouden en het kwam hun ook het best voor. Zoo hadden zij H. Kruit eens tot iemand, die het leerstuk der praedestinatie verdedigde, hooren zeggen: “Zoudt gij willen, dat heel Stadskanaal zalig werd?” “O ja, gaarne”, was het antwoord. “Wat dunkt u”, vroeg Kruit toen, “heeft God u dit in het hart gegeven of de duivel?” — “Ja, dat moet toch wel van God zijn.” — “Welnu”, hernam Kruit, “zou God u dan iets in het hart geven wat hij zelf niet bezit?” En dan moest men het vroolijk, innerlijk blijmoedig, ja verheerlijkt gelaat van Kruit bij zulke gelegenheden zien.

In de gemeente werd het steeds aan allen als een dure plicht voorgehouden om met den naaste over de zaligheid zijner ziel te spreken. Men had een beschuldigend geweten als men het niet deed. Zoo sprak Johannes Feisser bij zulke gelegenheden ook over 's menschen roeping om geloovig aan te nemen de verzoening, die Christus aan het kruis had teweeggebracht. Hoewel hij er bij anderen op aandrong, had hij zelf moeite genoeg om daarop te rusten. Een andere stem in hem zeide dat de ware vrede en blijdschap van den Christen, steeds in verband staan met het leven naar 's Heeren geboden. Eens van de jongelingsvereeniging huiswaarts keerende en onderweg met een zijner vrienden samensprekende, kwam hem het woord voor den geest van den Apostel Paulus Efeze 11:13 “vergevende de een den ander gelijk God in Christus ulieden vergeven heeft”, en Col. III:13 “vergevende den een den ander gelijk Christus u vergeven heeft.” Dus, zoo dacht hij, moet Gods wijze van vergeven gelijk zijn aan ons vergeven van den naaste; ons vergeven van den naaste vraagt ook geen betaling door straf, maar berouw en begeerte naar vergeving.

[250] Het onderwijs van de kinderen op de Zondagschool bracht hem voor zich zelf tot nog meerdere klaarheid. Tot het oprichten van die Zondagschool had de scheepskapitein Bakker van Nieuwe Pekela den stoot gegeven. Tot bekeering gekomen, wilde hij arbeiden voor de bevordering van Gods koninkrijk en begon nu met J. Feisser in de Boven Pekela des Zondags de kinderen te onderwijzen. Toen Bakker weer naar zee ging stond, Feisser er alleen voor. Nu gebeurde het eens, dat de kinderen Matth. V:44, 45a van buiten geleerd hadden: “Hebt uwe vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken, doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen en die u vervolgen, opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in de hemelen is.” Toen overlegde hij bij zich zelven: zal ik dit woord schroeven in het leersysteem van de rechtvaardiging? en hij kwam tot het besluit: ik houd mij aan het eenvoudig woord des Heeren. Zoo kwam hij er van lieverlede toe om radikaal te breken met de kerkelijke verzoeningsleer in het kader van strafeischende gerechtigheid Gods, toerekening der verdiensten van Christus en rechtvaardiging in juridischen zin. Hij kon niet nalaten zijn nieuwe inzichten bij de onderlinge Bijbelbesprekingen in het midden te brengen, hetgeen menigmaal de goede stemming in de vergadering wegnam. Bij monde van vader Kloekers werd hem nu verzocht om over de zaak te zwijgen, daar hem anders de toegang tot de gemeentelijke vergaderingen zou moeten worden ontzegd. Feisser van oordeel, dat hij door te zwijgen Christus verloochende, koos het laatste en verliet de vergadering.

Later werd hem door Kloekers voorgesteld om deze zaak tot een punt van bespreking te maken op de aanstaande conferentie te Amsterdam. Feisser gaf hem daartoe twee vragen op: 1e Welke is de blijde boodschap van den gezalfden Zaligmaker? en 2e Waaraan verbindt Hij het kindschap Gods? Kloekers zeide hem, dat hij die vragen behoorde toe te lichten. Feisser deed dit, maar op zeer onvoldoende wijze en daar het voorstel niet door hem was onderteekend, 

[251] meende de conferentie de vragen niet in behandeling te moeten nemen. Evenwel richtten de broeders H.G. Tekelenburg en G. Velthuijsen daarover een schrijven tot hem, waarin zij hem vermaanden om zich niet op één punt blind te turen. Feisser gebruikte nu den brief van Velthuijsen om zijn vragen nader toe te lichten. Hij liet daarvan in 1876 een brochure drukken onder den titel: “De twee vragen: welke is de blijde boodschap van den gezalfden Zaligmaker? en Waaraan verbindt hij het kindschap Gods?”[14] Hij verzond daarvan een exemplaar aan de gemeenten, doch bracht het vlugschrift niet verder in den handel.

Feisser die nu van den gemeentelijken omgang verstoken was, zocht zijn troost in de boeken. Eens de boekenkast van zijn stiefvader naziende, viel zijn oog op een Engelsche vertaling van Emanuel Swedenborg's “Vera christiana religio continens universam theologiam novae ecclesiae.” Deze titel trok hem aan en den index naziende ontdekte hij spoedig dat zijne gedachten veel overeenkomst hadden met die van den Zweedschen theosoof. Hij schafte zich later ook andere geschriften van Swedenborg aan, benevens allerlei tractaten, uitgegeven door de Swedenborg Society.

Hoewel op de brochure over de twee vragen geen acht scheen geslagen te worden, naderden na eenige jaren eenige broeders, die in de voorhoede stonden, Feisser's inzichten. Hij had zich in dien tijd een boerderij gekocht te Stadskanaal. Op zekeren dag kreeg hij bezoek van Hendrik Kruit,, voorganger der gemeente te Stadskanaal, die hem verklaarde, na biddende overweging der “vragen” in menig opzicht tot gelijke gedachten als hij te zijn gekomen en dat hij 't zijn plicht achtte hem dit mede te deelen. Hij moedigde hem tevens aan, tot de gemeente het verzoek te richten of zij hem wilde toestaan weer in de vergadering te komen. Deze raad opvolgende, werd hem die vergunning geschonken. Hij leefde toen eenige jaren weder in hartelijke gemeenschap 

