Hoofdstuk 10

Opwekking en terugslag

[217] Tusschen de jaren 1860 en 1870 hadden in Amerika en Engeland samenkomsten plaats van Christenen, met het opzettelijk doel om te komen “tot de volkomen overgave des geloofs, tot het ontvangen van den vollen doop des Heiligen Geestes en mitsdien tot het ware leven in heiligheid.”[1] Een krachtige opwekking onder geloovigen van verschillende kerkgenootschappen was daarvan het gevolg. Het revival uitte zich o.a. in de vermaarde Oxford-Brightonconferentie, (1874—76) met Pearsall Smith als woordvoerder en met het schibboleth “heiligmaking door geloof”, waarvan de kracht ook in ons vaderland gevoeld werd door allen, die direct of indirect er mede in aanraking kwamen. Als vrucht dezer conferentie's, die door verscheidene Nederlandsche leeraars, zooals P. Huet, H.E. Faure, J.G. Smitt, Dr. F. Hoedemaker en Dr. A. Kuyper, werden bijgewoond, verscheen in 1879 het tijdschrift “De Weg ter Godzaligheid”, dat echter door gebrek aan deelneming niet langer dan een jaar in stand bleef. Op een vergadering van broeders, die voor het grootste gedeelte Brighton hadden bezocht, was tot de uitgave besloten. Maar er openbaarden zich toen reeds twee stroomingen, die niet wilden saamvloeien. De voorstanders der Gereformeerde verkiezingsleer en haar consequentie’s botsten op hen, die den geest der opwekking, welke te Oxford en Brighton domineerde, als meer “evangelisch” [218] beschouwden. Daar kwam nog bij, dat soms te sterke en overdrevene uitdrukkingen gebezigd werden bij het getuigen “van zonde en van de door volle inwoning des Heiligen Geestes medegedeelde heiligheid”, hetgeen velen afschrikte. Verder waaiden de vreemdste geruchten over omtrent den man, die, gansch Europa dóór, de Christenheid met den reuk zijner godsvrucht had vervuld en die met zoo kinderlijke eenvoudigheid den schijn had, van zichzelven als een voorbeeld van heiligmaking voor te stellen. Eindelijk werkte een natuurlijke reactie, waardoor het hooggestemd geestelijk genot te Brighton gesmaakt, bij velen plaats maakte voor kille nuchterheid.

Intusschen vond de beweging, die door de predikanten zoowel der Hervormde als der Christelijk-Gereformeerdie kerk bijna algemeen met: wantrouwen werd begroet, bij vele evangelisten en voorgangers van Vrije Evangelische en Baptistische gemeenten hartelijke erkenning en aansluiting. Hum orgaan werd “Het Eeuwige Leven”, onder redactie van P. Huet en met medewerking van H.E. Faure, J.G. Smittt te Amsterdam, A. Bahler te Groningen, van Paassen te Kapelle, J. van der Hoek te Westerlee, J.W. Poot te Oude Leije, M. Mooij te Franeker, A. Mooij te Wemeldinge, J. van Petegem te Veendam, J. Horn te Sneek en J. de Hart te Hengelo. De zegen, die deze mannen voor zich zelven ontvingen, leidde hen tot een krachtige evangelisatie, die niet zonder vrucht bleef. Huet schreef in 1881: “talrijk en verheugend zijn de tijdingen, die wij in de laatste vijf” zes jaren uit verschillende plaatsen van ons land mochten ontvangen. Vijanden van den godsdienst zijn in kinderen Gods veranderd. Dienstknechten en dienstmaagden der zonde ziijn blijde getuigen van de liefde van Christus geworden. Jongelingen en jongedochters, die vroeger den breeden weg der lichtzinnigheid en der ijdelheid bewandelden, hebben nu afzonderlijke vereenigingen tot gebed, gezang, onderlinge stichting en Christelijke werkzaamheid. Velen der toegebrachten wandelen in de voortdurende blijdschap des Hee-[219]-ren.” Om nog meerderen toe te brengen werden opwekkingssamenkomsten georganiseerd, die haar vorm ontvingen vooral door het optreden van Moody en Ira D. Sankey[2], wier doel was door “aanvallend” te evangeliseeren, zondaren te roepen tot bekeering.

Werkte men eerst gemeenschappelijk, de kwestie van den doop maakte weldra scheiding tusschen de broederen, die in den zegen der opwekking deelden. Hoewel Huet vermaande, dat de een den ander niet zou oordeelen in het stuk der doopen, maar samen te arbeiden en samen gemeenschap te hebben ook in de breking des broods, was dat voor de broeders, die het Baptistisch beginsel voorstonden, een poging om op een zoetsappige wijze tot een “ongeoorloofde vermenging te verleiden.[3] Voor hen was de doop geen kwestie, maar een uitgemaakte zaak en zij wenschten geen onzuiveren, vermengden toestand. Zij gingen dan ook al zeer spoedig afzonderlijk optrekken en in de jaren 1881 —1888 een grooten ijver ontwikkelen, die op menige plaats met rijke vruchten werd bekroond.

De opwekking begon te Weerdingermond, de woonplaats van den vervener Philippus Lindeman, 11 April 1834 te Stadskanaal uit eenvoudige arbeiders geboren. Zijn stervende moeder had hem op dertienjarigen leeftijd de woorden meegegeven: “kind, ik ga sterven, maar ik reis naar den hemel, houd op al je wegen God voor oogen.” In zijn jeugd moest hij als turfgraver hard werken, maar langzamerhand werkte hij zich omhoog. Hij genoot slechts lager onderwijs, maar een groote mate van scherpzinnigheid was hem eigen. Tot zijn twintigste jaar bracht hij zijn jeugd in lichtzinnigheid door, totdat op een avond, in half beschonken toestand huiswaarts keerende, de woorden zijner moeder zoo beslag op hem legden, dat hij zijn wereldsch leven vaarwel zei [220] en vrede zocht voor zijn hart. Door nieuwsgierigheid gedreven, geraakte hij onder het gehoor van Gerdes, die toen te Stadskanaal evangeliseerde en dien hij het menschelijk hart met al de werkingen der zonde hoorde schilderen. 't Was of hij zijn eigen hart en levenspad voor oogen zag gesteld. Maar daartegenover werd hem ook de weg in Jezus Christus geteekend tot vergeving dier zonde en tot gerechtigheid door hel geloof in Zijnen Naam. En het was in dien weg, dat hij vrede vond. Hij liet zich nu doopen en wel te Gasselter-Nijveen in open water (1858). De gemeenschap der broederen, die zich thans voor hem ontsloot, verkwikte hem bovenmate. In 1860 vertrok hij naar het Valtherveen en het volgend jaar naar den Munnekedijk aan den Weerdingermond. Hij miste daar in den eersten tijd de broederschap zeer, maar juist dat gemis dreef hem tot evangelisatiearbeid door bijbellezing en Zondagschool (1863). Zoodra meerdere broeders en zusters uit Stadskanaal zich metterwoon in den Weerdingermond vestigden, begonnen zij geregeld bijeenkomsten te houden, met het gevolg dat het aantal in 1865 tot negen klom. Zoodra Kloekers in 1867 voorganger werd te Stadskanaal, werd Lindeman gekozen tot ouderling voor den Munnekedijk (13 Februari) en den 10den juni aan de broederschap aldaar toegestaan om zelf Avondmaal te vieren. Toen in Mei 1869 Jannes Kruit zich vestigde in het naburige Roswinkel, benoemde de gemeente hem als tweeden ouderling. Vooral door den arbeid van broeder H. Werkman, die sedert 1873 vooral in Exloër- en Valthermond evangeliseerde, klom het ledental tot 89.