[252] met de gemeente en door den geest der liefde geleid, vermeed men van weerszijden de scherpste uitdrukkingen.[15] Ook Kloekers was intusschen van inzicht veranderd. Op de Unievergadering van 25 Juni 1884 te Nieuwe Pekela sprak hij openlijk den wensch uit, dat de medewerkers van “De Christen” zich zooveel mogelijk mochten onthouden van theologische geijkte termen. Hij zond aan Horn ter plaatsing in het blad de vertaling van een Swedenborgiaansch tractaat “De schijnbare tegenstrijdigheden in de Heilige Schrift met elkander in overeenstemming gebracht” van Rev. Chauncey Giles. Daarin waren tot uitgangspunten gekozen de Schriftwoorden: “Genadig en barmhartig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. De Heer is aan allen goed, en zijne barmhartigheden zijn over al zijn werken”, (Psalm CXLV:8—9) en “Een ijverig God en een wreker is de Heere, een wreker is de Heere, en zeer grimmig: een wreker is de Heere aan zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn zijner vijanden” (Nahum 1:2). Het betoog van den schrijver komt hierop neer, dat de schrift van geen tegenstrijdigheden weet. Uitdrukkingen die zoo schijnen zijn slechts verschillende ge-

[253]-zichtspunten van hetzelfde onderwerp. Ook bovengenoemde Schriftwoorden zijn, hoewel lijnrecht tegenstrijdig naar de letter, volmaakt eenstemmig naar den geest. De volstrekte waarheid is dat de Heer nooit verandert. Hij is de eeuwige liefde. De stroomen der goddelijke orde bewegen zich in dezelfde eeuwige richting, maar wij roeien er tegen op. Wij veranderen onzen loop en dwarsboomen de goddelijke krachten. Wij denken dan dat de Heere onze vijand is, dat Hij ons haat, dat Hij toornig op ons is; en als de machtige golven Zijner voorzienigheid tegen ons aanslaan en ons overstroomen, schijnen zij ons toe als openbaringen van toorn en wraak. Van ons standpunt gezien is het zoo. Maar van de zijde des Heeren is het juist het tegendeel. De volstrekte onveranderlijke waarheid is, dat Hij nooit toornig is; Hij kan niet haten of straffen. Hij is werkzaam door dezelfde beweegredenen, wanneer hij onze booze begeerten en verkeerde beginselen tegenwerkt en wanneer hij ons de rijkste hemelsche zegeningen toedeelt. Zachtmoedigheid en woede, medelijden en wraak, genade en toorn, alles is hetzelfde gezegd, van verschillende gezichtspunten uit beschouwd. En van de hoofdwaarheid: God is de onveranderlijke goedheid, lossen de stormen van woede en wraak zich op in den helderen hemel, en de heerlijkheid der goddelijke waarheid en het zachte der goddelijke liefde, en de oneindige teederheid van 's Heeren gunst strekken zich uit over alles.”

Horn verzocht Kloekers dit stuk niet te plaatsen en hij gaf om den vrede te bewaren, daaraan gehoor.[16] Toen Kloekers kort daarna, op verzoek van Horn, een serie opstellen schreef over den brief aan de Romeinen maar deze weigerde de verklaring van Rom. III:25 te plaatsen[17] achtte hij dit een onrechtmatige bejegening, die hem als hoofdredacteur was aangedaan. De door Horn gewraakte passage 

[254] luidde aldus: “De Christus moest zijn bloed uitstorten, niet maar in het wilde weg als een zelfmoordenaar die des levens zat is, noch ook met een bloot menschelijk doel, gelijk een soldaat op het slagveld voor het vaderland sterft, maar stervende tengevolge van een openbaar en gerechtelijk vonnis, een vonnis veroorzaakt door de onkunde en vijandschap der menschen tegen zijn leer en zijn leven in gemeenschap met God, zijn strijd voor geloof en gehoorzaamheid aan God en tegen uitwendige vormen en kennis en werken, waaraan het hart ontbrak, zoowel als tegen openbare en verborgene zonden. Welnu dat wij datzelfde geloof en diezelfde gehoorzaamheid zouden zoeken te verkrijgen, te bezitten en te betoonen, zoodat wij hetzelfde leven leven en tot den dood toe God gehoorzaam zijn, dat is het, waartoe God hem aan allen voorgesteld heeft. Wilt gij dus zalig worden, richt dan uw oog van de uitwendige natuur en van de werken der wet op Hem. Zie hoe hij leefde en streed en leed en stierf gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises en vraagt aan u zelven af, of gij van harte bereid zijt om evenals hij te leven en te strijden, te lijden en te sterven in gehoorzaamheid aan God, als aan een liefhebbenden, geliefden, volkomen, vertrouwbaren en vertrouwden Vader, zoo ja? Dan hebt gij God gerechtvaardigd in zijn oordeel over en in zijn eisch aan u, dan zijt gij met God in al Zijn doen en laten, Zijn bevelen en beloften verzoend; dan zal het u een van zelfheid zijn te streven om uit dat geloof in zielsgemeenschap met God hetzelfde leven te leven, te strijden, te lijden en als het wezen moest te sterven in overgegevenheid aan Hem en wordt gij niet alleen steeds meer der verlossing van zonde en dwaling deelachtig, maar zult gij ook door dienzelfden geest der heiligmaking eenmaal de heerlijkheid van Christus deelachtig worden.”[18]

Horn schreef: “dit gaat te ver! Christus heeft het voor 

[255] ons gedaan. Gij maakt er van: hij heeft het ons voorgedaan.” Kloekers weigerde nu verder met Horn samen te werken en deed een beroep op do algemeene vergadering, die 4 November 1884 te Groningen gehouden werd. Hij stelde daar in het licht, dat Horn zich wederrechtelijk als hoofdredacteur had doen gelden. Deze zeide nooit begrepen te hebben, dat Kloekers tot hoofdredacteur was benoemd en uit de notulen dier vergadering bleek zulks evenmin. “Voorts, ik kon niet anders handelen, dan ik gehandeld heb en ik zou mij tegenover de Unie niet verantwoord geacht hebben, wanneer ik het opstel van Kloekers, dat tegen de heiligste beginselen der geheele Christenheid van alle eeuwen indruischt, in haar blad had laten drukken.”

Kloekers ontkende, dat de beginselen van Horn de beginselen van alle eeuwen zouden geweest zijn. “De kinderbesprenging wordt ook gezegd van alle eeuwen geweest te zijn en wij bestrijden haar. Wij hebben onze statuten, die juist zoo door mij zijn ontworpen, dat zij op vrij onderzoek in den Heiligen Geest gegrond zijn. In die bewustheid zijn zij ook aangenomen en ik wensch die statuten gehandhaafd te zien. Daarom heb ik dan ook aan Horn geschreven dat hij in “De Christen” zijn gevoelens maar tegenover de mijne zou stellen, maar niets mocht baten, Horn bleef weigeren, hoewel hij zeer goed wist dat ik tot hoofdredacteur benoemd was.” Terwijl de Hart en Roeles de houding van Horn verdedigden, nam H. Kruit het voor Kloekers op.

Kloekers sprak: “Al ware dat het geheele Christendom anders sprak dan ik in mijn stuk naar verband en samenhang van Paulus woorden geschreven heb, dan zeg ik nog: “Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij.” Bovendien wij hebben onze statuten, die aan alle broeders vrijheid geven om hunne gedachten in alle bescheidenheid des Heiligen Geestes uit te spreken, en ik zou liever de redactie nooit hebben aanvaard, indien ik gedacht had, dat de vrijheid niet zou worden gehandhaafd en dat Horn zich zou laten gelden. En wat mijn gedachten aangaat over de leer 

[256] der rechtvaardiging volgens den bijbel, ik zou het in een vader zeer onrechtvaardig achten als deze zijn gehoorzamen zoon zou straffen voor de onrechtvaardigen. Zoo is ook Christus niet voor ons gestraft geworden. Maar Hij is tot ons in onze straf gekomen om ons er van te verlossen door geloof in Hem. God behoefde niet verzoend te worden, maar heeft Zijnen Zoon gegeven om ons met God te verzoenen. Ook heeft God van den Christus geen betaling geeischt en is door den Christus geen betaling aan God gedaan, dewijl God om niet uit genade de zonden vergeeft aan allen, die met berouw tot hem wederkeeren.”

Toen de Hart een tegenovergesteld gevoelen verdedigde en beweerde dat Kloekers en zijn geestverwanten slechts één zijde van de waarheid hadden, protesteerde van Beek tegen al deze redeneeringen en zeide: deze vergadering is geen synode, die over leerstukken moet beslissen. Ik sta vlak tegenover de beschouwingen van de Hart en kan mij van harte met hetgeen Kloekers nu gezegd heeft vereenigen, maar ontken ten stelligste dat het nii door hem gesprokene overeenstemt met den inhoud van het gewraakte opstel.

Na veel discussie en groot tumult stelde Kloekers zijn mandaat als president der Unie in handen der vergadering. Toen deze bij stemming uitsprak, dat hij zou aanblijven, nam hij dit op zich. De zaak was hiermede echter niet afgedaan. 't Gold hier geen personen maar beginselen. En daar Kloekers geen samenwerking meer mogelijk achtte en zich bewust was niets gedaan te hebben in strijd met de statuten, bedankte hij in de algemeene vergadering te Stadskanaal, 24 Juni 1885, als voorzitter[19] en trad met een deel der gemeente uit de Unie. H. Kruit volgde hem en legde zijn betrekking als vice-voorzitter neer. Deze had reeds vroeger aan de gemeente te Stadskanaal de verandering zijner gevoelens bekend gemaakt en gevraagd of de gemeente hem als voorganger wenschte te behouden, hetgeen zij bevesti-

[257]-gend had beantwoord, zoodat zij uit de Unie trad (1885).[20] Kloekers gaf tengevolge van dezen strijd om nader rekenschap van zijn gevoelens te geven het geschrift uit: “Het plaatsvervangend lijden van onzen Heere Jezus Christus, naar de leer en naar de Heilige Schriften”,[21] waarin hij de kerkleer als ijdele verleiding en als een gruwelijk onware voorstelling van de leer der Heilige Schrift aan de kaak zette. De Schriftleer kende, volgens hem, geen onwederstaanbare roeping, geen plaatsvervangend sterven noch voor enkelen noch voor allen, geen geestelijke onmacht en geen eeuwige verkiezing.[22] De Hart bestreed dit in het referaat, “De Verzoening” (1 juridisch, 2 ethisch, mystisch), dat ook in druk verscheen.[23]

De beginselen van Kloekers veroorzaakten in de gemeente te Stadskanaal de uittreding van een kleine groep, onder leiding van H.J. Moolman[24] en A. Karssiens, die zich in 

[258] 1882 naar de gemeente te Ihren begaven om met haar aansluiting te zoeken. Dit bezoek leidde tot het volgende besluit: “De gemeente te Ihren, Zondag 4 Juni 1882, in overweging nemende de zielsverderflijke leerstellingen der Baptisten te Stadskanaal, zooals wij op zeer vertrouwbare wijze zijn ingelicht en hebben vernomen dat ook die verschrikkelijke dwaling geleerd en verdragen wordt, dat de toegerekende gerechtigheid van Jezus Christus de grond der zaligheid des zondaars niet is;

heeft besloten zulke personen, die vanwege en uit hoofde die dwalingen of andere dwalingen ons onbewust, voorzeide gemeente verlaten, daar voor hun lidmaatschap bedanken, wanneer er anders geen rechtmatige beschuldiging tegen hen van de gemeente, waartoe zij behooren, wordt ingebracht, in welk geval er van onze zijde onderzoek zal worden gedaan, in onze gemeenschap op te nemen, als wij dezelve voor Christenen, d.w.z. begenadigde zondaren moeten houden en dezulken zich op grond onzer geloofsbelijdenis met ons kunnen vereenigen. Zulke personen die in onze gemeenschap wenschen opgenomen te worden en dus zich bij ons willen aansluiten, maar in het algemeen niet onder ons als Christenen bekend zijn, moeten, Ofschoon ze ook verklaren met ons in de geloofspunten der belijdenis overeen te stemmen, bovendien voor de aanwezige broederschap of gemeente, evenzoo als diegenen, welke bij ons door den doop wenschen opgenomen te worden belijdenis huns geloofs, of liever hunnen overgang van den dood in het leven, hun bekeeringsweg mededeelen, waarna dan door de gemeente door stemming over de opneming besloten zal worden. Hun doop wordt dan natuurlijk door ons voor wettig erkend. Zoo er 

[259] dus in de toekomst zich iemand bij u tot opname meldt, wees dan zoo goed de zoodanige onze geloofsbelijdenis tot onderzoek ter hand te stellen en verder de noodige informatie, waar zoo iemand lidmaat geweest is, zoeken in te winnen en dan (wanneer er niets in den weg is) de gemeente te Ihren mededeeling doen. Verder heeft de gemeente besloten, dat in mijne tegenwoordigheid of in de tegenwoordigheid der broeders Siemens of Jelten, of eenige der andere broeders, welke de gemeente als afgevaardigden tot u zal zenden, de opname ten uwent kan geschieden. In naam der gemeente van gedoopte Christenen te Ihren,