Tot dusverre had men de samenkomsten gehouden in de schuur van Lindeman, op dorschvloeren of in particuliere huizen, en de nieuw-bekeerden moesten, bij gebrek aan een doopvont, te Stadskanaal worden gedoopt. Lindeman, die zeer gemoedelijk en als een man van overtuiging wist te spreken, was intusschen begonnen met openbare prediking. Om meer volk te trekken werd in 1875 een kerkje gebouwd, waarin men 18 Juli het eerst samenkwam. Met goedvinden [221] van Stadskanaal constitueerde men zich nu ook tot een zelfstandige gemeente. Tot in den winter van 1880 werkten de broeders eendrachtig samen in Zondagschool en allerlei, vereenigingen, elkander opbouwende naar de mate der gaven aan ieder geschonken. Stadskanaal, Nieuwe Pekela en Weerdingermond vormden als 't ware een drievoudig snoer, terwijl toch iedere gemeente volkomen zelfstandig was. De wederzijdsche belangen werden gemeenschappelijk behartigd. Tweemaal per jaar had een liefdemaal plaats, dat een waar feestmaal mocht heeten, door de eenigheid des geestes, die er heerschte.

Daar de velden wit waren om te oogsten besloot de gemeente een evangelist aan te stellen, die zich geheel aan den arbeid kon geven. Zij vond dien in Berend Roeles, geboren 11 Mei 1841, een boerenzoon uit Zuidveen, het dorp bij Steenwijk, dat zulke schoone vruchten had aanschouwd op den arbeid van Holleman en waar omstreeks 1860 een Vrije Evangelische gemeente, met de Gilde als voorganger, gevestigd was. Zijn ouders, die kerkelijk-vrijzinnig waren, duldden niet dat hij Zondagschool of Christelijke school bezocht. Na den dood zijns vaders werd hij lid van de Christelijke Jongelingsvereeniging (3 November 1866) en een echt methodistische rede van HoIIeman's leerling, Berlijn, op een jaarfeest te Leeuwarden, bracht hem tot nadenken. Zijn vriend Verhoeven, thans zendeling der Nederlandsche Zendingsvereeniging op de post Tjideres (Java), legde hem den weg des heils nader uit en zoo kwam hij 13 Januari 1868 's nachts kwart over twaalf “tot besliste overgave aan den Heer.” Dat was een gebeurtenis, die gerucht maakte in het kleine Zuidveen en omstreken. De kerkelijke mannen vreesden al, dat hij het niet zou volhouden, en in de eerste jaren werd op hem gelet, “alsof hij een misdaad had begaan.” Spoedig werkte hij mee aan Zondagschool- en tractaatverspreiding, ijverde hij op den weg en in den trein, trok hij mee naar jaarfeesten, predikte overal, dat God alle menschen wil zaligmaken en [222] bestreed de leer der uitverkiezing met kracht en klem. Aanzoeken om zendeling te worden sloeg hij af.[4] Hij werd met zijn vriend N. van Beek kweekeling van de Zuidveensche vereeniging “Jezus alleen” onder leiding van de Gilde, bedoelende de opleiding van evangelisten. In November 1876 aangesteld als bijbelcolporteur van “Heil des Volks” (afdeeliing Nijmegen), was hij eerst werkzaam te Buren bij Tiel, vervolgens in de achterbuurten van Amsterdam. Hij kwam nu tot volle overtuiging inzake den doop der geloovigen, zoodat hij zich met een halfziek lichaam te Sneek door Horn in het lokaal op het Achterom liet doopen (1879). Kort daarna ontving hij de benoeming als evangelist in den Weerdingermond, waar hij in November 1879 zijn taak aanvaardde.[5] In Meimaand 1880 legde een reusachtige veenbrand de kerk aldaar in de asch, maar herbouwd, werd zij getuige van een merkwaardige opwekking.

Horn reisde 8 Augustus 1881 uit Sneek naar den Weerdingermond om er eenige weken “aanvallenderwijze” te prediken. Hij was geheel in revivalstemming en nog onder den indruk van de opwekkingssamenkomsten te Sneek en Heeg. Het scheen dat de faam hem was vooruitgesneld, want zoodra hij optrad, moesten de menschen naar kerk. Noch de smeekingen, noch de vloeken der schippers, die nu geen turf meer in het schip kregen, kon hen weerhouden. Te kerktijd wierpen zij de kruiwagens aan den kant om Horn te hooren. Tijdens de beide godsdienstoefeningen, die op Zondag 14 Augustus in de Baptistenkerk gehouden werden, openbaarde zich reeds de voorteekenen van wat den volgenden dag zou geschieden. In een zeldzaam geschriftje[6] [223] heeft Roeles zelf den gang van zaken geschetst, dien wij hem dan ook met zijn eigen woorden laten mededeelen.

“'s Maandagmorgens waren wij nauwelijks wakker of boodschappen kwamen om daar en daar te komen teneinde met bekommerde zielen te spreken, De dag was heerlijk. Wij lieten ons leiden en de Heer wees ons zelf den weg. Velen werden gered, inzonderheid des avonds. De kerk was vol, de navergadering hartverscheurend. In, vóór en achter de kerk, in ons geheele huis, in de voor- en achterkamer, in de schuur, achter het huis, overal lagen verslagenen, roepende tot God vanwege, de veelheid hunner zonden. “De Doorbreker” was voor ons aangezicht henen gegaan en er was niets anders te doen dan de zielen aan te vatten om ze van de windselen te ontdoen en in vrijheid henen te laten gaan. Het getal der geredden was dien avond niet meer te bepalen. Elk moest aanvatten, God plaatste ons er voor en wij zouden zielsmoorden begaan hebben, hadden wij geweigerd om hen toe te spreken. De Heer werkte krachtdadig, ieder vergat zich zelven, liet ging de meesten hier als de Samaritaansche vrouw, die haar watervat achterliet, toen ze Jezus had gevonden. Over het algemeen stond de dagelijksche arbeid stil. Op alle zielen had de Heilige Geest beslag gelegd. Slechts enkelen waagden het zich te verzetten, doch ook die werden als lammeren en bogen de knie voor Jezus. Meer dan honderd bogen hunne knieën en bekeerden zich tot God.