H. willms, ouderling.

Moolman begon nu met de zijnen afzonderlijke samenkomsten te houden in een kamer van den kruidenier Wijnsema, waar hij in den beginne preeken van Spurgeon las.[25] Ook werd een meisjes- en jongedochtersvereeniging opgericht, die zeer gezegend werkte. Wie in den beginne tot bekeering kwamen, werden te Ihren gedoopt, doch toen Vrieschelo later een doopvont kreeg, geschiedde daar de doop. Toen van Beek in 1890 voorganger werd te Stadskanaal zocht hij met den kring van Moolman toenadering, doch spoedig bleek, dat er van gemeenschap geen sprake kon zijn. In 1892 richtte Moolman dan ook een schrijven aan de Uniecommissie, met verzoek de gemeente te Stadskanaal en van Beek los te laten.[26] Uit de samensprekingen der Commissie bleek, dat het meerendeel gaarne wilde, dat van Beek “wat scherper belijnd zijn belijdenis formuleerde, maar dat men toch in geen geval den moed en naar Gods Woord het recht had om met hem of met de gemeente van Stadskanaal te breken, ter wille van den persoon van Moolman, die hoofdzakelijk 

[260] bleef hangen aan zeer sterke Calvinistische uitdrukkingen.” Later wendden de Oost-Friesche broeders herhaaldelijk pogingen aan om Moolman c.s. met de gemeente te vereenigen, doch deze gevoelden er geen vrijmoedigheid toe. Hun kring vormt thans een zelfstandige gemeente, heeft een eigen lokaal[27] en telt ongeveer 25 leden.

De Unie kwam ten opzichte van de gemeente te Nieuwe Pekela voor een pijnlijk geval te staan. Kort voor de algemeene vergadering in Juni 1885 stond een verkiezing van een ouderling te Nieuwe Pekela voor de deur, door de periodieke aftreding van Br. J. Meringa. Deze gaf aan zijn medeouderling E.H. de Groot te kennen, dat hij bezwaar had zich herkiesbaar te stellen, wegens verschil in leer met den voorstander. De Groot stelde toen voor dit samen Kloekers mede te deelen, voordat zij het in de gemeentevergadering brachten. Kloekers legde nu in de vergadering zijn gevoelens bloot en vroeg aan de gemeente, wie hem daarin konden dragen. Het grootste gedeelte beantwoordde dit toestemmend. Een en ander had een scheuring ten gevolge, zoodat beide partijen afzonderlijk vergaderden: Kloekers met de zijnen in de kerk, Meringa en de Groot met de hunnen in een daartoe gehuurde kamer.[28] De Unievergadering stond thans voor de vraag “of de uittreding en de daarop gevolgde afsnijding van minstens vijf en twintig broeders en zusters, om reden dat zij tegen de beginselen van hun voorganger in verzet gekomen waren, als wettig kon worden aangemerkt. Zij beantwoordde die vraag ontkennend en nam de motie aan dat de gemeente Nieuwe Pekela, nl. de vijf en twintig afgesnedenen, die de minderheid vormden, niet als uit de Unie uitgetreden moest worden beschouwd.

Na den dood van Kloekers sloten de beide gemeenten zich bij elkander aan. Alle ouderlingen en diakenen traden af en door de vereenigde gemeenten werden nieuwe ambtsdragers 

[261] gekozen. In den eersten tijd werd door de ouderlingen E. de Groot en J. Meringa om de beurt des Zondagsmorgens een woord in de kerk gesproken; later door de Groot alleen. In het najaar van 1900 beriep de gemeente K. Kuipers te Sneek als voorganger, die 9 December 1900 door van Beek in zijn nieuwen werkkring werd ingeleid. In 1907 verliet hij als reizend prediker der Unie zijn standplaats en is thans voorganger der gemeente te Haulerwijk.

Door huwelijken van Nederlandsche Baptisten met Oost-friesche vrouwen[29] kwam er bij de Uniegemeenten meerdere bekendheid met en toenadering tot den Duitschen Bond. Dit gaf de gemeente Ihren aanleiding om een nauwere verbinding te zoeken. Zij zond door bemiddeling van J. Horn te Groningen aan de Unieconferentie te Hengelo, 25 en 26 Juni 1890, een hartelijk schrijven, opgesteld en onderteekend door ouderling H. Willms, dat de volgende vragen behelsde: 1e. Is er geen toenadering mogelijk tusschen de Duitsche en Nederlandsche Baptisten? 2e. Wat is de grond, waarop gij uw zaligheid bouwt? 3e. Wie mogen bij u gedoopt worden? 4e. Kunt gij met het artikel onzer belijdenis omtrent den doop, instemmen?” Na bespreking en toelichting werd het volgende voorstel der Uniecommissie met algemeene stemmen aangenomen: “de gemeenten tot de Unie behoorende, hunnen grond tot zaligheid vindende in het werk van Christus voor ons, erkennende dat degenen, die zulks met den mond belijden en met het hart gelooven, mogen gedoopt worden, kunnen volkomen onderschrijven artikel “Doop” uwer belijdenis. Aan Horn werd opgedragen dit aan de gemeente Ihren ter kennis te brengen.

De Duitsche bond bestond toen uit zes vereenigingen, die haar afzonderlijke bestuurders, werkzaamheden en jaarlijksche conferentie's hadden. Toen nu de conferentie der Noordwestelijke vereeniging den 25en en 26en Augustus 1890 

[262] te Ihren plaats zou vindon, vroegen Hom en de Hart die te mogen bijwonen, hetgeen met veel hartelijkheid werd toegestaan. Zij brachten daar een paar gelukkige dagen door en leerden er den voorganger der gemeente te Hamburg, W. Haupt kennen, die op hun verzoek in gezelschap van S.U. Janssen,[30] voorganger te Middelstewehr een rondreis langs de Uniegemeenten ging maken.

Den 24en—27en Augustus 1891 werd te Hamburg de vijftiende “Bundeskonferenz” van afgevaardigden der Duitsche Baptistengemeenten gehouden. Horn en de Hart waren namens de Nederlandsche gemeenten tegenwoordig. Toen de opname van nieuwe gemeenten aan de orde kwam, verklaarde S.U. Janssen namens de Noordwestelijke vereeniging, dat de Nederlandsche gemeenten in leer en wandel met de Duitsche overeenstemden, zoodat hij in de opname niet het minste bezwaar zag. Nadat Horn een en ander aangaande den toestand en de geschiedenis der gemeenten had medegedeeld, werd de discussie geopend. Pastor Haupt sprak toen een warm woord, verhaalde van zijn bezoek aan Holland in den afgeloopen winter, had veel lof over den ijver in den dienst des Evangelies, dien hij bij de Nederlandsche Baptisten had 

[263] waargenomen en oordeelde dat zij daarin de Duitschers overtroffen. Hij beval de opname ten sterkste aan, als zeer in het belang van de gemeenten zijnde. Br. Roeles uit Deventer was in Engeland geweest op collectereis, maar overal had hij gesloten deuren gevonden, daar de Engelschen gevraagd hadden naar de verhouding tot de Duitsche broeders en Koeles dienaangaande niets had kunnen zeggen. Door een verbintenis met Duitschland zouden Engeland en Amerika voor de Nederlandsche broeders dan ook meer toegankelijk worden. Niet minder hartelijk was het woord van Pastor Rode te Hamburg die zeide: “het Baptisme in Duitschland is ook niet geworden wat het is, zonder steun van buiten. Dat de zwakkere hulp en steun zoekt bij den sterkere ligt voor de hand. Bovendien zijn zij ons verwant; is dat niet zoo? ik stel voor hen in den Bond op te nemen. In gelijken geest spraken pastor Braun te Hamburg en pastor Bickel. Er gingen ook andere stemmen op, die de opname onpraktisch noemden, eerstens wijl daardoor de Bond zoo groot werd en ten andere wijl de taal een nauwe verbinding in den weg stond. Evenwel vond deze tegenspraak geen ingang, gelijk bleek toen dit punt in stemming kwam en de vergadering met enthousiasme met algemeene stemmen, op twaalf na, het voorstel aannam om de Unie in den Duitschen Bond, met behoud van eigen zelfstandigheid[31] op te nemen.[32]

Bij de Friesche gemeenten onder Duitsche belijdenis verwekte dit feit meer ontstemming dan vreugde. Zij vroegen zich verwonderd af, hoe de Duitsche Bond zoo lichtvaardig de belijdeniskwestie had kunnen opnemen. Toch berustten 

[264] zij er in, uitgezonderd een deel van de Franeker gemeente, de z.g.n. Welsrijpers, die het Calvinisme op de spits dreven en geen gemeenschap met de geunieerde gemeenten wilden. In 1897 nam Franeker evenwel het besluit geen gemeenschap te houden in de Avondmaalsviering met de Uniegemeenten. Grond daarvoor was, dat de Unie de gemeente Stadskanaal had opgenomen, die naar de opvatting van Franeker, niet zuiver was in de leer aangaande de verzoening des zondaars met God.[33] De Welsrijpers gaven nu te kennen, dat zij wel weder met de oude gemeente vereenigd wilden zijn, doch dit werd hun niet toegestaan. Zij constitueerden zich nu tot een eigen gemeente van “schriftelijke gedoopte Christenen, genaamd onderwerpelijke Baptisten” (1898). Hun belijdenis komt in hoofdzaak met de Duitsche overeen, doch zij voegden er twee artikelen aan toe, die aldus luiden:

“Artikel 6. De trekking van zondaren. Wij gelooven, dat God de trekking der zondaren of wedergeboorte geheel aan zichzelf heeft gehouden; dientengevolge gelooven wij, dat er niets voor noch toegedaan kan worden, maar dat het een vrije onmiddellijke daad van God is, door de werking des Heiligen Geestes, die den mensen overtuigt van Zijnen verdoemelijken staat in Adam, en hem leidt tot Christus, maar alleen hen, die gegeven zijn van den Vader aan den Zoon vóór de grondlegging der wereld. De mensch die langs dezen weg door de krachtige hand Gods uit zijnen diepen doodstaat gewekt wordt, erkent zijn zonden en zijn schuld met schaamte en hartelijk berouw. In bewustheid van het hem dreigend gevaar neemt hij door het geloof, als gift van God zijn toevlucht tot Christus, Zijn Verlosser en Zaligmaker, en 

[265] ontvangt door het geloof in Hem de vergiffenis der zonden en het getuigenis in zijn hart, dat hij een kind van God en een erfgenram des eeuwigen levens is. Degenen, die door de leiding des Heiligen Geestes geleid worden, kunnen door den doop in de gemeente Christi worden ingelijfd; de leden dezer gemeente vieren in hun midden het Avondmaal tot verkondiging van den dood van Christus en tot bevordering der innigste gemeenschap met Hem. In het Avondmaal vindt tegelijkertijd de gemeenschap der heiligen haar hoogste uitdrukking. Het gebed evenwel is het leven en de ziel van al deze middelen, ja van den gansenen genadestaat. Het begint met het eerste oogenblik van den aanvang des nieuwen levens en eindigt nimmer.

Artikel 7. Wij gelooven, dat na de opstanding van Christus uit de dooden, Hij Zijn discipelen het bevel heeft gegeven om uit te gaan tot alle volken om te verkondigen hetgeen zij gezien en gehoord hadden, namelijk het Evangelie (Matth. XXVIII:19; Mark. XVI:15). Wij gelooven, dat dit bevel met de apostelen een einde heeft genomen, volgens Kol. I:23, maar gelooven, dat het in de gemeente des Heeren moet voortgezet worden, tot opbouw en stichting der geloovigen en tot versterking op een weg, dien zij hebben te gaan, waar ook de brieven tot de gemeente of de geloovigen zijn gericht, en heeft zij bovengenoemd Evangelie te prediken aan verbrokenen en verslagenen van harte, die zich nog buiten de gemeente bevinden.”

Vooral, uit dit laatste artikel spreekt het krasse praedestinatianisme der Weisrijpers. Zij achten de Heilige Schrift alleen geschonken voor Gods kinderen om er van te genieten. En de toepassing, die zij in hun bijbeloefeningen op de “wereld” maken is slechts: “wee u goddeloozen, u wacht het verderf!” Zij houden des Zondagsmorgens onderlinge bijbelbespreking ten huize van Anne Hyltjes Terpstra,[34]  

[266] boerenarbeider te Weisrijp, die door hen tot leerend ouderling is gekozen en in wiens voorhuis een doopvont is aangebracht. De gemeente heeft geen rechtspersoonlijkheid en bestaat uit ongeveer twintig leden, waarvan vier woonachtig zijn te Sneek, die afzonderlijk samenkomen, doch eens per maand met de anderen te Weisrijp het Heilig Avondmaal vieren.