Woensdagsavonds gingen wij, daartoe uitgenoodigd, naar Valthermond om in de woning van een broeder samenkomst te houden. De opkomst was groot; het huis bijna te klein. De Heer wrocht tot heil der zielen. Velen kwamen tot besliste overgave. Horn gaf een lied te zingen en sprak vooraf een woord daarover, zoolang dat het zingen gansch vergeten werd. Het was een enkele, die na de dankzegging de vergadering verliet. Die bleven zitten werden allen gered en gaven de heerlijkste getuigenissen. Elk was verheugd over de redding van zoovelcn en de lofliederen klommen [224] ten hemel en ruischten liefelijk over de woeste veenvlakte, toen wij 's avonds laat naar huis trokken langs ongebaande wegen.

Elke dag bracht nieuwe heerlijkheid aan het licht. De genadestroom werd al breeder en dieper. Niet enkel werden zondaren bekeerd, maar ook afgedwaalden kwamen terug vol boete en berouw. Ook de gemeente van gedoopte Christenen, in wier midden God zulke heerlijke dingen deed, zou zelve niet onaangeroerd blijven. Er was een Achan in haar midden die uit den weg geruimd moest worden. Die Achan was de sterke drank, waaraan ook een groot deel der gemeenteleden in meerdere of mindere mate gebonden was. Wel waren er enkelen die immer door protesteerden tegen dit verderf, maar hun getal was het kleinste en bovendien nog het zwakste. Donderdagavond zou deze afgod van zijn voetstuk worden geworpen en zijn val zou heinde en ver worden vernomen.

In een namiddagvergadering met de pasbekeerden werden zij inzonderheid gewezen op den sterken drank als een gevaarlijke vijand van het geestelijk leven. Dit leidde er toe om hen te bewegen op te staan voor het aangezicht des Heeren, betuigende dat vocht niet meer te zullen drinken. Ook nu bleek 's Heeren volk zeer gewilig op dezen dag van zijn heirkracht, zij rezen omhoog en de bekeering der gansene gemeente was voorbereid. In de groote avondsamenkomst las Horn Jesaja 6:1—8 en sprak daarvan o.a.: “dezelfde lippen waarmede gij den Heiligen Avondmaalsbeker aanroert, hebben sommigen uwer verontreinigd met den drinkbeker der duivelen. Hoewel vreugde mijn ziel vervult bij eene zoo groote schare van geredden, een huivering grijpt mij aan, hen in een gemeente te brengen, die onbeslist staat tegenover zulk een kwaad. En nu, gisteren stonden zij op voor God en beloofden geen drank te zullen drinken, ook heden willen zij dat voor u herhalen, daarna zal uw voorganger getuigen.” Toen hij had uitgesproken stond een gansche menigte van ouden en jongen, grijsaards en kin-[225]-deren op, daarna ook de voorganger der gemeente, broeder Lindeman, die daaraan nog een kort woord toevoegde. Hij zeide o.a. Geliefde Broeders en Zusters, men kan zoolang de zonde doen en haar beredeneern, dat zij eindelijk voor ons geen zonde meer is, althans voor ons gevoel, zoo ging het mij met het gebruik van sterken drank, niemand zal mij ooit beschuldigen kunnen dat ik te veel gehad heb, maar toch was ik als voorganger der gemeente mijn kracht kwijt om anderen te vermanen. Ik geloof dat ik menigeen gesterkt heb in het kwaad en beloof thans uit liefde voor anderen en tot heil voor mij zelven geheel te breken met den sterken drank. Kan en wil de Gemeente mij mijne misstappen in dezen vergeven? De Heer heeft mij vergeven. Als uit eenen mond klonk het ja! ja! ja! van harte! Niet dat afgemetene, maar dat gulle ja! Daarna werden de gemeenteleden verzocht door opstaan hun voornemen te kennen te geven om voortaan geen sterken drank meer te gebruiken en vervolgens beleden allen hun schuld. Nadat ieder weer plaats had genomen, stond de oude broeder J. G. Kreijenbroek op en zeide: “dit is de vinger Gods.” Hij had tot dusverre vruchteloos tegen den drank geprotesteerd en nu zagen zijn oogen dit schouwspel.

De getuigenissen der schippers die turf haalden waren eenparig, dat ze nog nooit aan deze plaats in zulk een stemming des volks geladen hadden en de stilte die onder het anders zoo roerige volk heerschte, verbaasde hen uitermate. Zondag te zes uren in den morgen waren reeds vele broeders aanwezig om de noodige schikkingen in en om de kerk te maken, die niet eerder konden plaats vinden. Te zeven uren kwamen de menschen al uit de verte opdagen om getuige te zijn van de doopsplechtigheid. Sommigen hadden een afstand van vier uur afgelegd. Te acht uren begon de menigte toe te stroomen. De opkomst was zeer groot, zoodat de gemeenteleden verzocht werden het kerkgebouw te verlaten, om voor de niet-leden plaats te maken. Hoe opofferend dit ook mocht zijn, toch werd er bereidwillig aan voldaan. [226] Aan weerskanten waren vier banken opengelaten en ook de gang moest ruim blijven. Aan het einde van het gebouw was 't platvorm. Daar was ook de doopvont; de kleedkamertjes waren met groene kleeden afgeschoten; dat aan de rechterzijde bestemd voor de mannen, het andere voor de vrouwen. Voor deze buitengewone gelegenheid was een expresse deur gemaakt in den achtergevel en daarachter buiten de kerk een afschutting. Om alles eerlijk en met orde te doen geschieden, had broeder R. Engelsman bereidwillig zijn huis afgestaan, waar de broeders zich konden verkleeden en broeder Roeles insgelijks voor de zusters. Ook nu leidde broeder Horn de bijeenkomst. Hij verzocht de vergadering een lied te zingen, terwijl broeder Lindeman de broeders, en broeder Roeles de zusters binnenleidde. Welk een indrukwekkend gezicht! Vier en vijftig kwamen achter elkander in witte doopgewaden, reikend tot op de hielen, een beeld van reinheid, de voordeur binnen, om openbaar, door een daad, belijdenis te doen van hun geloof, en een weldaad van den Heer te ontvangen door zich naar 's Heeren bevel te laten doopen. Toen de doopelingen op de hun aangewezen banken hadden plaats genomen, stroomde de kerkgang vol volk. Psalm 84:7 werd gezongen. Daarna las broeder Horn Jesaja 54 voor; vervolgens werd gedankt en gebeden en eindelijk trad de dooper broeder Jannes Kruit de vont in. Broeder Lindeman plaatste zich aan het eene einde en leidde de doopelingen er in terwijl broeder Roeles aan het andere einde hen er uit leidde en hen aan andere broeders en zusters gaf, die gereed stonden om hen behulpzaam te zijn in het verkleeden. In een half uur waren allen gedoopt. Treffend was het, toen onze broeder zijn eenigsten zoon en twee zijner dochters mocht doopen. Toen de doopvont was gesloten stroomde de kerk zoo vol volk, dat de sprekers juist een staanplaats hadden om de schare toe te roepen: “bekeert u en gelooft het Evangelie.” Verschillende broeders voerden het woord. Om half twaalf eindigde deze bijeenkomst, waarna de gemeente overging om den dood

[227] des Heeren bij brood en wijn te gedenken.” Horn bleef nog tot 27 Augustus en leidde elke nieuwe samenkomst. Toen vertrok hij met Roeles naar Pekela om daar de réveille te doen hooren.