De opleiding tot den predikdienst was meermalen onder de broeders een zaak van ernstige bespreking. In de Unievergadering van 1883 te Groningen deed de gemeente te Haulerwijk het voorstel, dat de Unie naar vermogen de opleiding van jongelieden tot evangeliepredikers mocht bevorderen. De gedachten liepen hierover zeer uiteen.

Horn noemde het een belangrijk verschijnsel als jongelingen, kinderen der gemeente, behoefte openbaarden tot den arbeid in het evangelie. Hij zou het gewaagd achten aan hun roepstem geen gehoor te geven. H. Kruit daarentegen gevoelde geen sympathie voor opleiding. Hij vroeg: wat is er van de opleiding door de Liefde en Holleman terechtgekomen? Verder wees hij op het nadeelige om jongelingen, die pas het maatschappelijk leven zijn ingetreden uit hun betrekking, indien ze die reeds hebben, te rukken, ze op kamers te plaatsen en er “heertjes” van te maken. Anderen wezen er op, dat van dien arbeid door de Liefde en Holleman verricht, wel veel verloren was gegaan, maar dat er ook nog veel van te zien was, dat reden tot blijdschap gaf. Kruit stelde nog eens in het licht, dat hij de wetenschap niet verachtte, maar dat het voor alles zaak was om te blijven in zijn goddelijk beroep. Kwam er een geleerde tot bekeering, met innigen dank aan God zou hij dat erkennen en aanvaarden. Ook zou hij blijven waardeeren de meerdere kennis van mannen als Feisser en Kloekers, maar voor het beginsel om te blijven in de taak, waarin God den mensen stelde, zou hij pal staan.[35]

[267] De vergadering nam ten slotte het besluit, dat de Unie als Unie thans niets kon doen, bij gebrek aan fondsen, maar dat men zou trachten door de pers de zaak te bevorderen. Toen in 1891 de tijding kwam, dat de Hamburger school ook voor Nederlandsche jongelingen werd opengesteld, heeft de Unie dit niet afgewezen. Konden de gemeenten weinig doen voor de opleiding, des te meer deden zij voor het uitzenden van reizende predikers of colporteur-evangelisten. Voor dit doel werd in de Unievergadering te Stadskanaal, 24 Juni 1885, de “Uniecent” ingesteld, een vereeniging die , in alle gemeenten haar vertakkingen heeft en door samenbrenging van het kleine veel heeft gedaan.[36]

Van welke beteekenis een Uniecommissie is, die een waakzaam oog op al de gemeenten houdt, bleek uit hetgeen in 1891 te Foxhol voorviel. Aldaar arbeidde K. Kremer, een bekeerling van Moody, gedoopt door N. van Beek, later colporteur van de “Uniecent”,[37] eindelijk voorganger der Baptistengemeente te Foxhol. Het was daar geen gemakkelijk werken, daar hij eenerzijds door de Gereformeerden, anderzijds door den “generaal” van het reddingsleger van Petegem uit Veendam werd bestookt. Toch was de arbeid niet geheel vruchteloos. Vooral te Muntendam kwam beweging. Naar verluidde, waren er veertig in onrust, beleden tien overtuigd te zijn en werden reeds zeven gedoopt.[38] Kremer echter veranderde van inzicht. Reeds op de Unievergadering té Zutphen, 24—25 Juni 1891, deed hij de vraag: Is er voor 

[268] de gemeenten aan het bezit van rechtspersoonlijkheid geen gevaar verbonden om haar hemelsch karakter te verliezen? Ook hield hij een referaat dat sterk Darbistisch gekleurd was. 't Ging om de vraag of de onderscheidingsnaam van ieder Christen in het bijzonder en van de gemeente in het algemeen ook in strijd is met de Heilige Schrift. Hij betoogde, dat Christus alleen het recht heeft Zijn gemeente een naam te geven en Hij heeft de Zijnen niet Christenen genoemd maar broeders. Weg dus met den onderscheidingsnaam, die louter twist en verdeeldheid brengt! Roeles merkte op dat de naam “broeders” op deze wijze toch weer onderscheidingsnaam werd en deed denken aan de Hernhutters of aan een monnikenorde. De Hart zeide: “neen, dit is puur Darbisme”, terwijl Horn betoogde: “steeds blijft waar, wat wijlen Ds. de Liefde placht te zeggen, dat als wij ons zelven geen naam geven, het de wereld doet en we dan in veel minder conditie komen.” Er werd dan ook besloten om den naam “gedoopte Christenen” niet prijs te geven. Kremer bleef echter op zijn standpunt staan, achtte het meer bijbelsch den naam “voorganger” af te wijzen, bedankte ook als zoodanig en onttrok zich aan alle gemeentelijk verband. Hij liet voorkomen, dat hij zich bij geen kerk of corporatie wilde aansluiten, maar geheel vrij evangeliseeren door tractaatverspreiding, huisbezoek en prediking, waar hem gelegenheid werd aangeboden. Niemand koesterde nog ecnig wantrouwen aangaande zijn oprechtheid, zoodat zelfs van Beek de gemeente aanraadde om Kremer zoolang te laten spreken totdat een ander in zijn plaats trad. Dit werd van beide zijden welwillend aangenomen. Doch spoedig bleek, dat hij het grootste gedeelte van de gemeente tot het Darbisme had overgehaald. Wat overbleef[39] was geheel ontzield en scheen zelfs niet bij machte een bloeiende Zondagschool voor zijn rekening te nemen. Ook in andere gemeenten 

[269] zooals Groningen en 't Zandt stichtten de Darbistische ideeën van Kremer onrust en verwarring. De Uniecommissie besloot nu van Beek en Horn naar het bedreigde terrein af te vaardigen om een onderzoek in te stellen en te behouden wat er nog te behouden viel. Er hadden in Maart 1892 onder hun leiding samenkomsten plaats, doch het bleek, dat zij te laat kwamen. De stroom was niet meer te stuiten. De gemeente te Foxhol werd zoo gedund, dat op Kerstmorgen 1892 de vergadering zoo slecht bezocht was, dat de enkelen besloten maar ten huize van broeder J. Siekman samen te komen. Nadat van verschillende zijden vergeefsche pogingen in het werk waren gesteld om hulp te bieden, heeft eindelijk de gemeente Groningen zich over Foxhol ontfermd. In 1899 werd het kerkgebouw hersteld, waarin broeder B. Planting wekelijks een avond kwam prediken. Thans werkt er broeder Jac. Jeronimus van Groningen. De Zondagschool is weer gaan bloeien, evenals de gemeente zelve, die nu 54 leden telt. Zij heeft thans aanvrage gedaan om in de Unie opgenomen te worden.


[1] De gegevens voor dit hoofdstuk zijn hoofdzakelijk geput uit de notulen der Uniecommissie.

[2] “'t Waren echt broederlijke samenkomsten.” Zie Feestnummer van “De Christen” 5 Juli 1906, blz. 3.

[3] Nl. in 1879 driemaal te Stadskanaal, verder 21 Jan. 1880 te N. Pekela ein 21 April 1880 te Klooster ter Apel.

[4] Zie bl. 141.

[5] A.H.J. Koch, die 10 Febr. 1857 te Stadskanaal door Kloekers was gedoopt en tot 1882 een trouw lid dier gemeente was vertrok in laatstgenoemd jaar naar N. Amerika. Hij stierf 6 Dec. 1905 te Grand Haven in Michigan, oud 70 jaar. Toen in 1894 de gemeente der Hol-landsche Baptisten te Grand Rapids werd georganiseerd was hij een der eerste leden. Zie “De Christen” van 21 Dec. 1905.

[6] Jan Fokkes Nieboer, eertijds ouderling der Afgescheiden gemeente te N. Pekela en een ijverig voorstander van kinderdoop en predestinatieleer, later Baptist en ouderling der Baptistengemeente. Hij overleed 20 juni 1883. Kloekers herdacht hem in “De Christen” (15 Juli 1883) vooral om “de vrije ontwikkeling zijner godsdienstige begrippen.”

[7] Uit de Unienotulen blijkt niet welke verandering dit is geweest. Zeker is dat de oudste Baptisten tegen het eedzweren waren. Zij ondergingen liever gevangenisstraf. Doch in den eersten tijd viel men hen nooit lastig, althans Feisser schreef 27 Nov. 1864 aan H.G. Tekelenburg; “omtrent den eed hebben wij geen specialen regel gegeven, maar ik voor mij ben er altijd vrij van gelaten, gelijk ook de broeders in dezen omtrek.” Later heeft het meer dan eens moeilijkheden opgeleverd. Zoo is Jan Kruit Jr. deswege eens drie dagen in hechtenis geweest. Johannes Feisser Jr. moest voor het kantongerecht als getuige eens een eed afleggen in zake een visscher, die in verboden water had gevischt. Toen hij weigerde, zei de rechter: “dan moeten wij u hier houden.” Daar de visscher echter bekende en nog een ander als getuige kon optreden, liet men hem vrij. In de Unievergadering te Foxhol, 22 Juni 1887, diende de gemeente Sneek de vraag in: “Daar onze vrijstelling van den eed, dien wij krachtens de erkenning onzer statuten meenen te bezitten door sommige rechters wordt betwist, wat kan er gedaan worden om die vrijstelling te verzekeren?” Br. Bos van Foxhol vroeg het woord en zeide dat hij in dat geval is geweest en wel zoo dat er reeds f 75.— boete ten zijnen laste was gekomen, doch dat hij die weigerde te betalen. Jhr. Mr. van Swinderen te Groningen was hem tot raadsman geweest. Deze had geen voldoende motieven gevonden voor vrijstelling maar ook evenmin voor beboeten. Hij was door voortdurende weigering er met een belofte afgekomen en hij had ook nooit boete betaald. De algemeene opinie was: in geen geval een eed doen.

[8] Zie feestnummer van “De Christen”, 5 Juli 1906.

[9] Art. 2 der statuten.

[10] Volgens de statuten, art. 4, die 9 Juni 1889 de koninklijke goedkeuring verkregen, “Staatsblad” no. 187.

[11] Een denkbeeld dat reeds op de Franeker en Amsterdamsche conferentie ter sprake was gebracht. Zie bl. 174.

[12] Tevens werd besloten tot de uitgave van een jaarboekje, dat dan ook spoedig daarna bij J.J. Wiarda te Sneek verscheen.

[13] In den naam en het program van het orgaan der gemeenten wordt het Baptisme zeer speciaal als “bekeeringsreligie”, in onderscheiding van “verlossingsreligie” getypeerd.

[14] Gedrukt bij J.L. Schierbeek te Groningen, 1876.

[15] Ook na den dood van H. Kruit, toen de broeders J.R. Reiling en J. Stavast de gemeente voorgingen in de prediking des Woords, bleef de verhouding tusschen Johannes Feisser en de gemeente goed. Doch toen in 1890 N. van Beek tot voorganger werd verkozen, meende Feisser de gemeentelijke samenkomsten te moeten opgeven om herhaalde twisting te voorkomen. Na gedurig vermaand te zijn om met de gemeente op te gaan, werd hij in 1896 als lid geschrapt, waarvan hem schiftelijk kennis werd gegeven. Hij meende zijn licht ook in ruimer kring te moeten doen schijnen en gaf daartoe in 1899 bij Eerelman te Stadskanaal een tractaat uit getiteld: “De rechte leer of welke is de verkondiging van Jezus Christus? en Waaraan verbindt Hij het kindschap Gods”. Hoe heugt het mij nog, dat deze eenvoudige broeder, bij gelegenheid van een gesprek, dat ik met hem had over de leer der rechtvaardiging bij Paulus, opstond, de nieuwste kritische Engelsche uitgave van het Grieksche Nieuwe Testament uit de boekenkast haalde, den grondtekst opsloeg en dien op zijn wijze vlot vertaalde. Het gaf mij een hoogen dunk van het streven der Baptisten om het zuivere Schriftwoord te leeren kennen.

[16] Later gaf hij het in tractaatvorm uit bij J. Eerelman te Stadskanaal, z.j.

[17] Daar Horn bij den drukker woonde, kon hij de plaatsing keeren.

[18] Overgenomen uit de notulen der buitengewone algemeene vergadering der Unie te Groningen, 4 Nov. 1884.

[19] N. van Beek trad in zijn plaats.