De vraag of deze opwekking den noodigen diepgang bezat, kan niet volmondig bevestigend worden beantwoord. Velen van hen, die aanvankelijk “gewonnen” werden, moesten later wegens ongeregelden wandel worden afgesneden en in plaats dat de stroom doorging, verliep hij door twist en scheuring.

Roeles had van meet af een fellen strijd aangebonden tegen het heerschend drankgebruik, waarvan hij de gruwelijkste verwoesting onder de gansche veenbevolking aanschouwde. Op Nieuwjaarsmorgen 1880 had hij den teerling geworpen, toen hij in een volle kerk openlijk het kwaad bestreed met een predikatie over 1 Petrus V:8a “Zijt nuchteren en waakt.” Sedert was de drank een twistappel gebleven. Geheelonthouders en matigheidsbepleiters stonden scherper dan ooit tegenover elkander. Lindeman, die tijdens de opwekking den alkohol had afgezworen, vond later het gebruik gewettigd en zag met leede oogen het streven van Roeles aan om persoonlijke gelofte van geheelonthouding van alle leden te eischen. Hij bracht in de gemeentevergadering van 12 Maart 1882 de zaak op de volgende wijze te berde: “Broeders en Zusters, de drank is hier steeds een twistappel in de gemeente. Hoe moeten wij dat geschil ten einde brengen? De Schrift zegt: Wij die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet ons zelven te behagen. Ik zou wel eens willen vragen: “Wie heeft met den drank gebroken?” Het grootste deel der gemeente ging opstaan.

— Wie heeft er niet mede gebroken? Velen rezen overeind, ook van hen die bij de opwekking beleden hadden geen drank meer te zullen gebruiken.

— Wie kunnen de drankdrinkers dragen? Ik wel. Velen stonden op.

[228] — Wie kunnen niet dragen? Enkelen gingen staan.

— Zijn er niet meer? met een blik op Roeles, die ook was opgestaan.

— Dan zijn jullie van de gemeente af.

Roeles antwoordde: “ik wil niet van de gemeente af; dat is hier de bedoeling niet, het is getuigenis tegen getuigenis en de minderheid schikt zich als altijd naar de meerderheid.

— Je kunt immers niet dragen en nu ben je afgesneden.

— Dan trek ik mijn woorden in, want van de gemeente wil ik niet af, ik wil ook dragen als altijd.

— Je zult er af. Brat![7] schrijf de namen op, ook dien van Roeles.

— Brat, mij niet!

— Brat, schrijf, geef hier 't papier, hij zal er op, dan zal ik het doen, ziezoo, hij staat al!

— Dat scheelt mij niet, ik ga niet van de gemeente af.

— Je bent er af.

— Dat is niet waar.

Zoo ging het nog eenigen tijd door, totdat Roeles een beroep deed op de gemeente, die echter te verslagen was om zich ten volle rekenschap van de dingen te geven. Na een onbeschrijfelijk tumult, kreeg Lindeman weer de leiding der vergadering en sprak: “om de waarheid te zeggen, broeder Roeles, het is dan toch maar beter om weg te gaan voor het heil der gemeente en dan zal voortaan niet meer over den drank gesproken worden.

— Dus ik moet weg?

— Ja.

— In vredes naam; als het moet dan zal ik gaan. Hij maakte aanstalten om heen te gaan.

[229] — Je behoeft direct niet weg te gaan.

— Als ik toch van de gemeente af ben, wil ik hier ook niet langer in de vergadering blijven.

Roeles ging, gevolgd door Engelsman en zeventig anderen, waarvan sommigen schreiden.

Lindeman gaf toen op te zingen: Houdt Christus zijne Kerk in stand, zoo mag de hel vrij woeden” (Gez. 156:1), daarna: “Ai ziet! hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen van 't zelfde huis, als broeders samenwonen.” (Psalm. 133:1). Ouderling J.W. Kruit sloot de vergadering met dankzegging.

Na afloop van de vergadering ging Lindeman met Brat naar Engelsman en sprak de daar saamgekomen menigte, toe, haar waarschuwende, dat ze wel moest weten wat ze deed. Hieruit ontstond een hevige discussie vooral tusschen Lindeman en Sj. Bos. Deze herinnerde hem aan de dagen der opwekking, toen de gemeente met haren voorganger op de knieën lag om voor God, elkander en de wereld te belijden geen sterken drank weer te zullen drinken, en aan het getuigenis van den ouden broeder J. G. Kreijenbroek: “dit is Gods vinger.” En hij vroeg: “als het toen de vinger Gods was, wat is dit dan?” Waarop Brat antwoordde: “dan is dit uit den Satan?”

Roeles eischte nog schriftelijk, dat de afsnijding zou worden ingetrokken, maar hij ontving ten antwoord, dat hij als lid was geschrapt. Daar hij persoonlijk lid was der “Unie van gemeenten van gedoopte Christenen in Nederland”,[8] zond hij aan alle daarbij aangesloten gemeenten een protest, zoodat de zaak veel gerucht en strijd teweegbracht.[9] De gemeente trad een toestand in van dorheid en doodschheid. Eerst in 1887 deed weer eenige opleving zich gevoelen.[10]

[230] Doch in 1889 viel een zware slag: Lindeman geraakte in groote finantieele moeilijkheden en kon zijn zaak niet gaande houdern, zoodat hij met zijn schuldeischers moest accordeeren. Hij bedankte toen als voorganger maar verzocht het lidmaatschap dier gemeente te mogen behouden, hetgeen echter werd geweigerd. Aan ouderling J.W. Kruit, die reeds eenigen tijd de Zondagschool leidde en ook af en toe predikte, werd nu het gemeentelijk werk opgedragen in gemeenschap met de broeders Peter Smit en Christiaan Beuker.

Lindeman, die niet een karakter had om bij de pakken neer te zitten, trok nu verder den Mond in naar Nieuw-Weerdinge. Geholpen door een Roomsch Katholiek van Ter Apel begon hij opnieuw met de veenderij. Maar ook ving hij weer samenkomsten aan in vereeniging met eenigen uit de gemeente, die hem trouw waren gebleven. Dit leidde andermaal tot evangelisatie en zoo verrees in 1893 naast zijn huis een lokaaltje, waar hij geregeld optrad. Toen dit al spoedig te klein bleek, werd het omvergehaald en maakte het plaats voor grooter. Ook kwam het tot stichting van een gemeente, die hem als voorganger koos.[11] Vanaf dien tijd dagteekent de strijd tusschen “voor” en “achter”, want nu waren er twee gemeenten. “Voor” leidde jarenlang een kwijnend bestaan,, terwijl bij “achter” hett koren bloeide. Voortdurend hadden daar bekeeringen plaats. Lindeman verleende de meest mogelijke vrijheid aan ieder, die het koninkrijk Gods wenschte uit te breiden, om in zijn kerk te prediken. Ds. Van Burk uit Amerika, J. van Petegem, die te Veendam een reddingsleger organiseerde, de zendingsagent P.Sj. Bartlema, de bijbelcolporteur Kanon, de “vrije” evangelist G. Blom lieten er zich hooren.

Dikwijls werden van weerszijden pogingen aangewend om “voor” en “achter” te vereenigen. Ook is die vereeniging voor korten tijd tot stand gekomen, doch weldra scheurde de band en werkte ieder weer afzonderlijk, “voor” in de [231] gemeente Vlachtwedde, Lindeman in de gemeente Emmen. “Achter” kreeg een gevoeligen slag door de afsnijding van een ouderling, die aller achting genoot en veel evangeliseerde, wegens ontuchtigen wandel. Dit schokte veler vertrouwen, en hoewel Christiaan Beuker degelijke toespraken gaf, nam de opkomst onder de prediking zichtbaar af. Lindeman trok zich dit zoo aan, dat hij het lokaal verkocht aan den evangelist J. Mulder. Deze richtte eerst een vereeniging op, die zich aansloot bij den Bond voor evangelisatie in en ten bate der Ned. Hervormde kerk, de doopvont werd dichtgemaakt en opnieuw stroomde het volk naar het lokaal. Daarna stichtte hij een “vrije broedergemeente”, doch deze ging weldra te niet. Eindelijk liet hij zich doopen en werd voorganger eener Baptistengemeente. Lindeman was inmiddels verhuisd, al weer verder den Mond in, het veen achterna. En ook daar moest de rustelooze man de hand slaan aan den ploeg. Weer bouwde hij een kerk (1906) en aan ieder die het Evangelie wilde brengen “vrij van allen sektegeest”,[12] gaf hij toestemming te prediken. Hoewel zeven en zeventig jaar oud treedt hij er zelf ook op en nog hoort men gaarne den man, wien het prediken een levensbehoefte geworden is. Mulder heeft zich later met “voor” vereenigd en ontving niet lang geleden een beroep naar de gemeente te Zutphen, dat hij aannam en waar hij nu werkzaam is.

De gouden dagen der opwekking schijnen nu voorbij te zijn. De bevolking, die minder vlottend is dan voorheen, heeft thans meer kerkelijk besef dan toen. De Hervormde en Gereformeerde kerk kregen den “trek”.

Lindeman is in alle stadiën van zijn veelbewogen leven ongetwijfeld voor velen ten zegen geweest, die door zijn woord en kerkbouwijver het Evangelie hebben leeren kennen. Als tolerant man sprak hij ten vorigen jare bij de inwijding der nieuwe Hervormde kerk zijn blijdschap uit over het verrijzen van dat gebouw en uitte daarbij den wensch, dat ook [232] binnen die muren velen voor Jezus mochten worden gewonnen. In de laatste periode van zijn leven onderging hij niet weinig den invloed van de spiritualistische beschouwingen, die door M. Beversluis, thans Hervormd predikant te Zuid-wolde, in zijn weekblad “Geest en Leven” werden gepubliceerd.

Had Roeles zich bij de opwekking te Weerdingermond als een “revivalman” doen kennen, ook te Deventer, werwaarts hij 21 Augustus 1882 vertrok, toonde hij zich met hart en ziel een voorstander van evangelische opwekkingssamenkomsten. Bij zijn komst aldaar bestond daar een Baptistenkring van tien broeders en zusters,[13] die als afdeeling der gemeente Nieuwe Pekela te boek stond. Ouderling, tevens eersteling en ziel van dezen kring, was Cornelis Peters,[14] (geboren in 1829) die omstreeks 1870 tegelijk met zijn vrouw door Kloekers werd gedoopt. Beiden waren overtuigd van den doop der geloovigen, doch hij kon eerst niet tot den beslissenden stap overgaan. Bij gebrek aan kapel en doopvont zou de doop zijner vrouw in een vaart geschieden en om geen opzien te baren bij avonddonker. Men ging gezamenlijk van huis, maar toen de plechtigheid zou plaats hebben, zag Kloekers tot zijn verwondering niet de vrouw maar de man in doopgewaad voor zich staan. De laatste werd hier dus de eerste.

Vanaf dat oogenblik hebben zij zich met groote beslistheid, offervaardigheid en trouw naar de mate hunner gaven aan hun beginsel gewijd. Menigmaal werden zij de dupe van misleiding of oplichterij, als menschen onder het masker van vroomheid zich tijdelijk bij hen wisten op te dringen. Maar ook voor menigeen, die zich in oprechtheid bij hen aansloot waren zij ten zegen. Zij stelden hun woning open voor de onderlinge samenkomsten en lieten er een doopvont in maken.

[233] Door de komst van Roeles trad de openbare prediking meer naar voren. Hij begon b.v. bijbellezingen, te houden in de Nieuwstad (Molenbelt).[15]

De Evangelische opwekkingssamenkomsten in den winter van 1882—1883 gaven nieuwe actie. Had men in den beginne ledige zalen, niettegenstaande Kloekers, Horn en de Hart waren, overgekomen, allengs werd de ernst en beteekenis der vergaderingen door meerderen gevoeld. Den eersten Maart 1883 had, in het toenmaals beruchte danshuis “Het Hof van Holland”, een gezegende samenkomst plaats, belegd door twee evangelisten der “Nederlandsche Evangdisch-Protestantsche vereeniging”,[16] nl. W. Wesseldijk van Epe en D. Meeuwenberg van Emst, die bijgestaan door Roeles een week lang te Deventer arbeidden. In Juni 1883 verspreidde Roeles drie duizend tractaten op de kermis. Met goedvinden van Nieuwe Pekela werd de gemeente in September 1884 zelfstandig onder het bestuur van B. Roeles, voorganger, C. Peters Sz., ouderling, C. Peters Cz., diaken en E.J. Schoneveld, secretaris. In het lokaal “Bethel”, waarvan de eerste steenlegging 7 October en de inwijding 15 December 1884 plaats had, kreeg zij een doelmatige “kapel” met doopvont.[17] De gemeente bestaat thans uit ongeveer zeventig leden.

Roeles werd den 27sten Augustus 1882 door Hermanus Kluijtenberg (in de Hoven te Zutphen), die met zijn vrouw lid was van de Deventer gemeente, uitgenoodigd om in zijn woning te komen prediken, welk aanbod dankbaar door hem werd aanvaard. Wekelijks hield hij er een bijbellezing, die vaak plaats had onder een bombardement van steenen op de voordeur en een roffel op de ramen. De opkomst was zeer gering, zelden meer dan drie of vier personen [234] buiten het gezin van Kluijtenberg. Enkele oude Baptisten, die nog uit een vroegere periode waren overgebleven,[18] werkten tegen en gingen met twee pas bekeerden tot de vergadering der Darbisten over. De broederschap deed het volgend jaar een belangrijke schrede voorwaarts door in een volkrijke buurt der stad een lokaal te buren met tweelhonderd zitplaatsen, de vroegere Fransche school van C. Vos, die haar ingang had in de Donkeresteeg. Dit alleszins ruime gebouw werd voor den dienst des Evangelies ingericht met behulp van eenige vrienden buiten de stad, daar de gemeente zelf te arm was om het te bekostigen. Den 14den December 1883 des avonds te 8 uur wijdden Roeles en de Hart in tegenwoordigheid van een groote schare het nieuwe vergaderlokaal in, dat den naam Silo" verkreeg. Daar had nu elken Zondagmorgen en Vrijdagavond openbare prediking plaats en de opkomst was boven verwachting. Ook werd een Zondagschool opgericht en een maandelijksche onderlinge vergadering in het leven geroepen. In dien tijd sloot de gewezen zendelinge uit China Warren Johnson zich bij de gemeente aan. Later heeft zij zich teruggetrokken, hoewel zij het Zondagschoolwerk voortdurend bleef steunen. Het scheen alsof een tijd van bloei zou aanbreken. Van alle kanten, ook van de omliggende dorpen stroomden de menschen toe. Maar toen er bekeeringen plaats grepen, hield de stroom op, de een na den ander bleef weg en het werd weer een worsteling in hopen en vreezen voor de kleine kudde, die wegslonk tot een achttal. Een aanzoek om iets van het beginsel te laten varen werd zonder beraad afgewezen.

Elke winter trachtte men ook hier door de evangelische samenkomsten nieuw leven te wekken. Daartoe werd de benedenzaal van Bellevue aan de IJsselkade of de bovenzaal der arbeidersvereeniging in de Larenstraat afgehuurd. Sprekers van zeer uiteenloopende richting lieten zich daar hooren.

[235] Toen in Februari 1887 geen zaal beschikbaar was, achtten mannen als graaf H. Alderburg Bentinck en baron van Doorn van Westkapelle het niet beneden hun waardigheid om in de schamele Baptistenkapel in de Donkeresteeg op te treden naast Horn, de Hart, Roeles en Ds. Faure van Doesburg. Voor velen zijn deze vergaderingen tot tijdelijken en eeuwigen zegen geworden. Maar de vrees voor het Baptisme vervulde toch de gemoederen.

Een nieuwe beproeving werd het deel der broederschap, toen, door het overlijden van den eigenaar, “Silo” onderhands verkocht werd aan een aannemer, die het tot timmerwinkel inrichtte. Men moest nu uitzien naar een andere plaats van samenkomst en vond die na lang zoeken in een huisje aan de overzijde der straat, dat zoo goed mogelijk werd ingericht, wat niet wegnam dat Roeles eerst in een ledige bedstede moest spreken. Na twee jaar in dit vertrek vergaderd te hebben, verhuisde men naar een timmerwinkel in de Larenstraat, achter het lokaal van de arbeidersvereniging, waar ongeveer honderd menschen geborgen konden worden. Ook daar liet het veel te wenschen over, want bij een aanhoudenden regen werd de spreker als met een stortbad overgoten. Het scheen dat nu langzamerhand het predikstation te Zutphen de moedergemeente boven het hoofd zou groeien. Gedurig trok men naar Deventer niet doopcandidaten, die in de gemeente wenschten te worden opgenomen. Toen dan ook stemmen opgingen, die aandrongen op zelfstandigheid, werd met goedvinden van Deventer een eigen gemeente geconstitueerd, die 8 Juli 1888 rechtspersoonlijkheid verkreeg.[19] Zij benoemde met algemeene stemmen Roeles tot voorganger, terwijl H. Nijveld tot ouderling, H. ter Braak tot penningmeester en E.A. du Pon tot secretaris werden gekozen.

Daar het lokaal in de Larenstraat door helt overlijden van den eigenaar in andere handen overging, moest een nieuwe [236] uitweg gezocht worden. Na allerlei getob van het een op het ander, kocht de gemeente in Februari 1891 een Roomsche school met huis aan het Rijkenbagen (no. 47 en no. 48). Den 5den November werd dit pand aanvaard, den 2den Paaschdag 1892 ingewijd en den 23sten Mei de doopvont in gebruik genomen. Het bezit van dit gebouw, waarin de gemeente nog steeds vergadert, heeft aan allen arbeid een meer blijvend karakter gegeven. Het ledental is met inbegrip van Apeldoorn, waar Zutphen een afdeeling heeft, tot ongeveer 65 leden geklommen.

Geen gemeente heeft meer gedeeld en wasdom gevonden in de geestelijke opwekking dan Groningen. Als met één ademtocht werd het zwakke stekje een forsche loot. Eerst waren er slechts enkele Baptisten in drie hoeken van de stad verstrooid. In het Noorderkwartier kwam een vijftal tezamen onder leiding van K. Kremer (1875).

Toen Kloekers van hen hoorde, trachtte hij hunne oogen te openen voor den plicht tot gemeentevorming, hetgeen echter nog niet het gewenschte gevolg had. Op den Papiermolen en in particuliere huizen predikte de Vrieze,[20] onder zeer behoeftige omstandigheden doch niet zonder resultaat, aangezien vijf door hem op belijdenis zijn gedoopt. Eindelijk stond het echtpaar K. van der Baaren, leden der gemeente Franeker, tamelijk op zich zelf.

Deze drie groepjes noodigden in januari 1880 Kloekers uit tot een gemeenschappelijke vergadering, ten einde zich zoo mogelijk tot één broederschap te vereenigen. De kring van de Vrieze had inmiddels den Papiermolen vaarwel gezegd en een klein lokaal in de Warmoesstraat tot plaats van samenkomst laten inrichten. De voorganger zelf had de inwijding niet meer mogen beleven, daar een kortstondige [237] ziekte hem wegnam. Op zijn begrafenis werden nog de plannen tot vereeniging besproken. Den 25sten Augustus 1880 droeg Kloekers het lokaaltje aan den Heer op met de woorden: “Wie veracht den dag der kleine dingen?” (Zach. IV:1Oa). Na de predikatie ging men naar de woning van K. van der Baaren, waar men zich onder biddend opzien tot God verbond om als een eenig man te staan voor het heilig beginsel. K. Kremer werd als voorgaand ouderling-penningmeester gekozen en bevestigd. De gemeenschappelijke arbeid werd kennelijk gezegend, zoodat een jaar later het ledental was verdubbeld. Nu werd rechtspersoonlijkheid aangevraagd en 31 Juli 1881 verkregen. Ook ging men onder het opkomend geslacht werken door een Zondagschool en jonge-dochtersvereeniging. Daar Kremer buiten de gemeente kwam te staan ging de leiding over op K. van der Baaren, terwijl N. van Beek uit Haulerwijk als evangelist der gemeente optrad.

Voor de samenkomsten, die door gebed voorbereid, 18— 29 Januari 1882 gehouden werden, was een zaal in het Concerthuis en in het logement “De Beurs” voor drie avonden gehuurd. Behalve Van Beek spraken daar Horn, de Hart, Roeles en Kloekers. Zij werkten dringend op schuldovertuiging en zelfovergave, terwijl op de navergaderingen de bekommerden werden behandeld. Het gehoor klom van twee honderd vijftig tot vier honderd. Onder het gehoor bevond zich steeds de Hervormde predikant L.H.A. Bähler te Groningen, den laatsten avond met een zestal catechisanten. Eindelijk werd in het gemeentelokaal een afzonderlijke meeting belegd met de pasbekeerden. Roeles en Van Beek gingen voor. Bähler was ook tegenwoordig en ongeveer zeventig personen beleden, “dat zij in deze dagen tot den Heere Jezus gekomen waren.” Het meerendeel van hen sloot zich aan bij de Baptistengemeente. In Februari 1882 werden twee en twintig gedoopt. Deze aanwas maakte een nieuw kerkgebouw noodzakelijk. Dit verkreeg men buiten het voormalig Klein Poortje aan den Meeuwenderweg. Het bood ruimte [238] voor ongeveer vier honderd zitplaatsen en werd den tweeden Pinksterdag 1882 door Kloekers ingewijd. Van Beek trad nu op als voorganger, terwijl K. van der Baaren de gemeente als ouderling diende. Den 27sten Augustus vierde men met zeventig broeders en zusters het H. Avondmaal.

De evangelische samenkomsten van 1883 waren niet minder belangrijk voor den groei der gemeente. Vijf avonden (15—20 januari) hadden stampvolle vergaderingen in de Baptistenkerk plaats, waaronder personen van alle gezindten werden opgemerkt. Van Beek schreef: “Gods Geest werkte machtig.” De navergaderingen duurden tot na middernacht. Er bleven zoo velen zitten, dat lang niet met allen persoonlijk kon worden gesproken, hoewel Van Beek, Kloekers, Horn, Roeles en M.J. van der Schuur[21] van 't Zandt in het geweer waren. Toen de samenkomsten afgeloopen waren, beleden meer dan tachtig personen dat zij langs dezen weg gekomen waren tot de kennis des heils in Jezus Christus.

De daarop volgende jaren hadden de samenkomsten niet die omvang en nawerking, maar het ledental bleef nochtans klimmen en steeg tot 114, terwijl het in 1888 dat van 206 en in 1890 dat van 224 bereikte.

Van Beek maakte ook een aanvang met de opleiding van jongelieden tot het predikambt. Toen evenwel later het seminarie der Duitsche Baptisten te Hamburg ook voor Nederlandsche jongelieden werd opengesteld, kreeg deze opleiding een meer voorbereidend karakter.[22]

Na negen jaar met onverdroten ijver te hebben gearbeid ontving hij een beroep van de gemeente te Stadskanaal, [239] werwaarts hij Februari 1890 vertrok. Het eens zoo kleine kuddeke te Groningen was nu aangegroeid tot een gemeente van ongeveer twee honderd vijftig leden, waarvan het meerendeel onder zijn prediking tot belijdenis en doop was gekomen. De snelle groei der gemeente had echter ook zijn schaduwzijde. Vele gedoopten bleken de noodige diepte en ernst des geestelijken levens te missen. Ook openbaarde zich onder hen allerlei wind van leer. Menigeen liet zich meesleepen door een geest van oppositie, zoodat Van Beek somwijlen voor verwarde toestanden en rumoerige gemeentevergaderingen kwam te staan.

Zijn opvolger J. Horn, komende van Sneek, werd Paschen 1890 door zijn vriend J. de Hart in den nieuwen werkkring ingeleid. In den beginne beleefde de gemeente heerlijke dagen. Horn bleek ook hier een onvermoeid arbeider, een uitnemend evangelist en een bekwaam spreker te zijn. Hoewel hij de diepst gezonkenen van de maatschappij opzocht en trachtte te redden, handhaafde hij in den boezem der gemeente een strenge tucht, zoodat velen werden afgesneden, hetgeen veel ergernis gaf. In het evangelisatiewerk lag Horn's kracht, doch ook zijn zwakheid. De gemeente voelde er minder voor. Het was haar niet aangenaam, dat hij met zijn bijbelkiosk op de weekmarkt stond of colporteerde met “De Blijde Boodschap” van Ds. N. de Jonge te Brussel. Ook verweet zij hem een eigenmachtig optreden. Een en ander bracht een verwijdering teweeg, die soms scheen weggenomen te zijn, maar toch bestendigd bleef. Het onderlinge vertrouwen was geschokt en donkere wolken pakten zich boven de gemeente samen.

Horn trok in September 1894 met een deputatie naar Londen, ten einde de finantieele hulp der Engelsche Baptisten in te roepen.[23] Het resultaat was zeer gering en toen hij [240] na zijn terugkeer, het aldaar gesprokene in “De Christen”, het orgaan der Uniegemeenten, publiceerde,[24] barstte het smeulend vuur van ongenoegen in laaie vlammen uit. Hij had o.a. gezegd:. “Onze voorgangers leiden een leven van zelfopoffering en ontbering met hun vrouwen en kinderen.” Dit werd in de bestuursvergadering der gemeente voor een leugen uitgekreten, doch door hem met cijfers gehandhaafd. Drie maanden lang was de gemeente een waar strijdperk. Allerlei vergaderingen werden buiten hem om gehouden. Om zijn invloed te beperken werd in de gemeentevergadering van 27 Januari 1895 het voorstel ingediend om de bestuursvergaderingen af te schaffen en de zaken te behandelen in de algemeene vergadering van broeders boven de achttien jaar, met uitsluiting der zusters.[25] Men eischte, dat het in stemming werd gebracht. Toen Horn dit weigerde en men riep: “dan moet de gemeente maar stemmen!” verliet hij met de woorden: “er zit een adder onder het gras, ik bedank voor mijn voorgangerschap”, de rumoerige vergadering.

Omstreeks veerttig leden kozen zijn partij en verbraken den band met de gemeente. Zij verbonden zich opnieuw “voor God, voor elkander en voor de wereld als een gemeente van Jezus Christus, die het kwade haat en verwerpt en het goede liefheeft en zoekt.” Na een Zondag rust genomen te hebben, trad Horn voor een aanzienlijk gehoor in de door hem gehuurde bovenzaal van het onthouderskoffiehuis op, maar tot constitueering van een nieuwe gemeente ging hij niet over.[26] Hij wijdde zich voortaan geheel aan de stadsevangelisatie, die zich baseerde op het standpunt der Evangelische Alliantie.[27]

[241] De gemeente had intusschen ouderling K. van der Baaren tot voorganger gekozen, die echter den 27den December 1896 zijn plaats inruimde voor B. Planting, een kweekeling van de Hamburger school. Langzamerhand voegden de uitgetredenen zich nu ook weder bij de gemeente. Toch bleven er enkele groepjes malcontenten bestaan, die zich met vroeger uitgesloten leden trachtten te versterken. Een dezer groepjes sloot zich bij de gemeente te Franeker aan, die hen echter na korten tijd weer heeft losgelaten.[28] (Juli 1902).

Nog één gemeente, die haar opkomst aan de evangelische opwekkingssamenkomsten dankt, moet hier vermeld worden, nl. 't Zandt in den Noordoosthoek der provincie Groningen, waar de familie Engelsman haar domicilie had.[29] Den 30en en 31en Januari 1882 had op de herbergzaal te 't Zandt een samenkomst plaats onder leiding van Horn, Roeles en Van Beek. Ongeveer drie honderd personen waren opgekomen, waarvan velen uit de omliggende dorpen.[30] Toen in de navergadering met de bekommerden was gesproken en gebeden, bleken veertig de vrijmoedigheid des geloofs ontvangen te hebben. Doch ook hier volgde een haastige terugslag. Reeds in 1883 deden zich allerlei onverkwikkelijke incidenten voor.[31] Daar een deel der gemeente uit schippers bestond en deze in den zomer veel afwezig waren, kwam er weinig van openbare prediking. Den 29sten Juni kreeg de gemeente rechtspersoonlijkheid. Zij bestond toen uit 33 leden. Ouderlingen waren S. Engelsman en S. Juisting. Wegens finantieele bezwaren bezat zij langen tijd geen eigen verga-[242]-derplaats. Juist geraakte zij in den winter van 1891 weder in het bezit van een vroeger door haar gehuurde woning, toen Darbistische invloeden uit Foxhol, waar de voorganger Kremer tot de “vergadering” was overgegaan, haar zulk een aderlating toebrachten, dat het ledental met meer dan de helft werd verminderd.[32] 't Zandt komt thans niet meer op de lijst der gemeenten voor.


[1] “Het Eeuwige Leven”, tijdschrift, gewijd aan de bevordering van de heiligmaking volgens de Schrift en aan de opwekking dezer dagen, redacteur P. Huet, Goes, 1881, no. 1.

[2] Moody en Sankey deden van 1881 tot 1884 hun tweede Europeesche rondreis.

[3] “De Christen”, Juni 1882.

[4] Hij werd aangezocht o.a. door het lid van het hoofdbestuurder Nederl.-Zendingsvereeniging Qerritson en door Ds. Witteveen te Ermelo.

[5] Hij ontving van de gemeente een klein salaris, hoofdzakelijk in natura, terwijl Lindeman haar voorganger bleef.

[6] “Het genadewerk Gods in de bekeering van zondaren in Weerdingermond”. Sneek 1881.

[7] J.W. Brat was de schoonzoon van Lindeman, stiefzoon van Johannes George Kreijenbroek, een lid der Baptistengemeente te Amsterdam, die kort voor de opwekking in Ter Apel was komen wonen en aldaar 26 Jan. 1882 stierf.

[8] De gemeente was geen lid. Over de Unie wordt in het volgende hoofdstuk uitvoerig gehandeld.

[9] Later had een verzoening tusschen Lindeman en Roeles plaats.

[10] De statistiek geeft voor dit jaar een cijfer van 147 leden. Roeles was reeds 21 Aug. 1882 naar Deventer vertrokken. Ook werd in 1882 rechtspersoonlijkheid verkregen.

[11] Evenals tevoren bediende Lindeman weer de gemeente gratis.

[12] Dit zijn Lindeman's eigen woorden.

[13] Eén woonde te Zutphen.

[14] Misschien een zoon van Hermanus Peters, die voorkomt in de gemeente te Zutphen, bl. 73.

[15] 27 September 1882.

[16] De geschiedenis dezer vereeniging is beschreven in het gedenkschrift, dat ter gelegenheid van haar 50 jarig jubileum werd uitgegeven in 1903.

[17] Zuster Hulleman-Snelders werd 29 Dec. 1884 daarin het eerst gedoopt.

[18] Zie hoofdstuk 11.

[19] 27 Juni 1888 werd de gemeente in de Unie opgenomen.

[20] De Vrieze had na zijn vertrek Stadskanaal in 1867 zich begeven naar Foxhol, waar hij tien jaar heeft gearbeid. Van daar vertrok hij Jubbega-Schurega, waar hij zonder blijvend resultaat twee jaar werkzaam was. Daarna vestigde hij zich in 1879 te Groningen.

[21] M.J. van der Schuur was ouderling der gemeente te 't Zandt.

[22] Van Beek heeft opgeleid: 1e Kremer, die te Foxhol arbeidde en daar overging tot de Darbisten, 2e  B. Planting, thans voorganger der gemeente te Amsterdam, 3e  A. Hof, thans voorganger te Lückenvalde in Duitschland, 4e  J. Louw, thans aan het Seminarie te Hamburg, 5e  H. Reiling, die later naar Londen of Hamburg denkt te gaan. Twee andere leerlingen Hille Visser en Joh. v.d. Kam. zijn tot het maatschappelijke leven teruggekeerd.

[23] Hij trad er van 18 Sept. tot 5 Oct. zevenmaal op en vond in W. van Oosterwijk Bruijn, zoon van den voorzitter van het Ned. Jongelingsverbond, een bekwamen tolk.

[24] “De Christen” van 11 Oct. 1894.

[25] Alle Baptisten gemeenten hebben op grond van Gal. 3:28 aan de vrouwelijke leden stemrecht verleend.

[26] Wel heeft hij een enkele maal met zijn getrouwen het H. Avondmaal gevierd en een tweetal gedoopt.

[27] Thans woont hij in de Bildt en geeft hij als reizend evangelist in vele plaatsen met zijn skiopticon Bunjan-avonden.

[28] Door bemoeiing van de Uniecommissie. Zie “De Christen” van 31 Juli 1902.

[29] De Engelsman's behoorden tot de weinige gedoopten uit de eerste periode van het Baptisme.

[30] In Garsthuizen had een samenkomst plaats bij br. S. Juisting.

[31] Blijkens de notulen van de commissievergadering der Unie te Haulerwijk 17 Oct. 1883. Ouderling was toen M.J. van der Schuur, een broeder van B. van der Schuur, hoofdonderwijzer te Neerbosch. Hij vertrok later naar Amerika.

[32] In 1891 had 't Zandt 33, in 1892 slechts 14 leden.

 

Voorganger


Ds. Fokko Stalman

 

Diensten 

     
01-10-2017 10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
    Avondmaal

08-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman

15-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jur Kruizinga

22-10-2017  10:00 uur
► Ds. Jannes Hofman
 
22-10-2017  16:00 uur
► Ds. Fokko Stalman
   Ouderendienst
 
29-10-2017  10:00 uur
► Ds. Fokko Stalman