[20] H. Kruit overleed 22 Mei 1888. Na zijn heengaan dienden twee ouderlingen, J. Reiling, zoon van den eersten diaken te Gasselter-Nijveen, en J. Stavast, de gemeente 's Zondagsmorgens met de prediking, terwijl in den achtermiddag als naar gewoonte een bijbelbespreking werd gehouden, totdat de gemeente N. van Beek uit Groningen beriep, die 16 Februari 1890 tot haar overkwam en er rijk gezegend arbeidde tot 8 Januari 1911, toen hij afscheid van haar nam om een roeping naar den Haag te volgen. In 1896 werd Stadskanaal weder met de Unie vereenigd.

[21] Voor rekening van den schrijver, zonder jaartal, gedrukt bij A. Mulder te Pekela.

[22] Bl. 83, 84.

[23] Zonder jaartal en uitgever. Later schreef de Hart nog: 1. “De rechtvaardigmaking des zondaars”, Neerbosch, z.j. 2. Geloof, Hoop en Liefde, eene allegorie”, Wolvega, z.j. 3. “Welke zegeningen mogen wij als geloovigen. levende in een abnormaal Christendom, aan het ontvangen van den N. Testamentisehen doop toekennen?” Hengelo, z.j.

[24] H.J. Moolman is geboren 16 Maart 1833 te Leer en gedoopt door den Baptistenprediker Menger toen hij ongeveer 20 jaar oud was. Omstreeks 1858 kwam hij als schoenmakersknecht te Groningen. Hij zocht gemeenschap met geestverwante broeders, maar vond ze niet, totdat hij hoorde van Dr. J.E. Feisser te N Pekela, die hem verwees naar den horlogemaker J.H.A. Koch te Haren, later te Wildervank, met wien hij vanaf de eerste ontmoeting door hechte banden verbonden werd en elken Zundagmiddag broederlijk samenkwam. Zij bezochten tezamen eens de gemeente te Stadskanaal, waar hij zich zoo thuis gevoelde, dat hij er zich metterwoon ging vestigen. De verhouding met Kloekers en Kruit was eerst tamelijk goed, doch toen zij later van gedachten veranderden had de uittreding plaats.

[25] Hij werd later geholpen door zijn schoonzoon D.A. Koch, een zoon van J.H.A. Koch, die thans ook de gemeente te Makkum met zijn prediking dient. Zie bl, 184.

[26] Dit verzoek geschiedde, daar de Unie inmiddels was opgenomen in de Noordwestelijke vereeniging van den Duitschen Bond. Zie bl. 203.

[27] Dit lokaal verkreeg zij in 1908.

[28] Naast het huis van ouderling E.H. de Groot.

[29] O.a. was J. Horn in het huwelijk getreden met M. Bronleewe dochter van H.G. Bronleewe te Weener.

[30] S.U. Janssen was boer op een tamelijk drukke boerderij te Middelstewehr, in 1866 gedoopt en sedert dien tijd voorganger van een uitgestrekte gemeente, die haar stations op vele plaatsen heeft. Hoewel het in 1895 druk was met den hooibouw, woonde hij toch als afgevaardigde van den Duitschen Bond de Unievergadering te Hengelo bij. Velen vonden dat dwaas en meenden dat hij op zijn boerderij moest blijven, maar die werd inmiddels voortreffelijk bestuurd door zijn vrouw en eenigen zoon. Ook had hij nog nooit kunnen bemerken, dat hij er schade van had gehad, “als hij ging waar de dienst van den Heere Jezus Hem riep.” Hij stierf 8 Februari 1902 in zijn 71ste levensjaar. Met hem ging heen een der oude garde van de Oostfriesche Baptisten, die voor zijn beginsel veel vervolging en lijden had moeten verduren, maar die ook van veel zegen op zijn werk kon gewagen. Hij onderscheidde zich door een ruim en mild hart ook jegens broeders, die in de leer met hem verschilden. Voor de Nederlandsche Baptisten heeft hij zich immer een warm vriend betoond. Zie over hem “de Christen” van 11 Juli 1895 en 13 Febr. 1902.

[31] De Unie kan echter nooit als lid in het bestuur van den Bond plaats nemen, evenmin mogen de afgevaardigden meestemmen, daar dit niet wordt toegestaan door de Duitsche Rijkswet. Zie notulen der Commissievergadering te Foxhol, 8 Oct. 1891.

[32] Protokoll und Referate der 15 te Bundes-Konferenz gehalten von den Abgeordneten der Deutsche Baptistengemeinden zu Hamburg-Eilbeck, Hamburg, 1891, s. 13-14; en “De Christen” van 3 Sept. 1891 en 8 Oct. 1891.

[33] Den 17en Aug. 1897 werd deze aangelegenheid, waaruit veel onaangenaamheid voortsproot, onderzocht op de Bondsconferentie te Darmen door een commissie, die bij monde van S.U.Janssen te Middelstewehr, adviseerde dat de gemeente te Franeker haar besluit zoo spoedig mogelijk zou intrekken en dat A. Karssiens zou nalaten te prediken in plaatsen, waar reeds gemeenten der Unie gevestigd waren. “De Christen”, 2 Sept. 1897.

[34] De gebroeders Anne Hyltjes en Pieter Terpstra zijn 15 Nov. 1891 te Franeker gedoopt. Zie over de Weisrijpers nog hoofdstuk VI.

[35] H. Kruit heeft als voorganger te Stadskanaal ook nooit zijn zaken van de hand gedaan, maar hij is landbouwer gebleven.

[36] In den winter van 1888—89 waren K. van der Baaren te Groningen en K. Hesselink te N. Pekela reizend Uniecentprediker.

[37] De “Uniecent” bracht reeds het eerste jaar 160 gulden op. Menig Uniecentreiziger werd later voorganger van een gemeente.

[38] Muntendam werd een afdeeling van Stadskanaal. Van Beek wijdde er 15 Mei 1898 een nieuw lokaaltje met doopvont in, dat ongeveer 125 personen kon bevatten. Van uit Stadskanaal werd ook geevangeliseerd te Musselkanaal. Door toenemende belangstelling kwam er behoefte aan een lokaaltje. Dit is in 1894 in gebruik genomen. Een 3e afdeeling dezer gemeente is Nieuw-Buinen, waar in 1890—91 gepredikt werd bij J. Stavast.

[39] Een zevental dat wijd verspreid woonde en slap de handen liet hangen.

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman